DE DORDTSE LEERREGELS
Deze genade is God aan niemand schuldig; want wat zou Hij schuldig zijn degene, die Hem niet eerst geven kan, opdat het Hem vergolden worde? Ja, wat zou die God schuldig zijn, die van zichzelf niet anders heeft dan zonde en leugen? Diegene dan, die deze genade ontvang, die is Gode alleen daarvoor eeuwige dankbaarheid schuldig, en dankt Hem ook daarvoor; diegene, die deze germde niet ontvangt, die acht ook deze geestelijke dingen gans niet, en behaagt zichzelf in het zijne, of zorgeloos zijnde, roemt hij ijdellijk, dat hij heep, hetgeen hij niet heeft. Voorts van diegenen, die hun geloof uiterlijk belijden en hun leven beteren, moet men naar het voorbeeld der Apostelen het beste oordelen en spreken, want het binnenste des harten is ons onbekend. En wat aangaat anderen, die nog niet geroepen zijn, voor dezulken moet men God bidden. Die deze dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren; en wij moeten ons geenszins tegenover deze verhovaardigen, alsof wij onszelf uitgezonderd hadden.
HOOFDSTUK III/IV, ARTIKEL 15
Het beste oordelen en spreken.
In de godsdienstige literatuur wordt zo nu en dan een aanval ondernomen op de keurmeesters. Zoals bekend, zijn daar niet de keurmeesters van het abattoir of van de keuringsdienst van koloniale waren mee bedoeld, maar ongediplomeerde keurmeesters der zielen.
Het slot van art. 15 spreekt ook van keurmeesters in deze zin. Men kan het inderdaad moeilijk laten, een oordeel te hebben over anderen. Dat oordeel heeft nu eenmaal ieder over zijn naaste over alle dingen van het leven. De ene vrouw beoordeelt de ander of zij smaak heeft, gezellig is, betrouwbaar of wat ook. Met mannen is het niet anders. Artikel 15 juicht dat oordelen dan ook toe, in dit geval op het geestelijk gebied. Het is maar op welke wijze men oordeelt. Wacht even, zegt iemand, heeft de Heere Jezus niet gezegd: Oordeelt niet ? Inderdaad, zeg ik, dat staat in Matth. 7 vs. 1. Maar laat men niet menen, dat deze woorden van Jezus gebruikt mogen worden om een zedelijke slapheid en allerlei zonden onveroordeeld te laten. Het woord is ook niet gesproken om kerkelijke laksheid te verdedigen, zo in de trant van : laat ieder maar prediken wat hij wil; wij mogen niet oordelen. Wat is er dan bedoeld ? Dat wij niet in Gods plaats mogen gaan staan en de verdoemenis uitspreken over onze naaste, zonder de mogelijkheid van bekering open te laten. De Heere Jezus geeft hier geen burgerlijke leefregels. Hij is met de dingen Gods bezig. Dat is het eerste : gij zult uw naaste niet vloeken. Het gaat ook wel verder. Gij zult uw naaste niet hooghartig en liefdeloos beoordelen, terwijl ge eigen zonde en gebrek uit het oog verliest. Maar dit kan nooit betekenen, dat een predikant of ouderling of gelovige, als zijn hart van liefde voor zijn naaste ontstoken is, niet mag waarschuwen voor een geloof zonder diepte of zonder in waarheid geworteld te zijn in Christus.
Dus eerst dit: de Leerregels juichen het oordelen toe, maar dan in liefde. De dominee, de ouderling, de gelovige moet van zijn naaste het beste oordelen en spreken, wat op grond van zijn belijdenis en wandel mogelijk is. Dit zal in de eerste plaats betekenen, dat de oordelende verstand van zaken heeft. Hij moet niet persoonlijke opvattingen als maatstaf gebruiken. Hij moet niet iemand veroordelen, omdat een ander het m'et zijn meer persoonlijke opvattingen niet eens is. Aan de andere kant moet hij eerlijk zijn in liefde en liefelijk in zijn eerlijkheid. Op deze wijze moet hij oordelen over de belijdenis van zijn naaste. Dat geldt eerst van de predikanten en ouderlingen. Zij zijn herders. En de herder kent zijn schapen. De geestelijke herder moet dus het hart van zijn schapen kennen, hun inwendige gesteldheid, hoe ver zij in de genade opgewassen zijn en wat voor hen de beste weide is. Het is in een gemeente gewenst, dat de herders hierbij geholpen worden door andere geoefende godzaligen.
