DE DORDTSE LEERREGELS
Deze genade is God aan niemand schuldig; want wat zou Hij schuldig zijn degene, die Hem niet eerst geven kan, opdat het Hem vergolden worde? Ja, wat zou die God schuldig zijn, die van zichzelf niet anders heeft dan zonde en leugen? Diegene dan, die deze genade ontvangt, die is Gode alleen daarvoor eeuwige dankbaarheid schuldig, en dankt Hem ook daarvoor; diegene, die deze genade niet ontvangt, die acht ook deze geestelijke dingen gans niet, en behaagt zichzelf in het zijne, of zorgeloos zijnde, roemt hij ijdellijk, dat hij heeft, hetgeen hij niet heeft. Voorts van diegenen, die hun geloof uiterlijk belijden en hun leven beteren, moet men naar het voorbeeld der Apostelen het beste oordelen en spreken, want het binnenste des harten is ons onbekend. En wat aangaat anderen, die nog niet geroepen zijn, voor dezulken moet men God bidden. Die deze dingen, die niet zijn, roept alsof zij waren; en wij moeten ons geenszins tegenover deze verhovaardigen, alsof wij onszelf uitgezonderd hadden.
HOOFDSTUK III/IV, ARTIKEL 15
Geen hovaardij.
In psalm 73 zegt Asaf: „Daarom omringt ben de hovaardij als een keten, het geweld bedekt hen ais een gewaad". De berijming heeft: Dus zijn ze trots en doen de waan, Gelijk een gouden keten aan; 't Geweld dat deugd en plicht versmaadt, Bedekt hen als een praalgewaad". De nieuwe berijming heeft: „'t Is daarom, dat zij zich vermeten, Geweld hun kleed, de trots hun keten. Zij leven naar hun eigen wet." Waartoe zij zich vermeten staat er niet bij. Onze berijming blijft dichter bij de grondtekst en tracht deze uit te leggen. De nieuwe geeft vrijer de bedoeling weer, en is meer voor intellectuelen, die het toch wel begrijpen, al is het wat beknopt uitgedrukt. Het zou misschien van belang zijn te onderzoeken, aan welke zangers de berijmers hebben gedacht. Ook acht ik het van belang na te gaan welke theologie in de nieuwe berijming schuilt. Dat de keten een halsketting is, komt wel in de oude, niet in de nieuwe tot uitdrukking. Met halssieraad was misschien toch wel iets te berijmen geweest.
In elk geval komt in vertaling en berijmingen de hovaardij sterk naar voren. Wij mogen niet hovaardig zijn, zegt artikel 15. Natuurlijk mogen wij ons nergens op verhovaardigen, want wat hebben wij, of zijn wij, dat we niet hebben ontvangen? Doch wij mogen ons zeker niet verhovaardigen op de genadegiften Gods, die Hij aan Zijn volk schenkt. Voor onze eigen persoon is er geen plaats om hovaardig te zijn, want God heeft er, buiten ons, nog veel meer uitverkoren. Ik of u, wij zijn werkelijk niet de enige. Bovendien heeft de Heere aan anderen nog veel groter genadegiften geschonken. Maar ook als volk had Israël geen wettige reden tot hoogmoed, want het was niet om hun vroomheid of kracht en grootheid, dat God hen had verkoren. Dit volk is zelfs opzettelijk voor deze gedachte gewaarschuwd. We lezen in Deuteronomium 7 : 7: „De Heere heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren om uw veelheid boven al de andere volken, want gij waart het minste van alle volken". Het is ook niet om hun gerechtigheid, dat de Heere Israël bracht in Kanaan. „Weet dan, dat u de Heere, uw God, niet om uw gerechtigheid, dit goede land geeft om dat te erven; want gij zijt een hardnekkig volk. Gedenk, vergeet niet, dat gij den' Heere, uwen God, in de woestijn zeer vertoornd hebt; van dien dag af, dat gij uit Egypteland uitgegaan zijt, totdat gij kwaamt aan deze plaats, zijt gijHeden wederspannig geweest tegen den Heere". (Deut. 9 vers 6, 7).
