De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

NIET TEVERGEEFS

7 minuten leestijd

1 Cor. 15 : 58. Zo dan, mijn geliefde broeders, zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere.

Wat kost het veel inspanning van de mens om zinvol bezig te zijn en iets blijvends tot stand te brengen. Alles wat we maken is zo betrekkelijk. Het verslijt. Slechts voor een tijd heeft het waarde. Straks is het uit de mode of onbruikbaar. De tragiek van het leven is, dat alles oud wordt. Opgaan, blinken en verzinken is het lot van iedere dag. Dingen en dagen en zelfs mensen mislukken. En menig „succesvol" leven eindigt met een zucht: Wat zal er overblijven van al wat ik opgebouwd heb? Ergens knaagt de vrees, dat al de arbeid toch ijdel is geweest. Tevergeefs. Met als gevolg: onzekerheid.

De Bijbel weet ook van deze toestand. De mensen in Corinthe hebben het wei verstaan, hoe het einde van alle moeite is het weggedragen worden. Heel dat lange hoofdstuk 1 Cor. 15 is doortrokken van gedachten aan de dood en het einde. En dan lees ik toch daar helemaal aan het eind van het hoofdstuk: als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere. Zo zegt het Gods Woord.

Nu is het niet zo, dat we hier de Corinthiërs een pluimpje kunnen geven alsof zij een beter en meer waardevol leven hadden dan wij mensen van 1962. Wij ontmoeten overal in dorpen en steden de mens die op drift geraakt is. Hij staat niet meer vast. Opleiding, fabriek en kantoor hebben zo veel oude zekerheden ontbonden of krachteloos gemaakt. Maar een grote stad in de oudheid, zoals Corinthe was, met een zeer gevarieerde bevolking, levende in een periode van grote geestelijke spanningen kende ook wel de betrekkelijkheid van al het bestaande. Als Paulus schrijft „niet ijdel" ziet hij niet op Corinthe, maar voegt hij er bij „in de Heere". Hij noemt de Naam, die aan het leven een zo heel ander gelaat heeft gegeven. De Naam van Hem in Wien leven en dood in een nieuwe situatie zijn gebracht, omdat Hij door de dood heen gegaan, de Levende is. Hij heeft de dood overwonnen. Door Hem is de vergankelijkheid betrekkelijk gemaakt, want Hij leeft. En Hij bouwt het vast gebouw naar goddelijk bestek; een eeuwig blijvend werk.

Dit houdt wel in dat er iets is veranderd. Want nu gaat het niet meer over het mijne, maar over het Zijne. Dus dan is toch het mijne aan de vruchteloosheid onderworpen, zonder toekomst? Dan is het toch afbraak van het mijne? Want het staat niet meer op mijn naam, of op de naam van mijn geslacht. Ja, wij zijn niet beter dan de mensen van Corinthe. En onze stelsels en godsdienstigheden, voor zover ze niet verankerd liggen in het werk van Christus, zijn even ijdel als die van Corinthe. Zij moesten hun afgoden vaarwel zeggen. Zij moesten ja zeggen toen hun verkondigd werd, dat ze in zichzelf geen leven hadden. Maar ook onze afgoden en godsdienstigheden moeten eveneens buitengeworpen worden. Er is geen steun in wat een mens gemaakt heeft. Het leven is alleen zinvol in de Heere. Dat is in Hem, Die een radicale zaak gedaan heeft op aarde, Die opgestaan is en dood geweest is. En 't is zo, op die wijze gaan we heel diep terug. Het is de diepte van het lijden en sterven van Christus en van het oordeel Gods, voltrokken aan Zijn Zoon.

Toch moeten we daar wel zijn. Broeders, geliefde broeders, noemt de apostel de Corinthiërs. Niet omdat ze bloedverwanten zijn. Het is een geestverwantschap. Het is een broederschap die gefundeerd is in de Heere.

Omdat de diepste lijnen van hun leven verankerd liggen in de Gekruisigde Heiland, en ze het daar gevonden hebben. Hun oude ik verloren hebben en een nieuw begin gevonden. In Hem, de Heere.

