KRONIEK
Teken aan de wand — Geen beste beurt — Over de Morele herbewapening — Kruis en Opstanding in onze samenleving.
In „Hervormd Nederland" van 7 april j.l. geeft ds. Landsman een soort nabetrachting op de uitslag van de Statenverkiezing 28 maart l.l. gehouden. Beschouwingen over de Statenstembus zijn er. meerdere gegeven. Ik las en hoorde — het laatste via de Radio — er diverse. En opmerkelijk, geen der partijen, welke verliezen leden, wilde zulks eigenlijk royaal erkennen. Allen trachtten zo met de cijfers te dokteren, dat de betrokken partij er nogal redelijk was afgekomen, geen al te grote teruggang had te zien gegeven of vergeleken met een bepaalde stembusuitslag eigenlijk zelfs enige winst kon boeken. Het royaalst was een liberaal orgaan — de N.R.Crt. — met de verklaring, dat de V.V.D. een gevoelig verlies had geleden.
Bij alle gegoochel met cijfers, staat wel vast, dat de protestants-confessionele groeperingen, gezamenlijk genomen, een teruggang geven te zien. Dat is heel jammer. Het doet constateren, dat het beginsel, ~ Groen sprak van „eeuwige beginselen" — Ik zeg niet aan kracht inboet, maar aan invloed verliest. Daar zijn wij allen mee schuldig aan. Wij leven er te weinig uit, en ons ontbreekt het bezielend getuigen voor de zaak van Gods Koninkrijk op politiek erf. Ons belijden van die „eeuwige beginselen" heeft geen of maar weinig werfkracht. Dat is — en nu neem ik de titel van ds. Landsman's artikel over — een „teken aan de wand".
Op die teruggang van de protestants christelijke groeperingen heeft de schrijver van „teken aan de wand" helaas niet het oog. Zijn verontrusting gaat over de aanwas — de vooruitgang wordt op 100 % becijferd — van de P.S.P. Pacifistisch, Socialistische Partij. Eigenlijk vindt hij het dwaas, dat zij ook deelnam aan de verkiezing voor de Provinciale Staten. Wat zij beoogt — „de strijd te voeren tegen de bewapening en in het bijzonder de kernwapens" — daarvoor bieden de Prov. Staten nu niet bepaald de gewenste arena, wel de Staten Generaal. Dat is nu alles wel waar, doch het feit en zijn resultaat liggen er, en we hebben daarmede te rekenen. Ds. Landsman gist naar de reden. Die zal naar zijn oordeel wel liggen in de groeiende verontrusting over toename der kernbewapening en de perfectionering van de trefzekerheid dier wapenen. En dan verder ook in het feit, dat „de P.v.d.A. te veel in het kielzog der regeringspartijen vaart als ze de regeringspolitiek in de Verenigde Naties en Atlantische Verdragsorganisatie steunt".
Alles samengenomen zou men dus als oorzaak van de aanwas een groeiend pacifistische instelling bij ons volk kunnen constateren. Ds. Landsman meent, dat vele kiezers bij het uitbrengen van hun stem op bedoelde partij meer op de „P" dan op de „S" hebben gelet. Het artikel eindigt met de wens, dat — gezien de aanwas van de P.S.P. — „de andere partijen nog eens zorgvuldig nagaan of zij ten aanzien van het vraagstuk oorlog en vrede geen andere koers dienen te gaan varen, en.... dat ook de kerken op dit punt niet achterblijven en een eigen geluid laten horen!"
Men ziet uit het bovenstaande: geen tranen over de afnemende invloed van de beginselen van het Evangelie des Koninkrijks, doch beduchtheid over de groei van een — waarlijk geen ongevaarlijke — partij, ten koste van andere, die de raad krijgen — ik zeg het met mijn woorden — de winnende de wind uit de zeilen te halen. En de kerken krijgen de raad het hare er aan toe te doen. Een andere raad aan de „kerken", ware mij liever geweest.