Uit deze waarschuwingen blijkt echter, dat Israël gevaar liep voor hovaardij. En dan valt te bedenken, dat dit volk een spiegel is van de kerk van het N.T. We lopen gevaar. Israël is aan dit gevaar niet ontkomen. Dat blijkt b.v. uit Jeremia 7. Daar verwijt de profeet het volk, dat zij denken geborgen te zijn, niettegenstaande hun zonden, omdat zij verkoren zijn. Jeremia laat ze zeggen: „Wij zijn verlost om al deze gruwelen te doen" (Jeremia 7 : 10). Een dergelijke hoogmoed vinden we ook in het N.T. Johannes waarschuwt er voor met de woorden: „en meent niet bij uzelven te zeggen: wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken" (Matth. 3:9). Zij schijnen te denken onder het spreken van Johannes: „Praat maar raak, wij zijn toch in ieder geval behouden". Men kan dat soms ook vinden bij de echte verbondsdrijvers. Het farizeïsme uit Jezus dagen is van dit zich verhovaardigen een aangrijpend voorbeeld. Wat is de wortel van dit kwaad? Het gebrek aan werkelijk diepgaande kennis van zonde. In Israël, in de dagen van Jeremia, was geen berouw, geen kennis van het recht des Heeren, geen schaamte. Datzelfde gebrek aan kennis van zonde openbaart de farizeër uit Lucas 18 : 11, 12. Hij heeft niets over zichzelf te zeggen dan dit: „O God! ik dank U, dat ik met ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles, wat ik bezit". Een broertje van hem spreekt in Lucas 15 : 29: „zie, ik dien u nu zoveel jaren en heb nooit uw gebod overtreden". Hier ligt de wortel van de zelfverheffing. Nooit zal men genoeg kunnen wijzen op het grote gevaar, dat er ligt in een overslaan van het eerste stuk, zodat men niet leert hoe groot mijn zonde en ellende is. Het helpt ook niet, als men een algemene en oppervlakkige zondekennis bezit, die niet afdaalt in de verbijsterende diepten van eigen hart en leven. Met die oppervlakkige zondekennis verslaat de duivel heden ten dage zijn tienduizenden. Zolang de kennis onzer zonde niet persoonlijk en concreet is, is zij een filosofische zondekennis. Ik vrees, dat deze in vele belijders woont en op menige kansel gepredikt wordt. Terecht spreekt Wolffgang Trillhaas over dit oppervlakkige algemene belijden van zonde als over een „verzerrung", een caricatuur van de echte kennis der zonde. Men verwisselt zonde en algemene zondigheid. Trillhaas ziet deze verwisseling heersen in het nieuw-piëtisme van deze dagen.
Hij vervolgt: De uitspraak, dat „wij allemaal zondaren zijn" is ongetwijfeld juist. Hij is van eenzelfde algemeenheid als b.v. deze: de mens leeft niet eeuwig, de mens is zwak, zijn krachten zijn begrensd. Men kan dergelijke inzichten van dag tot dag herhalen. Het komt ook altijd uit, maar het is zo onpersoonlijk, dat men niet tot concrete kennis van de aparte zonden komt. Het is erger. Doordat men de algemeenheid van de zonde belijdt, telt men de eigen afzonderlijke zonden niet zo bar. Een mens is nu eenmaal zo zondig. Elke zondige daad is een bewijs voor de geldigheid van de algemene uitspraak: ben een zondaar. Men weet het al. Dat weet toch iedereen, zegt men. En zo wanen velen zich christenen, die het begin van het christelijk verstaan der dingen nog missen. Men schrikt of treurt niet meer over zijn zonde. Het doet geen echte diepe pijn. Daar komt nog bij, dat alle mensen nu gelijk worden. We zijn allemaal zondaren. Maar voor Paulus waren niet alle mensen gelijk. Hij kende zich als de grootste van allen. Is dat een dwaling of een hole frase? Neen, in feite betekent de kennis van eigen zonde de ontdekking, dat men persoonlijk aan God ongehoorzaam is geweest. Zijn genade verbeurd en Zijn toorn en gericht heeft opgeroepen. Kennis van zonde betekent niet, dat men net is als andere mensen, maar dat men persoonlijk mislukt is en nu rekenen moet, dat het voor eeuwig verloren is.
Deze kennis betekent, dat het geweten dag en nacht ons pijnigt en dat de angst mij tot vertwijfeling drijft. Dat men deze angstige en persoonlijke kennis der zonde heeft veranderd in een algemene belijdenis van zonde is een zware dwaling der Christenheid, besluit Trillhaas. Hier is de wortel, meen ik, van de hovaardij. Hier is ook het medicijn tegen deze hoogmoed.
