HET GELOOF EN ZIJN VOORWERP
III
Tegenover de beide gesignaleerde ontaardingen wil ik nu nog iets zeggen over de rechte betrekking tussen het geloof en zijn voorwerp, n.l. God, sprekende in en door Zijn Woord. Uit dat Woord wordt het geloof geboren (Jacobus 1 : 18, 1 Petrus 1 : 23, Rom. 10 : 17, Lucas 8 : 11). Uit dat Woord wordt het ook gevoed. Het is het zaad, maar ook de redelijke, onvervalste melk (1 Petr. 2 : 2). Op dat Woord steunt het geloof, daaruit ontvangt het zijn zekerheid en daaruit leeft het.
Het geloof duidt aan de betrekking tussen God en ons, maar dan door middel van Zijn Woord.
De mens wordt niet gesteld tegenover feiten en waarheden in de Schrift, maar tegenover God, Die daarin handelt en spreekt.
Maar de mens wordt ook niet gesteld tegenover God buiten de Schrift om.
Andrew Gray, de Schotse jonggestorven prediker, noemt het geloof ergens de „moedergenade", juist vanwege de plaats die God er aan geeft in de toepassing van het verlossingswerk door de Heilige Geest.
God de Heere brengt op allerlei manier een betrekking teweeg tussen een object en een subject.
Hij schept het licht, maar ook het oog om de trillingen van dat licht op te vangen en in dat licht alle dingen te zien.
Hij geeft de wereld der klanken en de begaafdheid om deze naar haar aard te verstaan.
Hij geeft de wetten waaraan bet geschapene moet gehoorzamen en Hij geeft het daarmede corresponderende vermogen om deze na te speuren. Altijd gaat het om relaties.
In het paradijs ging God reeds met de mens om als een belonend God. En de ziel van de naar Gods beeld geschapen mens strekte zich in de staat der rechtheid uit naar die openbaring Gods, overtuigd, dat de weg der gehoorzame liefde de weg was, waarin God zijn leven zou zijn en blijven.
De aanval van de vader der leugenen richt zich dan ook op God in Zijn Woord: is het ook dat God gezegd heeft. De verzoeking richt zich tegen God. Maar dan ook in de waarachtigheid van hetgeen God in Zijn Woord gesproken heeft. Toen de mens zich ook maar even op die weg liet leiden, betekende dit de verbreking van de gemeenschap met God en daarmede de dood (als oordeel en als ontbinding).
Nu gaat het herstel van de gemeenschap met God alleen van God uit. Het is louter genade en gaat terug op Zijn eeuwig welbehagen. In de uitvoering van dat welbehagen staat Christus in het middelpunt. Die die heilswil des Vaders volbrengt, het oordeel op Zich neemt en wegdraagt, de gerechtigheid en het leven verwerft en Die van het begin der wereld tot aan het einde, maar vooral sedert Pinksteren, Zich door Zijn Geest en Woord, een gemeente tot het eeuwige leven uitverkoren, in enigheid des waren geloofs, vergadert, beschermt en onderhoudt. Hij gaat in deze wereld in om de doden levend te maken en de dingen, die niet zijn te roepen alsof zij waren.
De vrucht daarvan is een vernieuwde en vernieuwende levensbetrekking tot God.
In zekere zin is God de Heere van die betrekking het subject (het „onderwerp") omdat Hij er Zelf de Schepper van is. Zoals ook het genade verbond van oorsprong monopleurisch d.i. éénzijdig is, omdat het geheel van God uitgaat, zodat ook de tweede partij in dit verbond er niet is zonder Gods genadig handelen. Toch is het inzake het geloof niet verkieslijk om ons taalgebruik te veranderen. Want het is wel God, Die roept, wederbaart en met het geloof begiftigt. Maar de door God bedoelde en geschonken vrucht is, dat de mens geloof oefent op God.
Daarbij is het geloof geen toevallig of gedeeltelijk hulpmiddel, zonder hetwelk een nieuw leven tóch wel zou kunnen bestaan al was het dan ook wat gebrekkig. Die gedachte kan soms worden gewekt, wanneer we van het geloof spreken als een hand, die aanneemt wat God geeft. Die vergelijking is inderdaad bruikbaar, als we maar bedenken, dat elke vergelijking mank gaat.
