De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

8 minuten leestijd

In het Gereformeerd Weekblad (Kok) van 13 april troffen we een Ingezonden Stuk aan van een lezer die z'n ongerustheid en z'n onbehagen daarin uitspreekt tegen de actie van de „achttien". Hij ziet er erg tegenop dat de hereniging tussen hervormden en gereformeerden nog eens werkelijkheid gaat worden. De moeilijkheden die deze schrijver voorziet, liggen deze keer niet zozeer in het feit dat hij in di'C hervormde kerk ook zal opbotsen tegen midden-orthodoxen en zelfs vrijzinnigen, maar hij zal in die kerk ook te maken krijgen met de-modaliteit van de Geref. Bond.

De inzender heeft een artikel gelezen van ds. A. Vroegindeweij over kerkdiensten van herv. geref. minderheden en de moeilijkheden waar deze groepen mee zitten in verschillende gemeenten. Nadat hij enkele citaten uit het artikel van ds. Vroegindeweij gegeven heeft, komt hij tot de verzuchting aan het adres van de „achttien": Waar beginnen we aan ? Moeten we onze handen in dit wespennest gaan steken? En dan vervolgt hij:

Bij een hereniging is het gedaan met onze vaste gang naar eigen parochie of wijkkerk. Dan zullen wij moeten gaan zoeken waar wij kunnen kerken. Immers kerken wij bij de herv. geref. bonders, niet die van de „zelfkant", dan (afgezien nog van de prediking die ons niet „ligt") moeten wij onze oude vertaling weer gaan opzoeken, dan is het gedaan met ons ritmisch zingen, want dat is oneerbiedig, de n'O'ten vier tellen aanhouden is veel stichtelijker, dan kunnen we onze gezangen opbergen, kortom, alles wat wij de laatste jaren hebben ingevoerd, naar onze mening tot meerdere glorie van de Koning der Kerk in onze erediensten, is dan contrabande.

Ik ben oprecht van mening dat wij over de kerkmuren heen zoveel mogelijk op alle terreinen des levens moeten samenwerken met allen die de Christus der Schriften aanvaarden, maar die allen onder één kerkelijk dak te brengen, neen, ik geloof dat we daar nog lang niet aan toe zijn. Het lijkt mij thans, de „achttien" ten spijt, verraad aan het werk der vaderen, als ik die term ook eens (gebruiken mag; Nog eens: waar beginnen we aan?

Natuurlijk matigen we ons de autoriteit niet aan om deze inzender te verbieden ook eens een term te gebruiken; we beluisteren daar trouwens meer in een verontschuldiging, dat hij zo maar een uitdrukking gebruikt die zeker al wel 25 jaar oud is. Maar wel vragen we ons geïnteresseerd af welke vaderen de schrijver toch wel op het oog heeft, als hij gewaagt van het verraad aan hun werk. Dat moeten toch nog wel erg jonge baardeloze vadertjes zijn. Het blijft namelijk dat het bij de inzender helemaal niet opkomt om zichzelf eens de vraag voor te leggen of alles wat zij de laatste jaren ingevoerd hebben, nu ook werkelijk alleen maar is tot meerdere glorie van de Koning der Kerk, en niet ook ergens eens een klein beetje verraad aan het werk der vaderen. En dan hebben we daarbij waarlijk niet op het oog de nog al stekelige opmerking dat bij de „bonders" de noten vier tellen aangehouden moeten worden, omdat dit veel stichtelijker is. Maar we bedoelen dan veel meer dat wat ds. Kievit voor de geest stond toen hij in het decembernummer van Tlheologia Reformata schreef dat verschillende, gereformeerden met hun afkeer van de gereformeerde prediking in de Hervormde kerk, spuwen in het water, waarvan ze eertijds gedronken hebben. En dat is waarlijk, — zoals hij daarbij opmerkt —, geen hartverheffende bezigheid.

Het is trouwens een opmerkelijk verschijnsel bij de veel- en gemakkelijk schrijvende gereformeerden, dat we over het algemeen niet zo zwaar beuren aan de bange vraag of er bij hen ook misschien tekenen zich vertonen van een zekere afzakking en verval.

Men worstelt ook daar vanzelfsprekend met vele en grote problemen, maar de moeilijkheid zit hem veelal hierin, hoe men de wat logge massa mee kan krijgen op de weg van allerlei vooruitgang en winst.