In oktober 1961 schreef een gereformeerd predikant in de „Friese Kerkbode" een artikel, waarin hij o.m. de uitdagende uitspraak Het vallen, dat „de hervormden er te beroerd voor zijn om het offer van een jaar legerpredikantschap op te brengen". Die uitspraak — ze is waarlijk niet vriendelijk — Het ds. W. Dijckmeester, die 'bij stimulering van dit werk, en dan in de hervormde sector nauw betrokken is, niet onberoerd. Hij nam de toegeworpen handschoen op, en betoogde het tegendeel. Zulks in de stellige verwachting, dat wat hij schreef in „Hervormd Nederland" omstreeks einde vorig jaar, bij meerdere collega's, die nog in dubio stonden, wel het gevolg zou hebben, dat ze zich voor dit werk zouden geven. Helaas, tevergeefs. Er gaf zich, na en op zijn stimulerend en overredend artikel niemand op.
Dit trieste verhaal geeft ds. Dijckmeester in „Woord en Dienst" van 31 maart j.l. onder het opschrift: „Toch „te beroerd"? " Hij laat het in zijn stuk hierbij niet, doch constateert, dat eigenlijk allen, ook wie anti-militairistische overtuiging hebben, toch wel overtuigd zijn, dat in de krijgsmacht de-kerk geestelijke verzorging dient te geven. Maar tot de daad kwam het niet, en dat doet hem de vraag stellen, „of er in dat artikel in de Friese Kerkbode niet een forse 'kern van waarheid school".
Hij gaat nu peilen naar de oorzaken. „Burgerlijkheid der kerk"? Vóór de 2e wereldoorlog schreef ds. Touw over dat onderwerp. Het is nu al welhaast weer een vergeten boek. Doch ds. Dijckmeester herinnert het zich nog. Hij haalt, wat er staat van de Hollandse burger, aan. Ik neem het over: „klein was zijn wereld, eng, benauwd, bekrompen. Hij vreesde de levenswerkelijkheid, hij sloot zich op in zichzelf, om zich zo te kunnen opsluiten voor de werkelijkheid met haar tragische diepten, duistere afgronden en wijde uitzichten". Dit zonder meer toe te passen op de domineeswereld van vandaag, Lijkt hem te sterk. Toch ontdekt hij wel trekken van die typering in de predikantenwereld. Hij schrijft n.l.: „Hoe klein is vaak niet de wereld van menige predikant, ook al heeft hij een auto en een abonnement op „Time" en al reist hij élk jaar naar het buitenland. Wat een geestelijke en soms lijfelijke honkvastheid is er in menige pastorie te vinden, alle activisme ten spijt. En daarom: wat een „vrees voor de levenswerkelijkheid". Zie ik het te somber als ik bij veel jongere predikanten weinig durf, weinig pioniersgeest signaleer? "
Ook dit signalement is kras. Te kras? Ds. Dijckmeester heeft begrip voor bezwaren van meerderen, dat onze krijgsmacht in Navo-verband moet werken en de vrees dat zulks belemmerend kan werken voor de functionering van de geestelijke verzorging. Maar de vraag is, of men daarom mag weigeren zich te geven. Hij spoort aan het offer te brengen, opdat men dan zelf de proef kan nemen of men werkelijk in de uitoefening van een gewetensvolle pastorale zorg in de krijgsmacht wordt belemmerd of geknot. Hij spoort hiertoe aan, niet direct om de eer van onze kerk, doch omdat Christus Zich ook uit de krijgsmacht een gemeente wil verzamelen.
Tot zover over het artikel van ds. Dijckmeester. Het is wel zeer te betreuren, dat onze kerk inzake de geestelijke zorg in de krijgsmacht, blijkens wat boven geciteerd werd, zulk een slechte beurt maakt. Er is wel wat op het hier vermelde af te dingen. Ik weet uit goede bron, dat een jong collega zich had opgegeven, op zijn oproep wachtte, maar bericht ontving, dat hij niet verwacht werd, omdat reeds een ander in zijn plaats was in dienst gesteld. Een fout in de administratie? Het kan, doch dat moest niet voorkomen in zulk een zaak. Natuurlijk gaf die collega zich later niet meer. Ook weet ik van gevallen, waarin de lust en de bereidheid er voluit was; doch gemeentelijke situaties lieten een jaar absentie niet toe. Dergelijke omstandigheden laat ook ds. Dijckmeester volop gelden. Maar dit zijn uitzonderingen. Het gros laat verstek gaan. En dat is heel erg. De huidige situatie spitst dat nog toe. Meerderen onzer mariniers moeten nu naar Nieuw-Guinea, waar de spanningen groeien. Moeten wie als versterking daarheen gedirigeerd worden, en langer diensttijd er nog bij moeten nemen, niet in al hun moeilijkheden over zichzelf en over thuis, verstoken zijn van pastorale zorg? Men kan zeggen, dat voor hen wel zal gezorgd worden, dat ze niet zonder geestelijke verzorgers zullen worden uitgezonden. Dat zal wel. Maar wie stelt zich dan hier beschikbaar voor eventuele ledige posten? Het is wel heel gemakkelijk om het werk aan andere kerken over te laten en zelf thuis te blijven.