Geloven in Christus = zijn in Christus, juridisch en ethisch (Rom. 8 : 1). Het is bevonden worden in Christus, Hem ingelijfd zijn (zondag VII, vr. 20).
Het geloof staat dan ook met al wat de zondaar uit Christus ontvangt in verband.
De wijsheid die we behoeven, ontvangen we alleen door het geloof in God en de waarachtigheid van Zijn belofte (Jac. 1). Gerechtvaardigd worden we alleen door het geloof. En de heiligmaking is ook al niet anders dan de vrucht van de inplanting in Christus door het geloof (zondag XXIV, vr. 64). Het leven van de Heilige Geest is dan ook niet te vergelijken met het lopen van water door een goot, maar met de wijze waarop het fijne wortelgestel van een plant levenskracht uit de voedingsbodem zuigt.
Het geloof is dan ook eerst receptief (ontvangend) en daarna pas productief (voortbrengend).
Daar waar God werkt in Christus door Zijn Geest en Woord wordt dat Woord ook gehoord. Daar krijgt de zondaar met God te doen en met Zijn verhouding tot God. Die verhouding komt aan het licht als een wanverhouding, doordat God Zijn Wet dienstbaar maakt aan het werk Zijner genade (Exodus 20). Door diezelfde genade wekt Hij de trek naar de rechte verhouding tot God (juridisch en ethisch). Daarom is er geen oprecht geloof, dat niet gepaard gaat met bekering tot God en worden geloof en bekering telkens in één adem genoemd.
„Zodra de minste druppel des geloofs in onze harten wordt ingedruppeld, beginnen wij reeds het vriendelijke en lieflijke en goedgunstige gelaat Gods te aanschouwen, weliswaar uit de verte en op een afstand, maar toch met zo vasten blik, dat wij het ons allerminst verbeelden" (Calvijn).
Wij gaan hierbij niet spreken over de gratia praeparaus (de voorbereidende genade, die vaak wettisch en soms voorbijgaand is), maar van dat werk van Gods genade, waarbij Hij het hart opent als van Lydia, om acht te geven op hetgeen van Zijnentwege gesproken wordt.
Het door Gods Geest en Woord gewerkte geloof bevindt het alles waarachtig wat God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard: schuld en smet, zonde en genade, bedreiging en vertroosting, gerechtigheid en goedertierenheid.
Dat geloof kan dus niet zonder bevinding.
Want ook al zijn wij als kinderen des verbonds groot geworden en voor uitbrekende zonden bewaard, elk hart heeft tenslotte dezelfde slechte uitgangen des levens.
Daarom kan het niet anders of het geloof als 'n hernieuwde en vernieuwende betrekking tussen God en de zondaar, laat zijn onmiskenbare sporen in ons innerlijke en in ons uitwendige leven na. Daarbij is zelfonderzoek noodzakelijk (2 Cor. 13 : 5). Maar toch nooit zó, dat dat zelfonderzoek een rem wordt voor het geloof, zodat wij eerst in ons geloof zouden moeten geloven alvorens in God te geloven.
Tegenover het mysticisme, dat tekortdoet aan de volheid en gulheid van het evangelie, houden we staande, dat het niet de vraag is: mag ik geloven? Wij worden in de Schrift geroepen tot het geloof in God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Ja, God de Heere neemt het ons zeer kwalijk, indien wij niet in Hem geloven, omdat wij dan in welke vorm ook, andere goden voor Zijn aangezicht zullen hebben en bovendien de ernst en de oprechtheid van Zijn liefde miskennen.
Tegenover het intellectualisme handhaven we de noodzaak om de vraag onder de ogen te zien: geloof ik waarlijk? Is mijn geloof dat geloof, dat werkelijk Christus en Zijn weldaden tot zijn deel heeft.
Tegenover datzelfde intellectualisme zijn piëtisme en methodisme, gezelschappen en revivals misschien veel geneesmiddelen, maar daarom nog niet hét aangewezen geneesmiddel.
Tegenover alle eenzijdigheden moeten we terug naar de eenvoudige, brede en diepe theologische, bijbelse fundering van de Reformatie. De kracht daarvan ontmoeten in onze belijdenisgeschriften, maar ook in onze liturgische formulieren. We moeten de vraag onder de ogen zien of ook onze Herv. Geref. gemeenten niet voor een groot deel ontgroeid zijn aan deze krachtige en evenwichtige openbaring van het geloofsleven.
(Slot volgt.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's