NIEUWE MENS, NIEUWE GODSKENNIS
Gerechtigheid.
De zonde niet buiten God om. Gode zij dank, dat ze niet door een toeval in de wereld is gekomen en dat we niet door een noodlot ia de dood zijn gesleept. Door eigen schuld! En toch onderschrijven we Calvijn's woord: Dei providentia sic ordinante.
Men weerhoude zich echter van weer te willen concluderen, dat God dan toch wel de Auteur der zonde moet zijn. Dat het althans heel moeilijk is Hem daarvan vrij te houden. Laat af van zulke bespiegelingen, want voor wie God, de Heere, kennen, is het helemaal niet moeilijk. Zij weten, dat God recht is en dat in Hem geen onrecht is (Psalm 92 : 16)). De kennis van Zijn gerechtigheid laat zulke gedachten niet toe, die bovendien in strijd zijn met Zijn Wezen. Om Zijn uitverkorenen te bevrijden van de straf, is de Zoon zelfs bereid geweest het oordeel op Zich te nemen tot in de dood des kruises, opdat het recht Gods niet gekrenkt zou worden, en zij aan een eeuwig verderf zouden worden ontrukt.
Dank zij de gerechtigheid Gods 'kon de zonde Zijn eeuwig voornemen aangaande de mens niet te niet doen, noch de Raad Zijner eeuwige verkiezing vergaderen of annuleren. Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid van Zijn troon. (Psalm 89 : 15; id. 97 : 2).
Van God gesproken is gerechtigheid niet zo iets als een attribuut, een ornament, dat er bij komt. Zelfs het woord eigenschap is in dat verband niet bevredigend, hoe eigen het ook moge zijn, want God heeft maar niet Zijn gerechtigheid als een eigenschap, doch Hij is gerechtigheid. Gerechtigheid is Zijn Wezen, God kan geen afstand doen van Zijn gerechtigheid; want dan zou Hij, bij wijze van spreken, geen God meer zijn. Zijn gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid (Psalm 119 : 142). In het leven van Gods kinderen wordt dit zo klaar ingezien, dat ze een beroep doen op Zijn gerechtigheid in omstandigheden, die eerder een pleidooi op Gods genade en barmhartigheid zouden doen verwachten: Help mij uit door Uw gerechtigheid (Psalm 31 : 2). Red mij door Uw gerechtigheid (Psalm 71 : 2). Maak mij levend door Uw gerechtigheid (Psalm 119 : 40).
Wanneer we bepaald worden bij de deugden Gods, moeten we daaromtrent niet al te menselijk denken. Want het is wel waar, dat God tot onze menselijke schepselmatigheid nederbuigt, als Hij ons van Zijn ontferming, barmhartigheid en genade spreekt, we moeten ons echter bewust blijven, dat bij de Heere God geen scheiding is tussen Zijn Wezen en wat we gewoonlijk eigenschappen noemen. Liever dan van eigenschappen zouden we van deugden gesproken willen hebben, omdat dat althans èèn voorbeeld in de Heilige Schrift heeft (1 Petrus 2 : 9).
Het is dus eigenlijk zo, dat de Heere God Zijn barmhartigheid jegens de zondaar kan openbaren, krachtens Zijn gerechtigheid. Dat sluit echter ook weer in, dat Zijn genade haar weg neemt door de trechter van het recht. Daarom is het goddeloos om lichtvaardig over de zonde heen te leven, en, zoals sommigen gewoon zijn achter de liefde Gods te schuilen, alsof Hij een mens ware, waarlijk God is liefde. Dit is even wezenlijk als Zijn gerechtigheid. Maar de liefde heft de gerechtigheid Gods niet op. Ook Zijn liefde bewijst Hij in de weg der gerechtigheid. „Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve; maar het eeuwige leven hebbe" (Johannes 3 : 16).
Zijn eniggeboren Zoon gegeven — niet ter onzer beschikking, als ware het aan onze vriendelijkheid en willekeur overgelaten, of we van Hem gediend willen zijn of niet. Neen, Hij heeft Zijn Eniggeborene gegeven tot een rantsoen voor velen (Matth. 20 : 28; Efeze 1 : 7; 1 Tim. 2 : 6; 1 Petr. 1 : 19). Hij heeft Zijn Zoon gegeven om alle gerechtigheid te volbrengen, die bij God te volbrengen was, opdat Hij de goddeloosheid van de Zijnen zou afwenden en hun genade bewijzen.
