De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

13 minuten leestijd

Morgenstond en nacht - Vijf en zeventig jaar Leger des Heils in Nederland - Jeugdappèl in Eindhoven en Forumgesprek in Rotterdam.

Op 18 maart j.l. is eindelijk de wapenstilstand tussen Frankrijk en het Algerijns 'bevrijdingsfront, de F.L.N., een feit geworden. In de late namiddag van die dag zijn te Evian de overeenkomsten getekend. Het was alzo op een zondag. Ik weet niet of men in vroegere eeuwen bij dergelijke besprekingen op zondag rustte, in de huidige fase der wereldontwikkeling geschiedt zulks niet. De politiek, nationaal en intenationaal, rekent weinig of niet met de dag des Heeren, of soms in deze zin, dat zij de traditionele christelijke rustdag uitermate geschikt vindt voor verkiezingen of referendum. Op 8 april e.k. zal dan ook het Franse volk zijn fiat kunnen geven aan wat de Gaulle in deze „vrede" heeft bereikt. Is er veel bereikt ? Dat is thans nog moeilijk te zeggen. Een vorm van burgeroorlog teistert nog de steden, waar het Algerijnse leven het felst bruist. Daar wordt de bodem gedrenkt met het bloed van „landzaat en van vreemden". Eerst, wanneer de terreur van de O.A.S. is bedwongen, en het leven, het normale leven op gang kan komen, zal blijken of het vrede zal zijn en het nationalisme in zijn overwinning die voor een vreedzame coëxistentie met de andere volkeren in Afrika, maar bijzonder met Frankrijk, weet in te zetten. Het zal wellicht een lange en moeilijke weg zijn. We kunnen slechts hopen en bidden, — want onze God schept ook de vrede der volkeren — dat de vrede waarlijk „en route", op weg, mag zijn.

Zal het zo ook gaan in het geschil tussen Nederland en Indonesië ? Zullen de opgeschorte „voorlopige besprekingen", „ergens" in de V.S. gehouden, hervat worden of niet het gewenste gevolg hebben ? In de N.R.Crt. stond kort geleden een hoofdartikel, dat aldus aanving : „Lebaran is in Indonesië, aan het einde van de islamitische vastenmaand, een feest, waarbij men elkaar pleegt te begroeten met het uitspreken van vergeving voor elkaars fouten. Het lijkt wel dat iets van deze stemming was uitgedrukt in de, voor zijn doen zeer beheerste, rede, waarmee president Sukarno gisteren de kwestie-Nieuw Guinea heeft behandeld." De schrijver merkte naar aanleiding van die aanhef op, dat „zulke verzoeningsgezinde woorden aanleiding zijn tot een ruime reserve, waarbij wij de neiging voelen opkomen te vragen, welke anti-Nederlandse maatregel Sukarno misschien morgen weer beveelt". Nu, die „anti-Nederlandse maatregel" is wel afgekomen, zij het meer in daden dan in woorden. Men denke aan vernieuwde infiltratiepogingen en wat daar zoal omheen voorviel. Drie Nederlandse mariniers werden gewond, niemand sneuvelde. Waartoe dit ? Is Nederland nog niet soepel genoeg ? De bevelhebber van de Indonesische strijdkrachten, Janim, moet gezegd hebben, dat Indonesië in Nieuw-Guinea een bruggehoofd wenst. Dat duidt op bruut geweld. Wil de president van Indonesië persé die weg ? Is hij een eis van het leger en legerleiding ? De huidige ontwikkeling in de wereldpolitiek laat ons telkens horen van inmenging in staatszaken van de militaire macht. Onze regering zij wijsheid toegebeden in het nemen van de beslissingen, waartoe ze geroepen is. De Gaulle vraagt telkens de goedkeuring van het volk.

Zal de uitslag der Statenstembus voor onze regering steun voor haar beleid betekenen? Zij sterke zich vóór alles in Hem, door Wiens autoriteit zij 't bevind heeft te voeren. Heel de toestand van nu doet denken aan: „de morgenstond is gekomen, maar het is nog nacht" (Jes. 22 : 12). Hoelang nog ? Diep gezien : tot de Grote Morgenstond daagt!

