UIT DE PERS
In In de Waagschaal van 22 april lazen we een behartigenswaardige uiteenzetting van dr. Buskes over de stijl in de kerkdiensten. In de bekende rubriek „Terzijde" schrijft hij onder de titel: „Het peper- en azijnstel" het volgende:
Onder de indruk van het niet te loochenen feit, dat het bezoek aan onze kerkdiensten afneemt, proberen we de mensen te lokken door de kerkdiensten aantrekkelijk te maken. Wij proberen dat met onze gewone kerkdiensten, wij proberen het ook met onze Open-Deur-diensten, die in de meeste gevallen een wat halfslachtig karakter dragen: geen vlees en een vis, geen normale kerkdienst en geen samenkomst voor buitenstaanders, hetgeen wel iets te maken zal hebben met het feit, dat de meeste bezoekers van Open-Deurdiensten kerkelijke mensen zijn.
Steeds meer neig ik tot de overtuiging, dat wij onze kerkdiensten niet aantrekkelijk moeten, maken met kunst- en vliegwerk, maar er voor moeten zorgen, dat ze zonder dat kunst- en vliegwerk aantrekkelijk zijn.
Deze winter kreeg ik een uitnodiging ergens in Nederland te komen preken. Een paar dagen voor de zondag, waarop de uitnodiging sloeg, ontving ik van de scriba bericht, dat een meneer tweemaal in mijn dienst enkele liederen zou zingen: „om de dienst iets aantrekkelijker te maken voor het kerkpubliek". De scriba voegde aan zijn mededeling toe, dat ik er wel geen bezwaar tegen zou hebben. Ik had er wel bezwaar tegen. Om de eenvoudige reden, dat alle willekeur en anarchisme in de kerkdienst uit de boze is. We hebben te zorgen voor een verantwoorde en stijlvolle liturgie. Het gaat niet aan, om zo maar in een dienst — voor het gebed of na de preek — een heer of een dame te poten, die enkel liederen zingt, om de zaak wat op te fleuren, liederen, die in zo'n dienst alleen maar fungeren als een paar schoten in de lucht. Al zou er overleg worden gepleegd over de te zingen liederen, dan nog blijft bij mij de vraag, of solisten in onze kerkdiensten thuishoren.
Zelfs een kerkkoor heeft alleen recht van bestaan, indien het de vooropgestelde bedoeling heeft, de zang van de gemeente te dienen. Laten we ons bovendien realiseren, dat wij met al dat particuliere en individualistische gedoe in de regel ver beneden de maat blijven. Ik zeg dit, hoewel beslist, met een zekere aarzeling, omdat ik veel te goed weet, dat wij, verbi divini ministri, met de verzorging van onze prediking en onze opbouw van de dienst in de regel ook ver beneden de maat blijven. Deze alles behalve vrolijke wetenschap is echter geen geldige reden, om er nog een paar scheppen „beneden-de-maat" boven op te doen. Uit onze gewone kerkdiensten zou ik al het muzikale geïmproviseer willen uitbannen. Doen wij dat niet, dan weten wij op het laatst niet meer, wat wij moeten arrangeren. Men wordt er — ik spreek uit ervaring — doodmoe van.
Hetzelfde geldt, dacht ik, van wat langzaam maar zeker een gewoonte dreigt te worden: het opgeven van onderwerpen. Dat dit gebeurt in samenkomsten voor buitenkerkelijken aanvaard ik en vind ik zelfs juist. Voor de gewone kerkdiensten 'is het slechts in een enkel geval gewenst.
In de regel is het fout. Is bet ook dodelijk gevaarlijk. Men moet veelal het onderwerp opgeven, terwijl men nog niet weet over welk bijbelwoord men prediken zal. Niet het bijbelwoord geeft ons het thema.
Bij het door ons opgegeven onderwerp zoeken we een tekst. Het gevolg is, dat we meer over ons onderwerp spreken dan dat wij na zorgvuldige exegese het bijbelwoord laten spreken. Het is alles zo doodvermoeiend en wat het oplevert is maar matig. Voordat we er ons van bewust zijn, zoeken we naar pakkende en actuele onderwerpen in de hoop, dat het publiek — van een gemeente en van kerkvolk kan in zo'n geval niet meer gesproken worden — op het onderwerp afkomt. Collega's, wat ik u bidden mag: stijl, stijl, stijl! Niet werken met peper- en azijnstel. Dat is ver beneden onze stand. Op korte termijn kunnen we met dat peper- en azijnstel wel enig succes boeken, maar succes is nog geen zegen. En ik geloof nog altijd, dat stijlvol even als eerlijk het langst duurt.
