De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De moderne mens en de dood

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De moderne mens en de dood

8 minuten leestijd

Op een plein van een grote stad staat een willekeurig groepje mensen bij een tramhalte te kleumen in de snijdende februarikoude. Plotseling verschijnt — vanwaar opgedoken? — midden onder dit troepje een hoge hoed. De man, die dit rekwisiet (overblijfsel) van een zekere staatsie draagt, komt kennelijk terug van de dood. „Onmogelijk hem over het hoofd te zien. Temidden van de bontmutsen en deukhoeden, het kokette kapje, de pet en de golvende en springende haren die de wind nog eens zo levend schijnt te maken, dwaalt dit zijden embleem der vergankelijkheid, dat vroeger generaties geinstitutionaliseerd hebben, rond en wekt bij iedereen dezelfde gedachten. Plotseling herinnert elk der omstanders zich, dat alles wat een begin heeft ook een einde heeft, dat einde soms inderdaad einde betekent, dat ergens buiten, aan de rand van deze samenscholing die stad heet, een plek is, waar dat einde wacht.... wacht, zoals wij op de tram wachten". Wij bewegen ons voort naar dat eindpunt, „waarvan wij niets weten behalve dan dat het eens zal opdoemen, o vreemde termijn, bewegend doel, onzeker tijdstip. Vijfhonderd vijftig miljoen jaren, zeggen de geleerden, bestaat de aarde al. In deze tijdruimte is de verschijning van de mens niet meer dan een episode. En in die episode die wij gewoon zijn geschiedenis der mensheid te noemen, is ieder mens weer een episode, begrensd door begin en einde: een onzekere gang, een waggelen eerst, een schuifelen later; daartussenin is er het marstempo, hoevengekletter, tramgedruis, treingedaver; en ook veel passen op de plaats, veel wachten. Maar voorlopig is het kerkhof nog ver, niet alleen in onze gedachten, maar ook letterlijk. Wij hebben het verbannen naar de zelfkant, iedere tram die erheen voert, kent het slechts als eindpunt, en wie er van terugkomt en, getooid met zijn hoge hoed, zich aan de vlagen op het stationsplein blootstelt, vaart zelf als een koude adem over de levenden heen".

Deze citaten zijn ontleend aan een meditatief stukje in de N.R.C, van 1 februari 1962, waaruit wel duidelijk blijkt hoe voor de moderne gesaeculariseerde mens de dood de laatste vijand gebleven is.

Wijsgerige geesten mogen betogen, dat de dood bij het leven behoort; daarvan als bij alle organisch leven het noodwendig einde is: zelfs Boutens die eens zong van een

Goede dood, wiens zuiver pijpen door 't verstilde leven boort: die tot glimlach van begrijpen alle jong en schoon bekoort...

hield deze „glimlach" (die ons trouwens wat geforceerd en vrij onnatuurlijk toelijkt) niet vol; dezelfde dichter kwam tot de klacht (die wij béter verstaan):

Waartoe die voorsmaak. Dood, die bitter wreed in ied're levensteuge wrangt en grondt? 'k Dacht u te drinken met blijwilligen mond, een nooit geproefden, zuiverrijken wijn ... Nu gist gij levens water tot venijn van dorstedurend, niet te klaren leed.

Blijkbaar kan 'n hoge hoed, die aan 'n begrafenis herinnert, ook een modem mens doen huiveren; hem vermoedelijk nog meer dan zijn grootouders, die met de dood en diens voorbode, de ziekte, in zeker opzicht méér vertrouwd waren.

Wat we hiermee bedoelen?

In het gegeven citaat was sprake van het kerkhof. Doch kerkhoven hebben wij in onze moderne wooncentra niet meer. In de binnenstad herinneren namen van pleinen nog aan het feit, dat in vroeger eeuwen de doden rond de kerken werden begraven (b.v. in Utrecht het Janskerkhof), doch de kerkhoven zijn reeds lang geleden geruimd en wij hebben nu als parken aangelegde begraafplaatsen, ver

buiten de bebouwde kom. Daarheen beweegt zich de lijkstatie, die bet moderne verkeer hindert; haastige automobilisten zullen zo mogelijk proberen deze te passeren, terwijl nog slechts een enkele voetganger oudergewoonte stilstaat en de hoed licht uit eerbied voor de dood.

Hoe minder men van de dood ziet, hoe minder men er van hoort, hoe liever, 'k Herinner mij hoe een jonge man, die even bij een straatprediking was blijven stilstaan, hardop tegen zijn vrouw zei: „laten we doorlopen; hij heeft het over de dood!" Daar wilde hij blijkbaar nog maar niet aan herinnerd worden!