Velen denken in onze dagen al te makkelijk, dat men christen kan zijn met zo'n algemene zondekennis. Men heeft een welverzekerd geloof, omdat men de vertwijfeling en de angst over de diepte zijner verdorvenheid nooit heeft ingeleefd en niet dagelijks inleeft. Want men komt er nooit mee klaar. Leg deze gedachten gerust naast de Schrift. Waar is de hoogmoed? Bij Israël in de dagen van Jeremia, bij de joden rondom Johannes, die hij adderengebroedsel noemt, bij de farizeeër en bij de oudste zoon. Wat missen zij? Waarachtige kennis hunner zonde. Wat leert God al Zijn kinderen gedurig dieper? Dat zij vleselijk zijn en verkocht onder de zonde (Rom. 7 : 14). Dat is het wat hen nederig en klein maakt. Wie zijn kinderen van God? Zalig zijn de armen van geest. Dat is de hoofd- zaligspreking, waar al de andere aan vastzitten. Wat heeft Paulus klein gehouden? Hij schrijft: „Opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaring niet zou verheffen is mij gegeven een scherpe doom in het vlees". Die doorn was een engel des satans. Wat kan een engel des satans anders doen dan proberen tot zonde te brengen? Houdt deze engel geen verband met de zelfbeschuldiging: ik ben verkocht onder de zonde? Wat kan zon engel nog meer? Aanklagen vanwege vroegere zonden.
Mij dunkt dat Paulus door deze dingen klein gehouden werd. Dan past ook uitnemend de troost van God: „Mijn genade is u genoeg". In elk geval werd deze uitnemende dienstknecht des Heeren bewaard voor zelfverheffing. Hoe groot ook de weldaden mogen zijn, hoe vele de genadebewijzen Gods, wanneer er een echte diepe kennis van eigen bestaan en zondigen is, leiden zij des te meer tot deemoed. Als er een algemene zondekennis is, bestaat er geen vernedering. Men heeft immers hetzelfde euvel wat ieder heeft. Hier is geen worsteling met God zoals Jacob worstelde. Maar zulken lopen ook met verheven schilden over de wereld. Hinkende Jacobs zijn ze zeker niet. Dit alles is waar. Maar het is goed niet te vergeten, dat de engel des satans komt als een engel des lichts en ook een kind Gods tot hoogmoed kan prikkelen, bij de diepste schuldbelijdenis. Het is nu eenmaal geweldig, dat de Heere ons van eeuwigheid heeft uitverkoren. Het is geweldig, dat God zulke weldaden aan Israël had bewezen, maar het is ook onzegbaar groot, dat de Heere Zijn volk leert en bekeert, uitredt en veilig leidt. „Hoe groot is uw goedgunstigheid. Hoe zijn uw vleuglen uitgebreid. Hier wordt de rust geschonken". Het is een volle beek van wellust. Hoe ligt nu bij de natuur de hoogmoed vóór de deur. Maar gelukkig voor ons behoort het juist tot de verkiezing tot zaligheid, dat God de mens overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Niet zonder reden noemt Comrie dit overtuigende werk het fundament van het genadewerk in de mens. Dit werk der overtuiging gaat heel hét leven door. Op deze wijze wordt het kind des Heeren klein gehouden. Doch, vergis u niet, de waarschuwing van artikel 15 blijft geheel op haar plaats. Het gevaar van hovaardigheid is nooit geheel verdwenen. De zelfverheffing kan zich ook nog hullen in het kleed van de ootmoed. Daar is een volk van God, dat bijzondere dingen heeft ondervonden en dat langs een bijzondere weg geleid wondt naar het eeuwig zalig licht. Er is een volk der wereld, dat deze bijzondere dingen zo niet heeft ondervonden en dat zichzelf leidt naar de duisternis der hel. Wou iemand dit ontkennen? Dan is er ook reden tot roem bij Gods kind. Doch er is geen reden tot valse roem. Wanneer is deze roem vals? Als we menen, dat we iets hebben, dat we niet hebben ontvangen. Als we menen, dat we één zucht tot onze zaligheid hebben toegebracht. Als we ons niet verwonderen, dat het op ons gemunt was. Wat heeft toch de Heere bewogen, om naar zo n dode 'hond, de verdorvenste, de schuldigste, de armste, de gemeenste van heel de wereld om te zien? Voor Gods kind kan iedereen wel zalig worden, want ieder ander heeft een betere natuur dan hij. Het is de vrijmacht Gods, de vrije, genadige onverdiende verkiezing, die hem redde. God heeft hem uitgelezen en heeft anderen laten liggen. Heere, waarom? Daar is slechts één antwoord. Zo is geweest het welbehagen voor God. Als men zich dat indenkt, siddert men. Het is zo'n diepe afgrond van ontferming. Men hoopt voor een ander, want het zou immers altijd nog kunnen. Zelf is men als een vijand met God verzoend, zouden dan andere vijanden niet verzoend kunnen worden?
Wat is er dan nodig om niet hoogmoedig zich te verheffen? Veel stilstaan bij wat men geweest is en van nature nog is. Wat moet men zijn voor z'n naaste? Innerlijk met ontferming bewogen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 mei 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's