We zijn echt dankbaar voor dit woord van deze oude Amsterdamse dominee, en omdat men het nu niet af kan doen met te zeggen: Dit geluid komt weer uit één of andere uithoek van het land uit de mond van iemand die een paar eeuwen achteraan komt, daarom hopen we dat dit woord ook ver door mag klinken in de kerk. En dat is toch wel erg nodig, dachten we. Ter illustratie geven we u door een bericht dat we vonden in het persoverzicht van „De Reformatie" van 21 april. Daarin had men uit „Hervormd Nederland" het volgende overgenomen:
In de hervormde Galileeërkapel te Leeuwarden is woensdag 7 maart de bidstond voor het gewas in een nieuwe vorm gehouden. In de dienst, die geleid werd door ds. J. H. W. Sandijck, werd een kort filmfragment gedraaid, dat het werk in een bedrijf toonde. Daarna vertelde de maatschappelijke werkster, mejuffrouw E. A. C. Riesen, en de kunstschilder Jan Murk de Vries over hun werk in de samenleving. In de Goede Herderkerk te Leeuwarden leidde ds. A. Mol een bidstond, waarin een huisvrouw en 'n kantoor-employé over hun dagelijks werk spraken.
Zouden dergelijke „uitvinders" zich nu nooit eens afvragen wat er overgebleven is van Gods opdracht om het Woord te prediken, en waar dat alles op zo'n manier naar toe moet? We kunnen ons niet anders voorstellen, dan dat de predikanten die aan dergelijke dwaasheden meewerken alleen maar denken en werken naar het devies: Après nous Ie deluge.
Zoals we weten is het beroep van prof. Smits bij de commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen tegen het besluit van het breed moderamen van de synode afgewezen; zijn bezwaren tegen genoemd besluit werden ongegrond verklaard, zodat hem de rechten als van een emeritus ontnomen blijven.
Gelijk te verwachten was, is de vereniging van vrijzinnig Hervormden hiertegen in het geweer gekomen. Zij zijn door dit alles geschokt in hun vertrouwen, dat de Nederlandse Hervormde Kerk ruimte wil laten voor verscheidenheid van geloofsbeleving.
In „Hervormd Nederland" gaat ds. Landsman daar weer tegenin en roept uit: Het is te gek om los te lopen. In het „Hervormd Weekblad De Gereformeerde Kerk" van 26 april gaat ds. Groenewoud nu weer in een artikel in op dit schrijven van ds. Landsman. Boven zijn artikel schrijft ds. Groenewoud: „Onbegrensde ruimte? En dan merkt hij o.a. op:
Eerlijk gezegd begrijp ik er nu niet veel meer van. Ons wordt herhaaldelijk wantrouwen tegenover de synode verweten omdat wij telkens weer uitspreken, dat zij niet voldoet aan haar roeping om te weren wat de belijdenis weerspreekt. Tegen ons wordt dan steeds weer gezegd, dat de synodale organen heus wel ernstig bezig zijn met deze arbeid. En dit betekent toch dat er ergens een grens is, en dat de kerk niet ruimte wil laten voor alle verscheidenheid van geloofsbeleving. Maar dan is er ook wel degelijk reden voor de beduchtheid der vrijzinnigen. En dan is hot ook niet te gek om los te lopen, wanneer zij zich uiten als door ds. Landsman gesignaleerd is. Wel te verstaan: op hun standpunt.
Omgekeerd, als de vrijzinnigen inderdaad ongelijk hebben met hun vrees, dan is er reden en goed recht voor onze klacht. Hoe zit dit nu.
We kunnen deze vraag van ds. Groenewoud goed begrijpen. De uitlatingen van de zijde der synode zijn er tot nu toe toch eigenlijk op gericht om steeds weer èn de geit èn de kool te sparen. Telkens wordt gezegd dat er toch wel grenzen zijn en dat er in de kerk geen onbegrensde ruimte is voor alle verscheidenheid van geloofsbeleving.
