De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET GELOOF EN ZIJN VOORWERP

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET GELOOF EN ZIJN VOORWERP

8 minuten leestijd

II

Het andere gevaar waarover ik iets wilde zeggen in verband met het geloof en zijn voorwerp, is dat van het mysticisme. De fout is ook daar, dat men het geloof losmaakt van het rechte voorwerp, nl. God zoals Hij Zich openbaart in Zijn Woord.

Tegenover de dode orthodoxie met dat statische „geloof" en z'n verstandelijke eenzijdigheid legt men de nadruk op datgene, wat er in de mens moet omgaan, wil hij vrijmoedigheid hebben om zich een deelgenoot te achten van Christus en het heil door Hem bereid.

Men wijst er op, dat het niet alleen gaat om de verwerving, maar ook om de toepassing van het heil.

Maar wanneer daarin de plaats uit het oog verloren wordt, die Christus juist in die toepassing heeft toegekend aan het Woord, dan wordt aan het geloof de grond onder de voeten ontnomen. Christus is het, Die door Zijn Woord (het Woord van Christus, Coll. 3 : 16) en door Zijn Geest (de Geest van Christus 1 Petrus 1 : 11) verband legt tussen verwerving en toepassing.

Uit reactie tegen een intellectualistisch hanteren van het Woord of door de zucht naar sterke sentimenten en extatische gevoels-impulsen durft men het vaak niet meer aan het Woord te laten gelden als rechtstreekse openbaring en aanspraak van God.

Men krijgt dan een splitsing in:

a. een zekere mate van verstandelijke kennis van de heilswaarheden (historisch geloof); en

b. nog iets anders, dat in de mens gebeuren moet. (Zó worden het „kennen" en het „vertrouwen" uit vraag 21 van zondag VII vaak van elkander losgemaakt).

Het eerste, dat kennen, is er wel (dat wordt althans verondersteld); het tweede moet er bij komen om deel te hebben aan Christus en Zijn weldaden.

Het eerste wordt dan als kennis van de Schrift gezien als een zaak van het verstand. Daarnaast moet de bevinding allerlei gronden opleveren om de vrijmoedigheid des geloofs op te doen rusten.

De grondslag van het vertrouwen komt dan te liggen in bijzondere ervaringen van godsdienstige aard in het gevoelsleven; in opmerkelijke gebeurtenissen; in los invallende Bijbelteksten. De tekst wordt dan geloofd, niet omdat God Zich alzo in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar om de bijzondere manier en de omstandigheden, waaronder een bepaald woord voor ons bewustzijn kwam. Hierbij wil ik vanzelf niet tegenspreken, dat er bijzondere omstandigheden zijn, waarin dat bepaalde Woord Gods voor ons Zijn bijzondere kracht krijgt.

Maar één van de beide Ersikine's wijst er op, dat God de belofte tot de mens brengt of de mens tot de belofte. Hij acht het laatste „ruim zo zeker".

Ik mag hierbij herinneren aan vraag 22 uit zondag VII: Wat is een christen nodig te geloven? En dan zegt het antwoord: al wat ons in het Evangelie beloofd wordt, hetwelk ons de Artikelen van ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof in een hoofdsom leren.

Dus niet een enkel woord uit dat Evangelie. Maar dat Evangelie wordt hier gezien als een levend geheel. Wie mijn schouder aanraakt en daarop rust, raakt mij aan en rust op mij.

Merkwaardigerwijze worden we dan verwezen naar de apostolische geloofsbelijdenis der 12 artikelen, als hoofdsom van het Evangelie. Die 12 artikelen zijn dus niet een opsomming van allerlei feiten maar van beloften. Of liever, daarin wordt uitgesproken het geloof als geloof in de belovende God, Vader, Zoon en Heilige Geest. Die God openbaart Zich in het Evangelie als een belovend God, waarvan het geloof zegt: ik ken Hem zó, dat ik mij van harte aan Hem vertrouw. Ons oude Doopsformulier zegt ons daarbij, wat die God in de belofte des Evangelies ons openbaart en verklaart.

Bij de mysticistische stroming is het gevaar groot, dat het Woord nauwelijks een plaats inneemt als voorwerp des geloofs. Wel als magazijn, waaruit men bewijsmateriaal wil halen voor eigen opvattingen en dat daarom aan de betekenis van het Schriftwoord geweld wordt aangedaan. Men komt niet tot de inspannende arbeid van Schrift met Schrift te vergelijken en de eenheid van het Woord gaat 'teloor. Allerlei narigheden en rarigheden kunnen daaruit voortvloeien.

Maar ook al komt het niet tot willekeurigheden en dwaasheden, dan is er toch het gevaar, dat men, ook bij de openbaring van een oprecht geestelijk leven, de grondslag op een verkeerde plaats zoekt, dat men weigert God op Zijn Woord te geloven (wat men menigmaal de mens nog wel doen zal), tenzij men eerst in allerlei gemoedsaandoeningen het bewijs meent te mogen zien, dat men zich de dingen, waarvan de belofte spreekt, mag toeëigenen.