Er is nog iets, waarop ik in dit verband wil wijzen. Wij weten nog van de deining rondom het „mutatie-rapport". Ik spreek daar nu niet verder over. De zaak is nog niet afgehandeld. Mutatie was nodig, zo suggereerde men, omdat vele predikanten te weinig te doen hadden, een andere omgeving gewenst was, en financieel in nood waren, en zo maar meer. Indien deze dingen waar zijn — en ik heb geen reden ze te betwijfelen — dan kan ik me niet indenken, dat meerdere jongeren onder hen de gelegenheid niet met beide handen aangrijpen zich voor : dit werk om Christus' wille te geven. Zou het niet voor hen en voor degenen, aan wie zij zich geven tot rijke zegen kunnen zijn? Neen, ze zullen niet allen van de gewenste leeftijd zijn, doch er zullen er zeker meerderen zijn voor wie de leeftijd geen verhindering is.
Ik zou nog meer over dit onderwerp kunnen schrijven. Doch ik volsta met de verzekering, dat pastorale zorg onder de krijgsmacht, zij moge haar moeilijkheden meebrengen, bitter nodig is en rijk gezegend kan worden. Wij hebben een Koning, Die ook in dit werk ons niet zal begeven, noch verlaten. Ik hoop zeer, dat vele onzer jongere predikanten — en er zijn er niet weinige onder ons — in- dien gevraagd, het offer zullen opbrengen van ruim een jaar en zo mee zullen werken, dat de Hervormde Kerk niet blijvend een slechte beurt maakt.
De „Morele Herbewapening" is een beweging, welke niet geruisloos haar weg gaat. Dat deed ze al niet, toen ze zich als „Oxford"- of „Buchmann-beweging" in de dertiger jaren hier aandiende. Na de oorlog kwam ze naar voren in groeiend getal, vooral in „hogere kringen" en wilde op haar wijze het communisme bestrijden. Men kent de grote advertenties in de dagbladen waarin het communisme als „vijand no. 1" werd gesignaleerd. Nu is het merkwaardig, dat onlangs in de dagbladen een advertentie verscheen, waarin drie figuren naast elkaar waren afgebeeld, waarin, zo niet op het eerste gezicht, ma; ar toch bij nader beschouwen, de trekken van Chroesjtsjow, John Bul en Kennedy te ontdekken waren. Symbool van vreedzame coëxistentie en coöperatie? Ja, dat scheen de bedoeling. Parool is nu, dat het materialisme de voornaamste vijand is, en die zelfs met behulp van het communisme moet bestreden worden. Dat is wel een merkwaardige verandering, waarvoor de schrijvers van „Dezer dagen" (N.R.Crt., d.d. 14-3-'62) de aandacht vroeg. Hij concludeert dan, dat de Morele Herbewapening blijkbaar haar angstpsychose voor het communisme kwijt is. Een ommekeer, die hij in verband brengt met het feit, dat Frank Buchmann, de oorspronkelijke leider, gestorven is. Hij gaat nog verder en zegt, dat, ofschoon de Morele Herbewapening in haar laatste advertentie zegt, dat „het Kruis van Christus de wereld zal herscheppen", zij anderzijds zegt een plan te hebben zowel voor de communist als de niet-communist, de naam-christen en de oprechte niet-christen". Zijn conclusie luidt: „Bekering tot het christendom is dan blijkbaar niet nodig". Hij zegt verder, dat zij (de M. H.) in haar contacten met Aziaten en Afrikanen niet de nadruk legt op het Kruis van Christus. Tactiek? Zo ziet de schrijver het. Hij spreekt van een „syncretisme" een vermenging met andere elementen en betoogt, dat het deze beweging niet zozeer gaat om wat men gelooft, als wel om het feit, dat men gelooft. Hij ziet hierin een doorwerking van haar Amerikaanse herkomst, en poneert, dat het daar eveneens veelal gaat om - die zelfde instelling, wat hij tenslotte formuleert als: „geloof in geloof". Ter illustratie haalt hij 'n uitspraak van Eisenhower aan: „Ons staatsbestel heeft geen zin, tenzij het gegrond is op een diep gevoeld religieus geloof, en het kan me niet schelen wat geloof dat is." Waar op deze weg het niet gaat om wat men gelooft, „maar 't geloof gedegradeerd wordt „tot een middel ter bereiking van een zekere zielerust (die nauwelijks te onderscheiden is van onverschilligheid)" prefereert de schrijver de verdeeldheid."