De 8ste mei 1887 is de oprichtingsdatum van het Leger des Heils in Nederland. Dat geschiedde wel allereerst door bemoeiïng van William Baath, die „zijn in 1865 (in Engeland) opgezette beweging tot evangelieprediking onder paupers en gestranden" in 1878, officieel de naam The Salvation Army gegeven had", waarvan hij de eerste generaal is geweest.

Ik weet niet of kerkelijk Nederland op de oprichting van „het leger" die 8ste mei 1887, heeft gereageerd. Misschien heeft de beroering, welke de Doleantie bracht — ze was najaar 1886 immers een feit geworden en werkte in 1887 nog volop door — zozeer alle aandacht tot zich getrokken, dat de reacties in de kerkelijke pers niet noemenswaard waren. Het zou interessant zijn, „De Heraut" en andere organen er op na te slaan. Hoe dit zij, in buiten-kerkelijke kringen, althans in Amsterdam, heeft men er wèl nota van genomen. Het liederenboekje, samengesteld voor samenkomsten in Nederland en verschenen in een oplaag van duizend exemplaren, was in één dag uitverkocht. Voor de eerste samenkomst in de zaal „Immanuël", Gerard Doustraat, was een grote toeloop. Ze stond onder leiding van de oprichters : „C. F. Schoch, een gepensioneerd artillerie-officier, G. J. Govaars, een onderwijzer, en de Engelsman J. K. Tyler, door Booth aangewezen om de beweging in Nederland te organiseren". Maar de vergadering was zó rumoerig, dat de heer Schoch in overweging gaf de zaal door de politie te laten ontruimen. Tyler zeide : „Laat mevrouw Schoch eerst proberen een solo te zingen". „Mijn lieve moeder zong toen" — zo verhaalt haar dochter mevrouw Oliphant-Schoch:

„'t Was voor mij, dat Jezus stierf Aan het kruis op Golgotha!"

„Het lawaai verstomde onmiddellijk. Het werd een mooie samenkomst, aan het einde waarvan zes personen naar voren kwamen".

Een en ander, hiervóór weergegeven, ontleende ik aan een artikel in de N.R. Crt. d.d. 17 maart j.l. — „wekelijks bijvoegsel", het meer culturele blad zou men kunnen zeggen. Het is met kennis van zaken en waardering voor het werk geschreven door iemand, die in het gesprek met een Kapitein, die hij interviewde, zegt: „Voor u ligt dat allemaal heel anders dan voor ons : wij zijn nu eenmaal niet gelovig". De Kapitein had dit tijdens het gesprek wel aangevoeld, doch Met niet na daarop te antwoorden: „dat is heel jammer, maar u komt er tenminste eerlijk voor uit".

Het Leger des Heils ligt ons niet zo. Zijn theologische inslag is bepaald niet 'gereformeerd, al zal ieder heilsoldaat belijden, dat God het moet doen en Diens genade alleen zegen kan brengen, zoals de Kapitein, hierboven genoemd, dit met grote nadruk uitsprak. Ook de methode van werken, ik bedoel de samenkomsten en haar inrichting, ligt ons niet. Zijn organisatie is ons te straf. Bij overplaatsing b.v. moet, zonder gezinsbezwaren in rekening te brengen, onverwijld worden gehoorzaamd. Er zit iets militairs in. En toch wij hebben respect voor zijn arbeid, zijn hulpvaardigheid, zijn werken onder de a-sociale lagen der bevolking. Niemand zal de „kerstpotten", geplaatst op stationspleinen en dergelijke, voorbij gaan, zonder iets gegeven te hebben. En we herinneren ons nog hoe vlug het Heilsleger in januari bij de treinramp in Harmelen met zijn hulpbrigade ter plaatse was en zich mee inzette om te redden wat te redden viel.

Het „leger" heeft de 75 jaar van zijn bestaan een plaats onder ons volk gekregen en wordt ook onder ons meer gewaardeerd dan voorheen, vooral, als ik het goed zie, door zijn maatschappelijke inslag in zijn arbeid. Die was er wel, van meetaf eigenlijk inschuilend in zijn opzet. Men denke aan Booth's gezegde : „voor de paupers en gestranden". Doch die kwam vooral in de loop der driekwart eeuw onder ons meer naar voren. Ten koste der evangelieverkondiging ? De Kapitein, in het verslag, waarvan ik in het bovenstaande melding maakte, ontkende het. Naar zijn overtuiging was dit niet anders dan mogelijke, begrijpelijke en geldende belemmeringen uit de weg ruimen, om de baan voor het Evangelie vrij te maken. Ja, zó kan men het zien. De zending volgt deze methode ook veelszins. Is misschien daardoor ook de Zeister Broedergemeente meer in de belangstelling en de waardering der kerken hier te lande gekomen ? Denk, om maar iets te noemen, aan haar weergaloze opoffering voor de verpleging der melaatsen in Suriname. Doch in alles gedrongen door de liefde van Christus en om het Evangelie.