Waar de prediking zó is ingesteld, durft de prediker eigenlijk niet tot geloof op te wekken. Men ziet in het Woord niet de fontein van Gods genade ontsloten, maar wacht op een bijzonder ogenblik, waarin een beker uit die fontein tot onze verkwikking en lafenis tot ons gebracht wordt.

Soms gaat dit bedenkelijk veel lijken op een verheerlijking van het ongeloof ten opzichte van het Woord van God. Soms slaat men de weg in van steeds terugkerende zelfbeschouwing, 't Plantje des geloofs wordt niet toegelaten te wortelen in de rechte grond van Gods beloften, omdat men telkens bezig is het fijne wortelleven uit de verborgenheid te voorschijn te halen en de werkzaamheid des Heiligen Geestes te controleren tot beneden de drempel van het bewustzijn toe. Het is duidelijk, dat dit alles niet bevorderlijk is voor de wasdom des geloofs en daarom ook niet voor de vruchten des geloofs, die toch behoren tot de kenmerken van het levend geloof. Gevolg is ook een geringe activiteit, tenzij alleen ter verdediging (en dan soms fanatiek) van het eigen geliefkoosde standpunt. Men komt zelf in het middelpunt te staan met de sateriologische vraag naar eigen verlossing.

Men zou verzekerd willen zijn van eigen wedergeboren en uitverkoren zijn, desnoods buiten het geloof om.

Bovendien is het waar, wat Andrew Cray ergens zegt: menigeen is meer belust om te weten, dat men in Christus is, dan dat men begerig is om in Christus te zijn.

In dit gedachtenklimaat denkt men zich de werking van Gods Geest los van het Woord van God. Men komt, als het ware rechtstreeks tegenover God te staan, buiten het Woord om en ook min of meer buiten het bewustzijn om. (Wilh. a Brakel spreekt hier m.i. terecht van „de verstandige wil").

Bij sommigen wordt daarbij alles geconcentreerd op een bepaalde daad, die in een bepaald ogenblik in de ziel moet hebben plaats gehad, een ogenblik, waarin een beslissende zekerheid geschonken wordt, dat men gerechtvaardigd is. Allen, die van zulk een uitzonderlijk ogenblik niet weten te spreken, worden gewantrouwd. 'Men heeft er geen oog voor, dat de rechtvaardiging een uitspraak Gods is omtrent de zondaar, en deze uitspraak ligt opgesloten in de belofte des Evangelies.

Fout van het mysticisme is, dat het een scheiding teweegbrengt tussen het geloof en het voorwerp des geloofs, door eenzijdig te letten op de subjectieve ervaring des geloofs.

Nu is de bevinding zeker een noodzakelijke openbaring, een vrucht en een bevestiging des geloofs. We zouden ons over een kind, dat zich nooit bewoog en dat geen aandoeningen kende van pijn of welbehagen, van bedroefd-zijn of blijdschap, terecht ernstig ongerust maken.

Maar de zekerheid des geloofs (en zekerheid behoort tot het wezen van het geloof ook in zijn laagste trap, omdat het geloof altijd rust op iets dat zeker is en vast) kan alleen worden gevonden door het rusten van de zondaar in de volkomenheid van de Zaligmaker van zondaren, Die hem voor ogen wordt gesteld in de belofte des Evangelies.

Ook waar men niet eenzijdig de rechtvaardigmaking drijft, op de wijze, die ik straks heb voorgesteld, komt men tot een classificeren en rubriceren van allerlei soorten van overtuigden en begenadigden, bekommerden en verzekerden, zodat de aangesprokenen eerst moeten gaan realiseren in welke afdeling zij eigenlijk thuis horen, waardoor de spontaneïteit van het leven teloor gaat. Hier dreigt het gevaar, dat men z'n vertrouwen in de bediening des Woords als zodanig kwijtraakt en meer geestelijk voedsel zoekt in de bekeringsgeschiedenis, dan in de prediking van het heilig Evangelie.

De voornaamste functie van de menselijke ziel wordt terecht niet gezocht in het verstand, maar ten onrechte in het gevoel, met al de wisselingen en ongestadigheden er van. De grondslag wordt meer gezocht in de ervaring van de mens, dan in het levende en eeuwigblijvende Woord van God.

Dit alles is ook weer het resultaat van het losmaken van het geloof van zijn voorwerp.

Het intellectualisme loopt dood, omdat het het Woord losmaakt van God, in het bijzonder van de Heilige Geest, die dat Woord geïnspireerd heeft en Die dat Woord alleen een plaats bereidt in het hart van de zondaar.

Het mysticisme loopt ook dood, omdat het miskent, dat de Heilige Geest het Woord gegeven beeft, om het in de mens te verheerlijken.

Tegenover het intellectualisme, zeggen we: wie de levende God niet eert, eert ook Zijn Woord niet, al doet hij het schijnbaar.

Tegenover het mysticisme: wie het Woord Gods niet eert, eert ook God niet, al doet men dit schijnbaar.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET GELOOF EN ZIJN VOORWERP

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's