Ik kan niet beoordelen of de schrijver in alle opzichten de Morele Herbewapening recht doet. Ook niet, of, indien het bovenomschrevene inderdaad de tendens is van de beweging, al haar leden die kant op gaan. Maar dat er verschuivingen, beter veranderingen, gaande zijn, is blijkens de gepubliceerde advertentie wel zeker. Dat is bedenkelijk en doet zien, dat de gereserveerdheid onder ons ten opzichte van de Morele Herbewapening haar recht heeft. Als ik alles wat ik overnam overzie en met de nodige reserve aanvaard, lijkt het me wel niet te betwisten, dat er een syncretisme in die beweging werkt, die niet heenvoert naar de gekruiste en opgestane Christus.
Dat is bedenkelijk en spelt voor de doorwerking van het Koninkrijk Gods geen goeds.
Er werken in de samenleving van nu heel wat verschuivingen en veranderingen door, die bedenkelijk, ja beangstigend in velerlei opzicht zijn. Juist omdat ze met dynamisch geweld inwoelen tegen het Kruis van de Christus Gods, en de invloed van het Evangelie in ons land, in ons volk, in onze gezinnen pogen te neutraliseren. In de dynamiek onzer dagen werkt fel de macht uit de afgrond, Satan doet een stormaanval op het Kruis en de gemeente onder het Kruis! En in die stormloop tracht hij velen mee te voeren achter zich. In „Hervormd Nederland" waaruit ik in het voorafgaande citeerde, gaf C. Rijnsdorp een proeve van wat op litterair terrein vandaag aan de dag soms verschijnt. Het was in één woord walgelijk. Hij had er de nodige kritiek op. Maar de waag kan rijzen of het goed was het in het „gezinsblad" te plaatsen. Zeker, we moeten de geesten onderkennen en beproeven. Zo was het bedoeld. En als zodanig kan ik het verstaan, dat het gegeven werd. Maar als onze jongeren het lezen, zal het niet wensen opwekken? Een open gesprek, als een dergelijk artikel de aandacht trekt tussen ouders en kinderen is zeer gewenst en dan rondom de open Bijbel. Maar in hoevele gezinnen, kerkse gezinnen, wordt de Bijbel nog opengeslagen en gelezen? Het staat met de huiselijke godsdienstoefening onder ons helaas menigmaal niet goed. Zo wordt het Kruis van Christus in ons gezin niet geplant. Is het niet steeds weer nodig dat te doen? Want ook nu geldt: In hoc signo vinces, in dat teken ligt de overwinning.
Zal de lijdenstijd en de overdenking daarin de vrucht ons afwerpen, dat wij diep afhankelijk dat Kruis van onze Heiland planten, in ons huis en in ons leven, ons daaronder scharen om kracht te putten in Geestesgenade uit het offer van de Heere Jezus?
Het kruis verschijnt telkens ook in het Evangelie in het Licht der Opstanding. Vlak vóór Goede Vrijdag zal wat ik schreef onze lezers onder ogen komen. Die Goede Vrijdag leunt dicht aan tegen Pasen, de dag, die onderstreept dat Christus is de Opstanding en het Leven. Voor onze zinkende samenleving, onze ingezonken kerk, ons eigen leven in zijn hoogten en diepten, ligt daarin de enige uitkomst. Dit zij ons tot troost, sterkte en moed, om uit alle schuld en nood en zorg op te staan tot de schone dienst van onze Koning.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's