De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

10 minuten leestijd

In de Gereformeerde Kerkbode van Delft behandelt ds. Jonkers, Gereformeerd predikant aldaar, een ingezonden brief, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen een gebedssamenkomst, waaraan behalve door Gereformeerden ook door Roomsen zou worden deelgenomen. Het o.a. bezwaar haakte in op het beroep, dat Roomsen plegen te doen op de voorbede der heiligen waardoor, naar zondag 11 van de Catechismus, „zij met de daad de enige Heiland Jezus (als Zaligmaker) verloochenen".

Ds. Jonkers wijst op de Roomse motivering van de voorbede: de eenheid van de strijdende en de triomferende kerk. Hij zegt daarvan:

„Voor mijn gevoel een zaak die bij Rome, op schadelijke wijze, overtrokken wordt en tevens een zaak die bij ons, op andere wijze, tot onze schade, al te zeer wordt ondergewaardeerd. Citeerde ik hierboven uit hot begin van Hebr. 11, onmiskenbaar wijzen de eerste woorden uit het volgende hoofdstuk, waar gesproken wordt over „de wolk der getuigen" in de richting van een groter eenheid tussen : strijdende en triomferende kerk dan wij ons vaak bewust zijn".

„Het is terecht wanneer de ontwikkeling der Mariologie ons met zorg vervult Iets anders is het of we vandaag de dag met de krenkende kwalificaties van de catechismus, en met woorden als „Christusverloochening" de zaak kunnen afdoen."

„Deze woorden worden, begrijpelijkerwijs, gesproken in de 'hitte van de strijd. Maar ons is het om eerlijke opheldering te doen, dan zal, bij serieuze kennisneming van de leer der R.K. Kerk, blijken dat, al worden onze wettige bezwaren niet weggenomen, niettemin nergens getornd wordt aan de algenoegzaamheid van Christus' kruisoffer".

Hier Hebr. 11 bij te betrekken lijkt niet ter zake. Dit machtige hoofdstuk over het geloof van de prominenten uit het Oude Testament geeft deze figuren als voorbeelden voor ons; niet alsof zij óók enigszins „voor ons" zouden geloven en wij, nu hun geloven in aanschouwen is overgegaan, nog een beroep op hen zouden kunnen doen.

Het mag zo zijn, dat de Roomse kerk zich heden ten dage voorzichtiger en milder uit en — als het haar goeddunkt! — gedraagt dan tijdens de Reformatie. Spreekt hier niet meer een opportunistische voorzichtigheid jegens een opkomende a-religieuze derde macht? Het ziet er helaas niet naar uit, dat de R.K.kerk als kerk zichzelf niet meer geheel zou afsluiten voor een kritiek van de openbaring op de traditie. En zo lijken de kwalificaties van het dertigste Catechismus-antwoord ons nog wel degelijk actueel.

In het orgaan van de Chr. Geref. Kerken, De Wekker, wordt regelmatig goede aandacht besteed aan dat wat er leeft onder de kerkelijke jeugd van tegenwoordig.

Ook daar kent men, zoals wel vanzelf spreekt, z'n zorgen en problemen. In plaats van een oecumeniciteit in de waarheid Gods, zien we interkerkelijk veel meer een een-zijn in het doordraven en afglijden bij het opkomend geslacht. In De Wekker van 23 februari geeft ds. Velema een beschouwing in de rubriek Voor de Lens over wat hij noemt De Fakkeldragers-affaire. Dit fakkeldragerswerk is een arbeid voor de jeugd van de middelbare scholen, met het doel om hen geestelijk voor te bereiden op het studentenleven. Blijkens het artikel in De Wekker verzeilde dit werk echter ai spoedig in methodistische wateren en begon de Youth-for-Christ-methode opgeld te doen. De a.s. Synode-vergadering van de Chr. Geref. Kerken zal aan het gehele probleem van de arbeid voor de jeugd aandacht besteden, zo vermeldt ons ds. Velema.