Om die reden treft het ons temeer als we ook eens wat andere geluiden uit die hoek mogen beluisteren. Dat was dan het geval toen we het artikel Voor de Lens lazen in de Wekker van 13 april. Ds. Velema behandelt daarin een tweetal geschriften die beiden het kerkelijk leven in het algemeen en de geref. kerken in het bijzonder onder de loep nemen. Er is allereerst een boek van Rudolf van Reest „Opdat zij allen één zijn". In dit boek beschrijft de schrijver het verval in de Geref. Kerken. Rudolf van Reest gaat uitvoerig in op een brochure van Seerp Anema uit 1927, die daarin spreekt van een Davidisch en Salomonisch tijdperk. Ds. Velema schrijft dan:

Anema zag de Davidische lijn almaar vervlakken en vervagen en de Salomonische al sterker worden. Uiterlijk ging het alles zo goed in de dertiger jaren. Het „Salomonische tijdperk" openbaarde een grote heerlijkheid. Men was gearriveerd. De jongelui van Calvinistische huize, die gestudeerd hadden, bezaten hun baantjes: leraren, doktoren, (burgemeesters, ambtenaren, noem maar op (pag. 91). Het ging van feest tot feest, van jubileum tot jubileum. Maar intussen was er nationaal een geestelijk verval. Breed wordt dit verval in dit hoek getekend. De schrijver tracht tot de wortel door te dringen: er was verlating van het Woord; een theologisch systeem ging het kerkelijk leven beheersen en deed de prediking vermageren en 't geloofsleven verschralen. De clou van dit boek is dan: prof. Schilder is de reformator geworden. Hij heeft tegen dit verval gestreden, de kracht van het theologisch systeem gebroken en weer de zuivere bediening van Gods Woord gebracht. Het zou te veel tijd en ruimte vragen om dit alles uiteen te zetten en een eigen mening over dit alles te geven. Zeker is dat Schilder's optreden van betekenis.is geweest voor de Geref. Kerken. Of het alles reformatorisch goud was wat hier blonk betwijfelen we wel.

Het tweede geschrift waar ds. Velema iets over schrijft, is een brochure van J. La Roij getiteld „De Nicolaieten". Deze titel is ontleend aan Openb. 2 : 6 en volgens deze schrijver is de mentaliteit in de geref. kerken gelijk aan deze Nicolaieten: men behoeft zich niet te onthouden van de heidense feestmaaltijden als men maar niet in hun afgoden gelooft. Zo weet men alles te beredeneren, zoals de welwillende houding tegenover schouwburgbezoek, dansen en kaartspel; de reclame in de chr. pers voor cabaret en dans, de radio- en televisieprogramma's; de richting waarin evanigelisatie en jeugdwerk zich bewegen:

Hoewel La Boy en Van Reest beiden op hetzelfde aambeeld hameren is er nog al wat verschil in waardering van Schilder. Het boek van de laatste is een lofzang op Schilder maar in de brochure van de eerste lezen we dat Schilder nog een stapje verder is gegaan dan Kuyper op het pad van het cultuuroptimisme. Daardoor zijn hun volgelingen, in plaats van in zichzelf gekeerde worstelaars op het smalle pad naar de hemel, uitbundig enthousiaste adorateurs (aanbidders) van de vooruitgang geworden.

Ook in het blad Waarheid en Eenheid beluisteren we wel deze geluiden. Uit de Persschouw van het nummer van 13 april nemen we een citaat over uit het daar opgenomen uitvoerig overzicht van de uitslag van de verkiezingen voor de prov. staten in de „Nieuwe Drentse". Er wordt daarin ook geciteerd uit het boekje van Leih „Kaart van politiek Nederland":

Het wordt voor de A.B.-partij moeilijk het christelijk karakter van haar lopitiek duidelijk te maken. Velen zijn huiverig voor , beginselen" en zoeken het in hoofdzaak in de praktische politiek. Het groeiend kerkelijk en staatkundig relativisme, dat zich o.m. uit — vooral in - de Gereformeerde Kerk — in toenadering tot de sterk relativistische Wereldraad van Kerken en in verband daarmede tot de alles behalve gereformeerde „middenorthodoxie" in de Hervormde Kerk.

Leih merkt zelfs op: Men vraagt zich wel af, of de A.R.-partij haar calvinistische karakter op den duur zal behouden. Men lette op de verschuiving in de christelijke zede en in zonderheid op het bedenkelijk karakter van heel veel van de prediking juist in de Gereformeerde Kerken, waar valse populariteit vaak hoger geschat schijnt te worden dan de eenvoudige rechte verkondiging van het Woord Gods. Vooral het laatste verschijnsel is voor de A.R.-partij en voor alle christelijke arbeid een direct gevaar.

Even verder voegt de Persschouwer er zelf nog aan toe:

Als Leih en anderen gelijk hebben, die klagen over de prediking, dan kan men de diensten nog meer verkorten dan al geschiedt en dan kan men nog meer „liturgie" toedenken en nog meer jagen naar populariteit, maar de kerken zullen steeds leger worden en de gemeenten zuilen steeds meer verschralen en de christelijke actie en de A.R.partij gaan vanzelf onder.

Waarmee we dan tenslotte de hoop uitspreken, dat de bovenvermelde schrijver van het ingezonden stuk nog even bezig blijft met de dreiging van verraad aan het werk der vaderen. Maar we hopen dan tevens dat deze turende wachter bij de erve der 'vaderen ook nog eens onderzoekt of hij altijd wel de goede kant uit kijkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's