De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET GELOOF EN ZIJN VOORWERP

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET GELOOF EN ZIJN VOORWERP

10 minuten leestijd

Er is in de Gereformeerde „gezindte" (een woord door Groen van Prinsterer ontleend aan de grondwet van 1815, om daarmede de bescherming van de Afgescheidenen te eisen), nog al wat verschil ten opzichte van de hantering van het woord „geloof". Toch kan niemand de centrale plaats ontkennen, die èn de Schrift èn in haar voetspoor de belijdenis geven aan het geloof, als de betrekking, waarin de zondaar weer tot God komt'te staan in het werk der verlossing.

Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden (Marc. 16 : 16). Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toom Gods blijft op hem (Joh. 3 : 36).

Dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de naam Zijns Zoons Jezus Christus (1 Joh. 3 : 23).

Dit is de overwinning, die de wereld overwint, n.l. ons geloof (1 Joh. 5 : 4). Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen, want die tot God komt moet geloven, dat Hij is en een Beloner is, dergenen, die Hem zoeken (Hebr. 11: 6). Het woord der prediking deed hun geen nut, omdat het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben (Hebr. 4:2).

Deze uitspraken der Schrift zouden met vele andere kunnen vermeerderd worden. We willen er alleen nog op wijzen, dat de opstellers van onze Heidelbergse Catechismus heel het hoofdstuk der verlossing (zondag 5—31) hebben uitgewerkt onder het gezichtspunt van het woord van Paulus tot de stokbewaarder in Filippi: geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden. Dit woord is dan tevens het antwoord op de vraag van de stokbewaarder: lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? Deze vraag is dezelfde waartoe de kennis van het hoofdstuk der ellende dringt. Het hoofdstuk der verlossing beantwoordt deze door te wijzen op de noodzakelijkheid van de Middelaar Jezus Christus, Die gekend wordt uit het heilig Evangelie, terwijl dan te beginnen met zondag 7 alles gegroepeerd wordt rondom het geloof.

De 20ste vraag spreekt over de noodzakelijkheid van het geloof, vraag 21 over het wezen van het geloof, vraag 22 tot en met zondag 22 handelen over de inhoud van het geloof n.l. de Drieënige God; zondag 23 en 24 gaan goed reformatorisch over de grote bate des geloofs: de rechtvaardiging, waarbij de heiligmaking toch al tegelijk betrokken wordt. Tenslotte gaat het in de zondagen 25 t.m. 31 over de wijze, waarop God dat geloof werkt en versterkt.

Toch zijn, ook bij gemeenschappelijk beroep op de 3 formulieren van enigheid, de verschillen zó groot, dat de één in de gereformeerde gezindte bij de ander niet „kerken" kan. „Ik houd het daar niet uit", hoor ik iemand zeggen. „Het gaat daar allemaal zo makkelijk. Je moet maar geloven en aannemen, en daarmee uit .

Omgekeerd hoor ik iemand klagen, dat hij onder een bepaalde prediking het niet kan vinden. „Ze komen daar immers aan het leven des geloofs nooit toe. Zelfs het woord geloof wordt vermeden, om alle nadruk te legen op het feit, dat een mens wedergeboren en bekeerd moet worden".

Nu zijn hier twee ontaardingen van hetgeen Schrift en belijdenis onder „geloof" verstaan, te signaleren. De éne ligt in de rationalistische lijn, de andere in de mysticistische. Over beide willen we iets zeggen.

1. Sedert de mens gegeten heeft van de boom der kennis des goeds en des kwaads, is hij de gemeenschap met de Opperste Wijsheid, met Hem, Die de Bron is van alle kennis en verstand, van alle raad en wetenschap kwijt en ziet zich op zichzelf aangewezen, al ervaart hij daarvan geding de hulpeloosheid. De hardnekkigheid van de zonde maakt dat de mens telkens weer bezwijkt voor de verzoeking om zonder de Geest des Heeren, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der Sterkte, de Geest der kennis en der vreze des Heeren (Jes. 11) een levens- en wereldbeschouwing op te bouwen, waarin de verschillende elementen en facetten van het leven leen geordende plaats krijgen.