In het nummer van 9 maart neemt dezelfde schrijver weer een bekende activiteit van en voor de jeugd in zijn zoeker. Onder de titel Jeugd en Oecumene schrijft hij over de jongeren-conferentie, gehouden door de Nederlandse Oecumenische Jeugdraad in Eindhoven op 10 en 11 februari. Het doel van deze conferentie was de ontmoeting tussen Rooms Katholiek en Protestant. Een roomse spreker beweerde daar, dat samenwerking gebaseerd moest zijn op vriendschap, en zo moest men naar elkaar toegroeien. Eigenlijk moest men eerst met elkaar kunnen pingpongen voor men over de Bijbel ging spreken. En dan gaat ds. Velema verder:

In dezelfde geest stonden de toespraken van de protestantse sprekers. Ben van hen zei dat de verdeeldheid op dit ogenblik Gods grote probleem is! Als we de pijn van de verdeeldheid voelen, moeten we niet wachten op onze theologen, maar zelf aan de gang gaan. Mee in de stroom, die eigenlijk niet meer te stuiten is. Een ander zei dat het opheffen van de gedeeldheid der kerken een noodzakelijke opgave is tot het bewoonbaar maken van de wereld. Zelfs was er een buitenkerkelijke spreker, die het vanzelfsprekend zeer waardeerde dat men hem had uitgenodigd. Hij begreep daaruit dat de oecumene niet betekent een mobilisatie van de totale christenheid tegenover de rest van de wereld, maar een aanvaarden van de verantwoordelijkheid voor de hele wereld. Onkerkelijken en kerkelijken hebben elkaar nodig — blijkbaar op voet van gelijkheid — en de wereld heeft ons allen nodig. Op deze wijze werd de jeugd in Eindhoven geleid. In dit bonte gezelschap werd op zaterdagavond een cabaret-voorstelling gegeven, waarin de kerk en haar ambtsdragers op de hak werden genomen op een wijze, die alle respect voor kerk en ambt doet verdwijnen. Als men dan nog bedenkt 'dat rooms-katholieken en buitenkerkelijken dit meemaakten, dan is het eenvoudig ontstellend dat men zich zo heeft laten gaan. Het was ergerlijk wat daar gebeurde. Op deze wijze verliest men in een dergelijk milieu alle eerbied voor Christus' kerk. Na het cabaret volgde het avondgebed, waarin een geref. predikant, directeur van de Ned. Geref. Jeugdraad, voorging.

In het artikel lezen we ook, wat de secretaris van de Oecum. Jeugdraad, ds. Van Andel er van vond; hij zei:

Een ding is heel zeker: we gaan op weg, niet alleen met praten, maar eens en vooral om om de tafel te gaan zitten. Nu direct! De leiders der Kerken voorop en dan zal de Heilige Geest de rest wel doen.

Dit alles aanhorende en vernemende, spreekt ds. Velema z'n grote bezorgdheid uit:

De Geref. Belijders komen meer dan tevoren in het isolement. We zullen het bijzonder moeilijk krijgen, allen, die de gereformeerde belijdenis onverzwakt willen handhaven. We hebben de wind zeer krachtig tegen. En we zullen heel wat moeten doen om onze jeugd in het rechte spoor te leiden.

Ook het orgaan voor het gereformeerde leven Waarheid en Eenheid signaleert nog al eens oecumenische verschijnselen in ons vaderland. In het nummer van 16 maart wordt ons verteld van het gebeuren in Roosendaal {N.Br.). Daar hebben roomsen, hervormden en gereformeerden samen kerstliederen gezongen in de r.k. H. Hartkerk. In het artikel dat hier over handelt, onder het opschrift Schijn-oecumene, lezen we o.a:

Een zeer merkwaardig gebeuren, als men het zich goed indenkt: een kerk, in het leven gehouden door deputaten voor evangelisatie in Noord- Brabant en Limburg, gaat met anderen voor het R.K. altaar zingen van Christus' geboorte. Men kiest daarvoor uitgerekend de plaats, waar men frontaal staat voor offertafels, waar Hij dagelijks opnieuw , "geofferd" wordt en waar Hij in vorm van „in Christus veranderde" ouwel wordt aangebeden.