Het was daar, waar de goede werken en het voortreffelijk Farizeeër zijn ook Paulus niet meer kon baten en alleen de verzoening en genade van Christus blijde hoop hadden gegeven. Dan zegt deze van zijn vroomheid verloste Jood tot voormalige heidenen: broeders.

Wat moeten we zo diep graven. Beter kunnen we echter zeggen: Wat heeft de Heere diep gegraven. Wat is Hij diep gedaald. Hij ging in de dood, in het oordeel. En zullen we Hem nu kennen, zullen we Hem daar 't eerste kennen — is gekruisigd, gestorven en begraven. Daar wil Hij u ontmoeten als mens voor God. Daar wil Hij bij u staan als de goddelijke rechtspraak uw leven veroordeelt. Om dan te zeggen: Hier heb Ik gestaan voor u; u moogt vrij uitgaan.

Daar is hij niet een dode, maar een levende Heiland, die toepast wat Hij verworven heeft. Op die wijze is er een nieuw begin, gefundeerd op die diepe vaste rotsgrond van het volbrachte werk van Christus. Broeders, zegt dan de apostel; broeders om alzo uit te drukken het èèn zijn in de Heere, èèn in verwachting en ook in de strijd.

Zo blijkt het dat de Heere bezig is. God bouwt. Maar dat houdt ook in dat de apostel werk heeft. Zinvol werk. Werk dat niet ijdel is, niet tevergeefs. Hij zegt ook niet: de Heere doet het wel, ik behoef het niet te doen, of ik kan er niets aan doen. Dat is er helemaal niet bij. Paulus is zeer druk geweest zijn hele leven door. Want Christus is opgewekt. Hij leeft. En Hij geeft een machtig verschiet. Daarom broeders, zijt standvastig onbewegelijk, blijft op uw plaats, laat u niet van uw stuk brengen, houdt Zijn toekomst in 't oog, altijd overvloedig zijnde in 't werk des Heeren. Zo duwt hij de broeders op. Zij moeten bezig zijn in 't werk des Heeren, overvloedig zijn in dat wat de Heere gewerkt heeft, met hun volle leven dienstbaar zijn in bet werk des Heeren. Of dit nu zo gemakkelijk is? 't Vroeg heel veel. Want het was zo heel anders te staan in 't werk des Heeren dan in 't leven van deze wereld. Het ging niet om overvloedig te zijn in het werk des Heeren en tegelijk mee te doen aan de grote offerfeesten in Corinthe. Want alles was nu van Christus, het lichaam, de ziel, woorden en daden, alles nu Zijn eigendom. Het moest nu alles in Zijn dienst staan.

Dat dat niet vanzelf ging heeft de apostel ook wel verstaan. Aan het eind van de tekst spreekt hij van arbeid, een ander woord voor werk, dat meer benadrukt de inspanning, de moeite.

In dienst van het Koninkrijk Gods had het hem aan moeite niet ontbroken. Teleurstelling was hem ook geenszins gespaard. Toch zegt juist hij nu: zet uw volle leven in dienst van God, werkt als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere. En hij kon dat doen, omdat hij voor zich ziet het werk des Heeren, het werk dat door de Heere hier gewerkt is. Daarmede wordt dan de blik volledig gericht op wat door God gedaan is. Daarin mogen we dan bezig zijn. In onze handel en wandel, in woord en daad gericht op wat des Heeren werk is, op Zijn Koninkrijk. „Als die weet" voegt hij er dan bij. Dat is heel sterk. Het is niet een weten, dat ik bekeerd ben, al ligt dat er wel ergens in opgesloten. Het is weten dat Gods Koninkrijk gekomen is en dat daarom mijn arbeid gedaan in geloof in en betekenis heeft. Dan is het hier soms wel eens eenzaam. Ik word niet altijd begrepen. „Ik ben o Heer een vreemd'ling hier beneên". En toch — wat is zo het leven mooi. Ingezet in 't grote arbeidsproces des Heeren ligt er een machtig perspectief. Mijn arbeid niet ijdel in de Heere.

(Benschop)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's