Waaruit moeten zij het hart leren kennen ? Uit de belijdenis, die deze mens uitspreekt. Is hiermee bedoeld, dat de herder er alleen maar op te letten heeft of iemand openbare belijdenis heeft afgelegd, zoals wij dat kennen? Ik vind dit nogal formeel en niet in overeenstemming met de ernst dezer dingen. Het is immers uit de H. Schrift bekend, dat iemand tot de belijdende lidmaten kan behoren en tegelijk een dwaze maagd (Matth. 25) of een dwaze bouwer (Matth. 7) zijn. Dus onder het beoordelen van de belijdenis moeten we verstaan het beoordelen van het geheel van het spreken over zonde en genade van dit schaap. Hier is ook een nauwlettend toezien nodig. Want het is ons ook bekend, dat niet allen die daar zeggen : Heere, Heere, zullen ingaan in het Koninkrijk Gods. (Matth. 7). Nu zal iedere herder of gelovige bijzonder liefdevol en bescheiden moeten zijn in deze dingen. God kent het hart, wij niet. Daarom spreekt artikel 15 van de belijdenis. Wij moeten afgaan op de uiterlijke blijken van ware genade, bekering en heiligmaking. De ouderling, die zelf een geoefende is in de verborgenheden des geloofs (zie bevestigingsformulier), of de predikant, zullen meer dan eens bemerken, dat hun schapen zichzelf niet kennen en zich tevreden stellen met een waangeloof, inplaats van het waar geloof. Zij zullen er echter ook tegen komen, die heel sterk zijn in het oordelen van anderen en die zelf, oogsziens, nog nooit één vinger uitgestoken hebben om genade voor zichzelf te ontvangen. Maar dit laatste is geen rede om niet meer voor alle schapen te zoeken, dat zij het ware geloof deelachtig zijn. Omgekeerd komt het volgende ook voor. Wanneer de herder zijn schaap er op wijst, wat hij in zijn belijdenis en wandel mist, dan kermt dat schaap al spoedig, dat deze herder de kleintjes zo kwalijk behandelt en zo liefdeloos oordeelt. De schapen nemen het ia de regel hun herders niet in dank a£ als deze er op wijzen, dat zij gebreken zien. Het oordelen valt dus, als het in liefde geschiedt, toe te juichen, maar is een ondankbaar werk. En nog weer eens moeten we front maken tegen een verkeerd oordelen als n.l. een ouderling of een predikant in hardheid spreekt, niet het goede, dat er mogelijk is, naar voren brengt, niet bemoedigt, maar botweg veroordeelt, omdat het niet naar zijn smaak is.
Het beste oordelen bestaat niet in een formeel constateren, dat iemand belijdend lidmaat is, ter kerk komt en het H. Avondmaal mede viert. Het beste oordelen bestaat ook niet in een achteloos veroordelen, zonder dat er om deze ziel geworsteld wordt.
Maar nu nog weer eens een andere zijde. Wat wordt de kerkgang en het werk van de herders veelal beschouwd als een vrijblijvende zaak. De autoriteit der prediking en van het herderlijk werk bevindt zich in een grote crisis. Dat hangt ook al samen met het ontbreken van de eenheid, die in de kerk van Christus niet uitwendig alleen, maar vooral inwendig zou moeten zijn. Als de Heere Jezus bidt, dat al de gegevenen des Vaders één mogen zijn, is de hoofdzaak hiervan niet, dat er slechts éne wereldkerk is. De hoofdzaak is, dat zij allen één zijn in belijdenis en wandel. Men kan gerust zeggen, dat veel eenheidsstreven van tegenwoordig meer onchristelijk dan christelijk is. Men tracht de ene ware belijdenis te verscheuren en de ene juiste wandel te verbreken, terwijl men een uitwendige kerk zoekt op te richten. De Leerregels hebben het alzo over de belijdenis en de wandel. Die belijdenis is uiterlijk. Maar dat wil niet zeggen, dat zij niet het onderzoek mag hebben of de uitgesproken woorden wijzen op een belijdenis, die uit het hart komt. Wat is nu het beste oordelen? Dat betekent, overal waar men geloof met min of meer klaarheid aantreft, waar men een belijdenis van schuld en een zelfkennis aangaande eigen verlorenheid opmerkt, en waar men een betrekking op de Heere Jezus Christus uitgesproken vindt, het beste oordeelt, als dit gepaard gaat met een toenemen in de godzaligheid van de handel en wandel.
Een hard veroordelen van onze naaste, die mogelijk ons gezelschap niet prefereert, is uit den boze. Maar een liefdevol oordelen en beoordelen en uitspreken kan de herder niet nalaten en dat mag ook de geoefende godzalige zijn naaste niet onthouden. De Heere Jezus heeft er vaak op gewezen, dat ook de belijders gevaar lopen verloren te gaan.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's