De belofte van deze Verlosser werd aan Adam en Eva reeds gegeven, toen ze beschaamd voor de hemelse Rechter stonden vanwege hun overtreding. Van het ogenblik van de val onzer eerste voorouders in het paradijs, heeft de genade Gods ze opgevangen en de uitvoering van het doodsvonnis vertraagd — doch, zoals we gezien hebben, niet zonder Zijn straffende hand.
Gods gerechtigheid en Gods liefde zijn derhalve niet te scheiden in het goddelijk deugdenbeeld, noch in de werken Gods. In de volgende bladzijden zullen we telkens worden bepaald bij de deugden Gods. Reeds daarom gaan wij voorbij aan een dogmatische behandeling van de „eigenschappen" Gods, zoals dit in de dogmatiek gebruikelijk is. En niet alleen daarom, doch mede wegens bezwaren tegen de gebruikelijke behandeling met de stereotype onderscheiding in mededeelbare en onmededeelbare eigenschappen. Men wijst dan ook op enkele, altijd zwakke analogieën tussen de mens en God. Uit een oogpunt van de zondeval is daarvoor echter geen genoegzame grond. Denken we b.v. aan de goedheid Gods, de bonitas, die ver boven ons begrip van volmaaktheid verheven is. Maar, wat zal men in betrekking tot de mens zeggen? Het was alles zeer goed, ook de mens was zeer goed, toen God hem schiep. Wat is er echter van die goedheid, die bonitas, over? Niemand goed, tot niet één! (Psalm 14 : 3; Psalm 53 : 4; Rom. 3 : 11 en 12).
En wat zuIIen we dan over andere z.g. deugden van de mens zeggen?
Maar in het licht der herschepping staat het weer heel anders. De goddelijke natuur deelachtig! In de toekomst des Heeren Hem gelijkvormig! Zie, dan is het zelfs moeilijk een caesuur tussen mededeelbare en onmededeelbare „eigenschappen" te maken, want dan gaat het in de grond der zaak om de Christus, in wien de kinderen Gods zijn ingelijfd.
Daarom wijzen we liever op de kennis der deugden Gods, zoals die in de verborgen omgang met God, d.i. in het geloof, geleerd worden: Heere, Heere, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid, die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, en de ongerechtigheid en zonde vergeeft, die de schuldige geenszins onschuldig houdt. (Exodus 34 : 6, 7).
Van goedertierenheid en gestrengheid.
De geschiedenis der Godsopenbaring van de onheilvolle stonde aan, toen Adam in ongehoorzaamheid viel, het strenge oordeel Gods op zijn hals haalde en met zijn nakomelingschap, ons ganse geslacht, in de dood viel, spreekt van goedertierenheid en van recht. Wij hebben dat kunnen opmerken bij de ontmoeting van God en de van schaamte wegvluchtende mens. Klaar en duidelijk werd het daarbij openbaar, dat God geen lust heeft in de dood des goddelozen, maar daarin, dat hij zich bekere, en leve (Ezechiël 33 : 11). In plaats van de opstandeling tegen Zijn boven alles verheven Souvereiniteit in de buitenste duisternis neer te storten, gaf God de aarde in zijn macht en schonk hem de voorwaarden voor een aards bestaan. Zij het in moeite en strijd van wege zijn overtreding, doch met het uitzicht op verlossing.
Door de doodsschaduw heen gloort de schemerglans van nieuwe dageraad en de geschiedenis der openbaring geeft een duidelijk beeld van de opgang van de zon der gerechtigheid, welker genade schittering eeuwigheidslicht doet uitstralen over een ten dode opgeschreven wereld. „Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen" (Genesis 3 : 15).