Dat zelfde wil ook het Leger des Heils. En al is het „leger", evenmin als de Broedergemeente, van gereformeerde origine, we mogen er gerust op toepassen : „Verderf ze niet, er is een zegen in". (Jes. 65 : 8)

Ik noemde Heilsleger en Hernhutterzending in een bepaald verband. Niet om ze met elkaar gelijk te stellen, al zijn er in beide, wat de gehoorzaamheid en opoffering betreft, punten van overeenkomst. De vergelijking kwam onwillekeurig, mede door de actie, die Johan Bodegraven thans voert onder 't motto : „Doe wat terug". Deze valt als eerste na de geslaagde „4 x Z.N. actie". De actie „doe wat terug" moge evenzeer slagen als de hieraan voorafgaande. En ze werke mede uit, oog te krijgen voor een element in de prediking van het leger, dat ik zou kunnen noemen : de persoonlijke gerichtheid; het „op de man af", het de mens stellen voor de keus. Dat is toch wel bijbels ! Het geweten moet geraakt. Ontbreekt dat wel eens niet teveel onder ons ? Dit behoort ook tot de „positieve prediking", waarover ds. Velema onlangs in „De Wekker" schreef. Hij meent, dat met name in onze tijd, die prediking broodnodig is. Naar ik meen terecht, want het „beschouwelijke" is een gevaar.

In Eindhoven is op 11 febr. j.l. een grote oecumenische jeugdsamenkomst belegd door Hervormden, Rooms Katholieken en Gereformeerden. Er waren ca. 1000 jongeren aanwezig en de pers heeft met 'de nodige vette koppen op dit gebeuren de aandacht gevestigd. De deken van de R.K. kerk heeft er gesproken en onder het beeld van een broer en zuster, die elkaar vele jaren niet hadden benaderd, dit samenzijn als een teken van elkaar terugvinden aangeduid. Hij zeide o.m.: „Eigenlijk moeten we eerst met elkander kunnen pingpongen, voor we over de Bijbel gaan spreken".

Een van de protestantse sprekers zei, dat „de verdeeldheid op dit ogenblik Gods grote probleem is !" En verder : „Als wij de pijn van de verdeeldheid voelen, moeten wij niet op de theologen wachten, maar zelf aan de gang gaan". Weer een ander zei: „dat opheffen van de verdeeldheid der kerken een noodzakelijke opgave is tot het bewoonbaar maken der wereld". Bij dergelijke onbekookte en niet verantwoorde uitspraken is het geen wonder, dat een buiten-kerkelijk spreker, die vereerd was in deze samenkomst het woord te mogen voeren, tot de conclusie meende te moeten komen, dat „de oecumene niet betekent een mobilisatie van de totale christenheid tegenover de rest van de wereld, maar een aanvaarden van de verantwoordelijkheid voor de hele wereld. Onkerkelijken en kerkelijken hebben elkander nodig" — blijkbaar op voet van gelijkheid — „en de wereld heeft ons allen nodig".

De secretaris van de Oecumenische Jeugdraad, ds. Van Andel, zei : „Eén ding is zeker : we gaan op weg, niet alleen met praten, maar om eens en vooral om de tafel te gaan zitten. Nu, direct! De leiders der kerken voorop en dan zal de Heilige Geest de rest wel doen".

Dit alles en nog veel meer las ik in „De Wekker" van 9 maart j.i, in de rubriek „Onder de Lens". Ds. Velema, die deze rubriek verzorgt, geeft er de nodige kritiek op. Ieder, die enigszins in de Schrift gefundeerd is, zal evenals ds. V., tegen dergelijke jeugdappèls zijn gegronde bezwaren hebben. Dit gaat alles ten koste van de waarheid der Schriften en beoogt de wereld leefbaar te maken met verwaarlozing van het essentiële van het Evangelie, dat wel tot eenheid en samenbinding oproept, doch een eenheid door het offer van de Heere Jezus en rondom Hem. Ik denk hierbij — we zijn nog in de lijdenstijd, de overpeinzing van de Pasisio Magna, het grote lijden — aan het woord uit Hebr. 13 : 13 en 14 : „Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats. Zijn smaadheid dragende; want wij hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de toekomende".