De kwestie van de eenwording tussen hervormden en gereformeerden is in de gereformeerde kerken blijkbaar toch wel één van de problemen van de eerste orde. Dat bespeurt men al terstond als men in het Geref. Weekblad (Kok) regelmatig de rubriek Van Week tot Week bijhoudt. Zulk een rubriek is immers als een soort aanplakbord waar men op zien kan welke zaken op het kerkelijk erf vooral de aandacht tot zich trekken.

En in die rubriek komt de actie van de achttien of nauw daarmee verwante activiteiten reeds weken aaneen ter sprake.

In het nummer van 2 maart vertelt prof. Ridderbos ons, dat hij bij velen een zekere onrust en onzekerheid over de positie van de Gereformeerde Kerken bespeurd heeft; en dan vooral wat betreft haar verhouding tot de Herv. kerk. Men weet niet precies meer wat de koers is van de geref. kerken en men vreest dat men op drift zal geraken. Met een verwijzing naar de onafhankelijikheid van de Kongo en de invoering van de 5- daagse werkweek in Nederland, is men bang dat ook de eenwording met de herv. kerk ontijdig zal komen en dat men wel eens hervormd zou kunnen zijn, vóór men het weet en wil. In antwoord daarop vraagt prof. Ridderbos dan aan degenen die hem brieven daarover schreven wat meer nuchterheid. Hij is van oordeel dat, zoals de zaken er nu voorstaan, deze hereniging zowel principieel als praktisch niet alleen niet te bereiken, maar ook geenszins te begeren is. Prof. Ridderbos geeft dan vervolgens zijn visie op wat er in dit alles vandaag de dag aan de hand is en hoe de zaken momenteel staan:

En wat is er dan in het wezen der zaak in onze dagen aan de gang? Naar mijn inzicht dit, dat twee kerken, die jaren en jaren - met de rug naar elkaar geleefd hebben, thans bezig zijn zich heel langzaam weer naar elkaar toe te wenden en elkaar, meer dan vroeger, onder het gezichtspunt van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid te beschouwen. Dit betekent niet enkel een welwillend elkaar toeknikken, het betekent veel meer, dat we nu „last" van elkaar gaan krijgen; een last, die we vroeger niet (hadden, omdat we toen met gesloten deuren naast elkaar leefden en alleen zo nu en dan onder elkaar eens zeiden: hiernaast is blijkbaar ook weer wat aan de hand, hoor eens wat een lawaai! Of de Hervormden reeds zoveel „last" van de Gereformeerden gevoelen als omgekeerd, betwijfel ik. Ik zie ze wel vriendelijk knikken, maar bemerk nog niet, dat ze echt naar ons luisteren. Dat wij in ieder geval méér „last" hebben, is duidelijk. Het zal wel mee daaruit voortkomen, dat ons kerkelijk leven veel en veel gevoeliger is dan dat van de Hervormden. Het is het verschil tussen een vurig jong paard, dat bij de minste aanraking zenuwachtig is en steigert en gevaar loopt ongelukken te maken en het moeilijk meer uit zijn baan te brengen oude tuigpaard, dat aan lawaai gewend is en daardoor niet veel harder of langzamer gaat lopen. Dat is het verschil, ik zeg niet tussen de beide synodes of tussen de voerlieden op de bok, maar wel tussen de beide kerken zelf. Het is het verschil in leeftijd, met al de voor- en nadelen, die dit wederzijds oplevert.

Prof. Ridderbos deelt niet de vrees van verschillende brief schrijvers, die bang zijn, dat bij velen onder al deze bedrijven het „kerkelijk besef" schade lijden en verdwijnen zal. Als men oncritische eenheidsklanken slaakt of navolgt, dan is het kerkelijk besef al verdwenen. Maar aan de andere kant is het ook mogelijk, dat het kerkelijk besef juist weer versterkt zal worden, wanneer men als kerken elkaar weer op de rechte wijze ontmoet en' aangrijpt. Prof. Ridderbos eindigt dan:

Daarom hebben wij wel enige nuchterheid nodig in onze dagen. Enerzijds om ons niet aan illusies over te geven. En anderzijds om de strijd voor de eenheid en voor de waarheid der kerk niet als een reeds door ons opgelost probleem te beschouwen. Want in beide opzichten zouden wij ons buiten de werkelijkheid stellen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's