Ziedaar de wereldgeschiedenis in één enkele volzin, een geschiedenis van strijd en moeite, die gericht is op de overwinning van het zaad der vrouw over de oude slang. De wereld een strijdperk. Het schijnt wel een strijd van mens tegen mens, een belangenstrijd door onderlinge naijver aangevuurd, zodat men kan begrijpen, dat er mensen zijn, die het tot een ideaal maken een vrederijk op aarde te stichten. Blind voor de machten en geestelijke boosheden, die in de lucht zijn, blind ook voor de ware toestand, waarin de mens verkeert en voor de geestelijke achtergronden, onderschatten ze de ernst van de strijd en menen langs menselijk culturele weg de oorlog en de oorlogstoerusting te kunnen overwinnen. Zij rekenen niet met het profetische Woord. Als ze nog over een God spreken, komen ze niet verder dan tot een idee van een God, die in groot formaat hun eigen beeld vertoont: een soort vredesengel in een wereld der verbeelding.
De Heere God, die Zich in de Heilige Schrift bekend maakt, is echter geen stille toeschouwer, vanuit Zijn hemel tot tijd en wijle, dat de mensen audiëntie aanvragen om Hem hun vrederijk aan te bieden. Hij heeft vijandschap gezet tussen de slang en Zijn gezalfde, want deze is het, die hier het zaad der vrouw wordt genoemd: de beloofde Messias, de Verlosser. Omdat Hij die gezet heeft, zal de vijandschap en strijd niet eindigen dan met de victorie van de Zoon en vergeefs zullen de pacifisten zich inspannen voor een rijk des vredes, dat geen ander fundament heeft dan ijdele filosofie.
God zelf is Partij in deze aarde en hemel bewegende strijd en Zijn tegenstander is hardnekkig en kwaadaardig, hoewel zeker van Gods almacht en eigen ondergang. God Zelf heeft in Christus de strijd aangegrepen. Hij geeft de mens niet over aan de mensenmoorder en vader der leugen, maar waakt over hem en bereidt hem een plaats in Zijn Rijk van eeuwige vrede.
Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem (Christus) al de volheid wonen zou en dat Hij door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem alle dingen verzoenen zou tot zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde zijn, hetzij de dingen, die in de hemelen zijn" (Coloss. 1 : 20). Daarom heeft Hij ook gezegd: Mijn vrede geef Ik u, niet gelijkerwijs de wereld die geeft, geef Ik hem u (Johannes 14 : 27).
God waakt over de mens, ondanks Zijn toom over de zonde en over de zondaar. Hij hoort de stem van het bloed, daagt de moordenaar voor Zijn vierschaar en zendt hem weg van voor Zijn aangezicht. Vergoten bloed van mensenkinderen roept de wraak des Heeren op. Hij roept Kaïn, die zijn broeder Abel heeft doodgeslagen, tot verantwoording en straft hem door hem uit Zijn gemeenschap uit te sluiten. Kaïn gevoelt, dat hij als een vogelvrij verklaarde is geworden. Schoon hij de weg van berouw en vergeving versmaadt, verkrijgt hij op zijn klacht nog een beschermend teken van God (vgl. Genesis 4 vers 1—25).
In het verbond met Noach eist God het bloed zelfs van het gedierte en stelt tot een wet, dat de moordenaar met de dood zal gestraft worden (Genesis 9 : 5 en 6). Ook de bloedwraak, wellicht door dit gebod ontstaan, wordt door God beperkt door instelling van vrijsteden (Numeri 35: 6). Later heeft men verstaan, dat geen particuliere wraak, maar officiële terechtstelling door de Overheid uitvoering moest geven aan het goddelijk bevel.
Tussen haakjes zij hier opgemerkt, dat de motivering van het gebod: „want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt", er op wijst, dat de zorg Gods voor de mens haar grond heeft in zijn bestemming om een afspiegeling van zijn Schepper te zijn. De mens dankt die goddelijke bescherming aan het voorrecht naar Gods beeld geschapen te zijn.
Weet hebbend van het feit, dat de apostelen om huns levenswil de heilige stad hebben moeten verlaten, en dat de leiding der gemeente nu tijdelijk bij de ouderlingen berustte, heeft men welbewust gehandeld overeenkomstig datgene, wat de situatie van het ogenblik vereiste.
Als wij op deze manier de gang van zaken recht geschetst hebben, dan moet daaruit volgen, dat Barnabas en Paulus pas naar Jeruzalem gereisd zijn, toen Jacobus, de zoon van Zebedeüs en de broeder van Johannes, reeds met het zwaard was omgebracht, en Petrus al weer uit de gevangenis was bevrijd. Want toen Petrus uit de gevangenis verlost was, en met achterlating van een bericht voor „Jacobus en de broederen", naar een „andere plaats" gereisd was (Hand. 12 vers 17), zal hij wel de laatste apostel geweest zijn, die uit Jeruzalem wegtrok om zijn toevlucht te zoeken in een veiliger oord.