Vroegere geslachten maakten de dood in ieder geval meer van nabij mee. In welk kinderrijk gezin stierven niet meerdere kinderen in de eerste levensjaren? Tegenwoordig is de kindersterfte zeer gering, terwijl wij door het medisch kunnen èn de sociale voorzieningen gemiddeld dubbel zo oud wonden als in de dagen onzer grootouders. In geval van ernstige ziekte vindt zo nodig opname plaats in een ziekenhuis, waar een reeks van specialisten gereed staat om met hun steeds toenemend kennen en kunnen hulp te bieden („ze zijn tegenwoordig zo knap" is voor velen de enige troost), terwijl soms op betrekkelijk hoge leeftijd de revalidatie nog tot opmerkelijke resultaten leidt.

De wetenschap geeft het niet spoedig op; lang blijft men met de zieke bezig; naar de smaak van sommigen (ook medici) soms tè lang: lijden wordt gerekt, terwijl de mens nauwelijks rustig kan sterven!

Want uiteindelijk moet de strijd tegen de dood worden opgegeven; doch dan is de patiënt vaak naar een sterfkamertje gebracht, zodat de dood zélfs in het ziekenhuis niet al te zichtbaar meer is.

Doch ook voor de moderne mens is er slechts één schrede tussen hem en de dood: tot zijn schrik wordt hem dit duidelijk door het verkeersongeval, niet zelden met dodelijke afloop. Ook wij moeten gewagen van „gevaren op de weg", al zijn het andere dan in Paulus' dagen. Daarom worden wij op ons aller verantwoordelijkheid gewezen en opgeroepen om mee te werken aan de veiligheid in het verkeer.

Zo is er in onze moderne samenleving een ontwikkeling, waardoor alles wat met de dood te maken heeft mèt het kerkhof „verbannen is naar de zelfkant" en verdrongen wordt uit het onmiddellijke bewustzijn.

Verdraging is echter geen overwinning; eer het tegendeel, want wat verdrongen is wordt oorzaak van vage angstgevoelens; het is er wél degelijk en kan zich onverwacht doen gelden....

Daarom is het volkomen naar het leven getekend als de Hebreënbrief ons de mens voorstelt als een gedurende zijn ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemde (2 : 15). Dit geldt onverminderd ook voor de moderne mens, die mondig als hij zich waant tot geen prijs slaaf wil zijn en in zijn nihilisme ook de vrees voor de dood uitgebannen meent te hebben. Een vals vertrouwen (b.v. op eigen voortreffelijkheid) kan mede oorzaak zijn van een schijn van rust, doch dit „dood zijn voor de dood", zoals men oudtijds wel zeide, is zeker geen regel; eer een trieste uitzondering, die op haar wijze accentueert, dat wij van nature midden in de dood liggen, hetgeen nog iets méér is, dan dat wij midden in dit leven door de dood omvangen zijn (hetgeen óók waar is).

Terecht is opgemerkt, dat een van de oerkrachten, die ons leven beheersen, de angst is: de benauwdheid van het zich ingeklemd te weten tussen te nauwe grenzen met als onuitwijkbaar einde de dood.

De angst is kenmerkend genoemd voor het levensgevoel juist van Onze tijd. De mondige mens wordt gezegd „te lijden aan het bestaan"; van de angst voor de dood kan hij zichzelf niet bevrijden.

Ook hij kan slechts verlost worden door Hem, die Zich door de banden des doods 'liet omvangen en door de angsten der hel liet treffen; die benauwdheid en droefenis vond (Psalm 116 : 3). Wanneer zijn hart geopend wordt voor het Evangelie van Goede Vrijdag en Pasen; de boodschap van kruis en opstanding; van schuld en schulddelging; van dood en doodsoverwinning. De Hebreeënbrief verklaart, dat de Heere Jezus Christus door Zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, heeft onttroond om daardoor allen te bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren.

In de Heilige Schrift verschijnt de dood in een zeer bepaald licht: niet maar als biölogisch feit, doch voor de mens als oordeel Gods over de zonde. Door de zonde is de dood in de wereld gekomen; dat hij macht over ons heeft is het droef gevolg van onze afval van God, de bron van het leven.

Wanneer de Heilige Geest ons dit doet verstaan, zullen wij niet zozeer de dood als wel Gods heilige toorn tegen de zonde leren vrezen.

Angst voor de dood op zichzelf is onvruchtbaar, wijl louter negatief. Door de mensen angst aan te jagen, drijven we hen waarlijk nog niet naar Christus!

Doodsangsten kunnen uitingzijn van een depressieve gesteldheid, die zelfs een verhindering voor het Evangelie kan betekenen.

Maar wanneer de Geest des Heeren ons ontdekt aan onze doodsstaat en leidt tot Hem, die de dood overwon, vinden wij in Hem ook verlossing van de angst voor de dood. Dan zullen wij positief in het leven leren staan, wetende van onze roeping in dit leven, terwijl onze tijden in Gods hand zijn.

Voor de apostel Paulus blijft de dood vijand; de laatste, voor wie hij huivert, dodc die hij ook toeroept: waar is uw overwinning?

Sterven wordt dan afsterven van de zonde en doorgang ten leven.

Ook de moderne mens zal van genade moeten leren leven: Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus (1 Cor. 15 : 57).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De moderne mens en de dood

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's