Het verst gaat daarbij de mens, die eigen denken tot kenbron verheft, van dat eigen denken uit zich kritisch stelt tegenover alles wat zich aan hem voordoet, tot zelfs de Openbaring Gods ia Zijn Woord toe en eindigt in een of andere vorm van rationaliserende wijsbegeerte, hetgeen ook op zeer verfijnde wijze kan geschieden in allerlei filosofie, die schijnbaar anti-rationalistisch is.

Maar ook zal men uit kracht van opvoeding en van een zekere overtuiging die openbaring Gods in Zijn Woord niet loslaten, dan is er toch het gevaar, dat men het menselijk denken wél niet verheft tot de voornaamste kenbron, maar wel tot het voornaamste kenmiddel, zodat men de inhoud van die openbaring op een rationalistische manier gaat benaderen en gaat hanteren. Dit is het geval reeds geweest in verschillende systemen van Middeleeuwse Scholastiek. Maar ook de theologie na 1618-19 geeft daarvan dikwijls de waarschuwende voorbeelden, zowel in de Lutherse als ia de Gereformeerde kerken. Het wordt dan all meer een verstandelijk speculeren over allerlei „waarheden". De theologie ondergaat daarbij ook de invloed van de tijd, waarin zij beoefend wordt, omdat de kerk nu eenmaal niet luchtdicht afgesloten van de omringende wereld haar eigen leven leeft. Toen de Gereformeerde theologie het volle rationalisme ontmoette en bestreed, heeft zij daartoe vaak haar wapens ontleend aan het vreemde tuighuis van de tegenstander.

Sporen van die ontaarding zijn telkens te vinden in een eenzijdig voorwerpelijke prediking (al is het de vraag of het juist is deze prediking „voorwerpelijk" te noemen, daar het „voorwerp" des geloofs niemand minder dan God de Heere Zelf is, zoals Hij Zich in Zijn Woord openbaart).

Sporen van diezelfde ontaarding vindt men ook in „onderwerpelijke" kringen (om die bekende onderscheiding dan maar aan te houden). Men is dan vaak drukker met alllerlei menselijke redeneringen en gevolgtrekkingen uit het Woord, dan met het luisteren naar het Woord. Men spreekt dan wel veel óver God, maar is niet stil om 'te horen wat de Heere spreken zal. De godsdienst „versuikert" dan tot theologie. Het Woord wordt een operatieterrein voor de menselijke geest.

Het klassieke voorbeeld van deze ontaarding van het echt-gelovig bezig-zijn met de openbaring Gods, vormen de Schriftgeleerden, die dagelijks de Schriften vóór zich hadden, maar zonder verslagenheid onder Gods Wet, zonder ootmoedig smeekgebed en zonder waarachtige vertroosting uit Gods beloften.

De Bijbel wordt dan een soort steengroeve, waaruit men stenen uithouwt (niet zonder er onherstelbare schade aan teweeg te brengen), om daarmede een tempel der waarheid op te bouwen naar eigen architectuur.

Zo is het mogelijk bezig te zijn niet alleen met de wet, maar ook met het Evangelie. Dat wordt dan eigenlijk een geheel van heilsfeiten en heilswaarheden, die gekend en toegestemd dienen te worden, wat onwillekeurig ook wel met enige gemoedsaandoeninig gepaard gaat. Zo viert men zijn Kerstfeest, Goede Vrijdag en Pasen. Én dat is dan het geloof.

Zo iemand begrijpt niets van de donkerheid, waarover een kind van God klagen kan. En voor een roepen uit de diepte is er voor hem geen enkele reden. Wat zouden we ook voor reden tot klagen hebben, nadat Christus alles heeft volbracht! Christus is er immers! In Hem ligt alles. Dat heeft men alleen maar gelovig aan te nemen!

Alleen — er is reden om zich af te vragen: is het werkelijk dat geloof, dat met God te doen heeft. Of is daar misschien in de plaats van God geschoven de idee van God. Een denkbeeld kan Ook het gesneden beeld zijn, waarvoor wij in het tweede gebod gewaarschuwd worden.

Waar het geloof deze intellectualistische, rationaIistische signatuur krijgt, krijgt het ook iets onpersoonlijks en onbewogens.