Maar als dan de vrijzinnigen in de kerk met hun neus tegen die grens oplopen en „au" roepen, dan vindt ds. Landsman dit te gek om los te lopen. Terecht merkt ds. Gr. op, dat formeel genomen aan prof. S. z'n rechten niet zijn ontnomen om dat hij tegen het hart van de belijdenis inging, maar vanwege zijn gedrag. Maar de hele zaak is toch aan de gang gekomen door klachten over zijn uitlatingen die de belijdenis der kerk weerspraken. De belijdeniskwestie is toch ook hier wel de eigenlijke achtergrond van het geheel.
In het „Gereformeerd Weekblad" (Kok) schrijft prof. Brillenburg Wurth een artikel over de beoordeling die prof. Hoekendijk geeft over New Delhi in het laatste nummer van „Wending". Het blijkt dat prof. Hoekendijk nog ai teleurgesteld is over wat New Delhi heeft opgeleverd, het is allemaal even slap en naar. Prof. 'Hoekendijk schrijft o.a.:
Het is geen geheim dat volbloed kerkhistorici nu met hun handen in het haar zitten. Ze weten met 'dit slag samenkomsten geen raad. Vroeger vielen er beslissingen; andersdenkenden werden resoluut de deur uitgezet; we riepen hen ons damnamus (wij veroordelen) achterna en leefden, met de ruggen naar elkaar, verder. Nu zoeken wij elkaar weer op; steken de benen onder één tafel en zo gemoedelijk binnenshuis krijgt hetzelfde damnatus een andere klank; het verliest zijn dreigend en definitief karakter; we zijn er verlegen mee, want het valt uit de toon in die sfeer van glimlachende gemeenschappelijkheid.
En dit materiaal wordt nu voorgelegd aan een generatie (van jongeren en ouderen), die al „postoecumenisch" is genoemd; een generatie, die het verhaal over heel de kerk voor heel de wereld meermalen heeft gehoord en opgezogen; die de ruimte heeft gevonden en met wijde horizon leeft; die in onze - gesloten denominationele huizen ademnood krijigt en dreigt te stikken en die waarachtig geen „verantwoordelijke risico's" meer hoeft te overwegen: die hebben ze al genomen.
We krijgen zo de indruk dat prof. Brillenburg Wurth zidh bij dit alles een beetje onbehagelijk begint te gevoelen; z'n liefde voor de oecumene krijgt er een deukje door, dachten we. Want terecht beseft prof. Brillenburg Wurth dat dit betoog van prof. Hoekendijk wijst in de richting van een heel nieuwe koers die althans een niet onbelangrijke groep, de jonge generatie, in oecumenisch opzicht in de naaste toekomst wil gaan varen. Over die opvattingen van prof. Hoekendijk schrijft dan prof. Brillenburg Wurth:
Veel eerbied voor kerkelijke tradities kan men bij hem niet verwachten. Een heel ander type van kerk dan van vroeger en dan van vandaag staat hem voor de geest, niet meer een officiële kerk met een gezaghebbende prediking of een indrukwekkende liturgie, maar kleine, zeer bewegelijke groepen, helemaal open voor de zeer concrete behoeften van de mens van onze dagen. De oude parochiale kerk heeft bij hem en zijn geestverwanten haar tijd gehad. En wij moeten ook .maar niet te veel om haar restauratie ons bekommeren.
Wat er moet komen, dat is een kerk van pelgrims, een gestalte-geving van „het trekkers-volk", dat het nieuwe testament kent maar dat zeker niet hetzelfde is als de kerk gelijk wij die eeuwen gekend hebben.
Wij durven ons hierover nog geen beslist oordeel aanmatigen. Maar wat zal het, gezien dit alles, nodig zijn dat aan onze oecumenische bezieling zich gaat paren een zeer serieuze en diepgaande bezinning op het probleem van de kerk, en vooral op de verhouding tussen de nieuwtestamentische kerk en de kerk zoals die in de loop der eeuwen een gedaante heeft aangenomen, die ons confessioneel, liturgisch en kerkordelijk zo vertrouwd voorkomt - dat wij ons de kerk van Christus bijna niet anders meer kunnen denken. Eerst als wij hierin inzicht hebben zal het mogelij'k zijn verantwoord in het werk van de Wereldraad te participeren.
Op het ogenblik is het voor de geref. kerken nog onmogelijk om één te worden met de herv. kerk; gezien vanuit Afscheiding en Doleantie mag dat niet van Jezus. Maar als men nu begint met de hier door prof. Brillenburg Wurth voorgestelde bezinning zou men misschien veel tijd kunnen winnen; men zou dan gewoon de hele affaire van de „achttien" kunnen overslaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's