Dat Petrus om zijn leven te redden de vlucht nam uit Jeruzalem en de gemeente aan haar lot overliet, is een zaak, waar wij ons niet over verwonderen moeten. " Wij mogen hem deze handelwijze niet in die zin aanrekenen, alsof hij gedaan heeft wat hem onwaardig was. Integendeel, toen Petrus uit Jeruzalem ging, handelde hij geheel volgens het woord van Christus, in Mattheüs 10 vers 23 gesproken: „Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere ..."
Het schijnt, dat het Barnabas geweest is, die de leiding gehad heeft, toen hij samen met Paulus naar Jeruzalem werd afgevaardigd. Wij menen dat te kunnen vaststellen uit de omstandigheid, dat Lukas, als hij over deze reis spreekt, zowel in Hand. 11 vers 30 als in Hand. 12 vers 25, dus tot tweemaal toe, het heeft over „Barnabas en Saulus". Deze volgorde is niet zinloos, maar heeft grote betekenis. Er wordt ons mee aangeduid, dat voor deze missie Barnabas op de eerste plaats kwam en Paulus pas op de tweede. Later, als de verhoudingen veranderd zullen zijn, zal Lukas daar ook in zijn spraakgebruik van gewagen door te spreken van „Paulus en Barnabas".
Na hun dienst volbracht te hebben, en na het geld, dat dienen moest om bij voorbaat reeds te kunnen zorgen voor de voorspelde hongersnood, aan de ouderlingen ter hand gesteld te hebben, zijn Barnabas en Paulus weer naar Antiochië teruggekeerd. Op hun terugweg werden zij echter vergezeld door een derde, door Johannes Markus, die zij met zich medegenomen hadden toen zij de heilige stad verlieten.
Van wie het initiatief om Johannes Markus mee te nemen is uitgegaan, wordt ons niet overgeleverd. Of hij er zelf om gevraagd heeft, is niet bekend. En of soms de twee broeders hem dit verzocht hebben, is evenmin bekend.
Het enige, dat vaststaat, is dat Johannes Markus een goede bekende van Barnabas geweest moet zijn. Johannes Markus was immers een neef van hem.
Van huis uit was Johannes Markus een jongeman, die opgegroeid was in Jeruzalem. Al vroeg behoorde z'n moeder Maria tot de gemeente des Heeren. In haar huis was het, dat de gemeente tijdens de vervolgingen onder Herodes Agrippa I bijeengekomen was om gezamenlijk te bidden voor de bevrijding van Petrus. Haar slavin Rhode was het, die in totale verwarring Petrus aan de deur had laten staan, toen de Heere hem uit de gevangenis gered had. Daar zou uit kunnen blijken, dat Maria, de moeder van Johannes Markus, een welgestelde vrouw was. Niet iedereen beschikte over een groot huis en over een slavinnetje.
In de toekomst zal Johannes Markus nog meer van zich laten horen. Met Paulus en Barnabas zal hij op zendingsreis gaan. Om zijnentwil zullen Paulus en Barnabas onenigheid met elkaar krijgen. Met Barnabas alléén zal hij dan naar het eiland Cyprus gaan om daar het evangelie te verkondigen. Als Paulus, voor de eerste maal te Rome gevangen, zijn brieven aan de Colossenzen en aan Philemon schrijft, zal hij melding maken van „Markus, de neef van Barnabas, aangaande welke gij bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem" (Col. 4 vers 10), en van de groetenissen die behalve anderen ook Markus, zijn medearbeider, laat overbrengen (Phil. 2 vers 24). Het zal dus met Paulus weer goed komen. Maar ook met Petrus zal Johannes Markus relaties hebben: „U groet de mede-uitverkoren gemeente, die in Babylon (Rome? ) is, en Markus, mijn zoon" — zo zal Petrus schrijven (1 Petr. 5 vers 13). En tenslotte zal hij het ook zijn, die het Evangelie, dat zijn naam draagt, te boek stellen mag om te getuigen van Jezus Christus, de Koning, die alles overwint.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's