Ik moet daarbij altijd denken aan het panorama Mesdag in Den Haag. Men gaat daar door een donker gangetje en trapje naar boven en staat dan opeens verbaasd over het treffende zeegezicht met het strand, de schepen en het oude Scheveningen. Men ondergaat dit, althans de eerste maal, zeker niet zonder bepaalde indrukken. Maar wanneer ik er een dag, een week, een maand, een jaar later kom, is alles er nog precies zo. Je raakt erop uitgekeken. Het heeft een statisch, onbewogen karakter.

Als ik daarentegen naar de werkelijke zee ga, is het beeld, dat ik te zien krijg, altijd weer anders. Vandaag ligt die zee er bij als een effen spiegel, waarin het gouden zonlicht weerkaatst, morgen is diezelfde zee enkel onstuimigheid onder grauwe, voortjagende wolken.

Bij dat panorama-geloof ontstaat een zekere eentonige oppervlakkigheid, die niet klopt met de dynamische bewogenheid, die we b.v. in de psalmen overal tegenkomen.

Het is een groot verschil of een soldaat alleen in vredestijd de wapens draagt, defileert enz., of dat hij voor de werkelijkheid van het vuur gezet wordt. Of hij alleen een oorlogsfilm ziet of bij een oorlog betrokken is.

Nu is het geloof juist de betrekking, waarin God de zondaar in het werk Zijner genade in Christus, tegenover Zichzelf stelt en de zondaar aan Zich verbindt.

Het is niet een betrekking ten opzichte van op zichzelf staande feiten en waarheden, die God ons voorlegt en die voor ons het karakter dragen van een betrouwbare mededeling.

Maar in het geloof worden we met ons hele bestaan, met ons „zijn" en ons „bewustzijn" gesteld tegenover de levende God, de God van die heilsfeiten en die heilswaarheden.

Waar nu de hier bedoelde intellectualistische misvorming van het geloof optreedt, wordt de Schrift meer een weergave van de Godsopenbaring, dan dat we te doen hebben met een God, Die Zich daarin openbaart.

Daarbij is eigenlijk geen plaats voor bevinding. Het geloof wordt een handeling van de menselijke geest, die men kan verrichten, wanneer men wil. Men is mét de inhoud van de Schrift bezig als een wiskunstenaar met z'n sommen, axioma's en gevolgtrekkingen.

We krijgen dan een soort redeneer-christendom. Een voorbeeld daarvan tekent een Gereformeerd predikant ds. Van Helsdingen in zijn brochure: „Gods verborgen omgang", aangehaald door dr. C. N. Impeta in diens „Zelfonderzoek noodzakelijk!" Ds. van Helsdingen geeft het volgende voorbeeld (maar niet ten voorbeeld): „God heeft met ons een verbond opgericht. Ik heb in mijn Doop daarvan het teken en zegel ontvangen. Dus ben ik een Bondeling, Zijn eigendom, geroepen om uit gehoorzaamheid straks belijdenis te doen en aan 't Avondmaal te komen en dus kom ik: aan Zijn Dis en heb deel aan Zijn eeuwig Heil". Dit schijnt inderdaad allemaal te kloppen als een bus. Maar zonder overgave des harten, verbreekt men metterdaad dit verbond. Men vergeet dan, dat er tweeerlei ranken zijn in de wijnstok (Joh. 15). En in Johannes 2 lezen we, dat velen in Jezus geloofden, maar Jezus vertrouwde Zichzelf hun niet toe, wetende wat in de mens was. Dat wisten deze mensen zelf maar al te weinig. Men dankt dan voor weldaden, waarom men nog nooit recht gebeden heeft. Wat er nog aan verbondsgehoorzaamheid gevonden wordt veruitwendigt tot een „schil" van een zeker moralisme, dat in de regel goede vrienden is met het intellectualisme.

De fout van deze rationalistische ontaarding van het geloof is, dat het geloof schijnbaar betrokken is op zijn rechte voorwerp, n.l. het Woord, maar dat dit Woord feitelijk losgemaakt wordt van de levende God en daarom ook niet als een levend Woord (als een hamer, een vuur, een balsem, een bron) beleefd wordt.

Resultaat van dit alles is een of andere vorm van dode rechtzinnigheid, al kan men dood hout met verf wel een fris kleurtje geven.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET GELOOF EN ZIJN VOORWERP

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's