In wat in Eindhoven naar voren kwam — „Eindhoven is meer dan New-Delhi" schreef een verslag — zit voor mijn besef iets in voor wat — ik meen Henriëtte Roland Holst, de begaafde socialiste, eens uitsprak in deze woorden:

„Mijn volk wil eigen Heiland zijn En op deez' aarde zalig wezen".

Maar intussen, de ideeën, in Eindhoven verkondigd, grijpen de jeugd. Ook de onze, omdat het alles zo fascinerend en met een glimp van Christus' Evangelie wordt gepropageerd. Ds. V. schreef de woorden „oecumenische grijparmen" in zijn stuk. En terecht!

We betreuren met hem de grote kerkelijke verdeeldheid, en dat vooral onder de „gereformeerde gezindte". Ach, dat er enige tekening van samenbinding en een van elkaar zoeken onder haar was!

In dezen is er een gespletenheid, die smartelijk is. Dat bleek te Rotterdam, waar onlangs onder leiding van ds. Lammens een forumbijeenkomst heeft plaats gehad. „Jong Gereformeerd" (jeugdblad) d.d. 16 maart, overgenomen in „Trouw" d.d. 27 maart '62, vertelt ervan — waarbij vooraaanstaande figuren uit de Geref. kerken hun mening hebben gegeven betreffende al of niet aansluiten bij de Wereldraad. Prof. H. Ridderbos en dr. Rietveld waren pro; Prof. K. Dijk en Prof. H. van Riessen tegen. Volgens het verslag is het er nogal heet toegegaan. Het ging voornamelijk over de handhaving van de basisformule. Prof. Dijk zei dienaangaande, dat „hij zich zolang God hem het leven schenkt, zou verzetten tegen aansluiting bij de Wereldraad, indien deze „zich blijft distantiëren van de wijze, waarop zijn leden de basisformule opvatten".

Prof. Ridderbos merkte daarentegen op, dat in het feit van dit zich distantiëren van de Wereldraad, niet opgesloten ligt, dat „de Wereldraad zich ook niet verantwoordelijk zou weten voor wat die kerken binnen de Wereldraad gaan zeggen en doen". Want daar komen diezelfde kerken te staan voor de belijdenis van Jezus Christus als God en Zaligmaker." Prof. Van Riessen merkte op : „dat het niet valt te weerleggen, dat er zijn, die op de kansel het Evangelie loochenen en toch in de Wereldraad als volle leden meedoen", waartegen Prof. Ridderbos antwoordde, dat die leden daar dan „illegaal" zijn en dit hun zal gezegd worden.

Prof. Dijk zeide tenslotte het erg te vinden, „dat wij als belijders van de Waarheid zó uiteen liggen". Prof. Ridderbos zeide „het daar roerend mee eens te zijn", doch voegde er aan toe, dat „hij zoveel onpleizierige ervaringen met de gereformeerde gezindte heeft gehad, dat hij na alles wat hij daarin heeft meegemaakt, daarin niet veel vertrouwen meer heeft".

Ziedaar enige flitsen uit het forumgesprek. Had ik ongelijk, toen ik hiervóór stelde, dat de „gereformeerde gezindte" hopeloos uiteen ligt ? De bedding van de oecumenische beweging wordt steeds breder en haar kracht groter. Het is zaak voet bij stuk te houden en de genadekracht des Geestes af te smeken voor ons en onze jongeren, de geesten te onderkennen, om pal te staan voor de eenheid rondom Gods Waarheid.

Ik kan verstaan, hoe smartelijk het forumgesprek te Rotterdam voor Prof. Dijk was. Het kan smartelijk zijn, na een levenslange worsteling voor de zaak des Heeren, deze ontwikkeling der geesten te moeten constateren. Maar onze opdracht is: zolang de Heere ons op onze post plaatst of in dit leven laat, te staan voor Zijn eer en Zijn waarheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 april 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's