VERSLAG
van de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond gehouden op 10 mei j.l, in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.
De voorzitter opende de vergadering en ging voor in gebed.
Hij herdacht het erelid van het hoofdbestuur Generaal L. Duymaer van Twist, die in Augustus 1961 overleden is. Veel heeft deze gedaan voor onze gereformeerde bond. Een minuut stilte werd in acht genomen.
Men zong samen Psalm 35 : 1.
Voorgelezen werd Psalm 108.
De voorzitter sprak een inleidend woord:
M. Br.
Vorig jaar heb ik gesproken over de wenselijkheid om ons te onttrekken aan het isolement, waarin we allengs zijn gedrongen. Haastig is men in middenorthodoxe kring bereid geweest ons verkeerd te verstaan en te concluderen, dat we ons kerkelijk standpunt zouden wijzigen in de geest van hen, die de nieuwe koers varen. Dat is niet het geval geweest. Het lag heel anders en dat heeft men ook wel begrepen uit ons wederwoord.
Aangezien het gaat om de richtige nakoming van onze statuten, met name van art. 4, dat handelt over „grondslag en doel", gaan we ditmaal nog eens nader op de zaak in.
Wat ons isolement betreft, eerst een opmerking. Als we de gebeurtenissen sedert de tweede wereldoorlog nagaan, moeten we erkennen, dat we hand over hand in een kerkelijk geïsoleerde hoek zijn terecht gekomen.
De kerkelijke behandeling van het ontwerp kerkorde heeft er niet toe bij gedragen, dat onze bezwaren zijn weggenomen of ook maar ten dele verlicht, zodat wij van meet af in de oppositie werden gedreven. Ik noem slechts de uitdrukking „in gemeenschap met de belijdenis der vaderen", en ons vergeefse pleidooi voor: „in overeenstemming met". Daartegen werd beweerd, dat in gemeenschap dezelfde zin had. De ervaring heeft geleerd, dat men op zeer fundamentele geloofsstukken, ik noem het Schriftgezag, de leer der verkiezing, die „gemeenschap" zó rekkelijk neemt, dat men de remonstranten van weleer reeds is voorbijgestreefd.
Verder wijs ik op de toelating der vrouw tot de kerkelijke ambten. Ondanks onze inspanning om voor onze Schriftuurlijke overtuiging op te komen, ondanks het feit, dat er aanvankelijk geen meerderheid in de classes voor te vinden was, ten spijt ook van de uitslag der eindstemming met de kleinst mogelijke meerderheid plus één stem, is men toch maar in deze weg doorgegaan. Het vermaan van de Synode om met ons bezwaar te rekenen in de kerkelijke praktijk wordt door sommigen wel in acht genomen, maar de negatie daarvan brengt vaak ongewenste ergernis en moeilijkheden te weeg.
De wijkkerkeraden en geografische afpaling der wijken kunnen mogelijk passen in een rooms systeem, maar de zelfstandigheid van de (plaatselijke) gemeente, die wij naar gereformeerde orde voorstaan, het hart van een presbyteriale kerkorde, komt in dit stelsel niet tot zijn recht. De huidige regeling slaat de gereformeerde belijders uit elkander en is oorzaak, dat de zorg voor een regelmatige dienst des Woords dikwijls te wensen overlaat met name in de grotere plaatsen. Vele trouwe kerkgangers zoeken een toevlucht in andere kerken, of in naburige gemeenten.
Wat zal ik voorts zeggen aangaande de methode van allerlei nieuwigheden. Nieuwe formulieren, nieuwe psalmberijming, nieuwe vertaling van Oud- en Nieuw-Testament, verre van alles in acht te nemen, wat bij een behoorlijke kerkelijke voorbereiding en invoering of afstelling behoort te geschieden, maar in de vrijheid der 'kerk te stellen, waardoor de eenheid en gemeenschap in de Dienst des Woords te loor gaat?
Genoeg om ons even helder voor de geest te roepen, dat wij in een benauwde hoek zijn gekomen. Het is alleen jammer, dat velen het niet zien en gevoelen, omdat ze de „waarheid nog op de kansel hebben" en niet verder rondblikken dan de eigen vertrouwde situatie.
Kijk, m. br., dat alles bedoelden we met ons isolement. Voor anderen gelden we, zoals ons onlangs nog eens weer verweten werd, voor nare neenzeggers, als waren we nukkige kinderen gelijk, die uit louter verveling en balstorigheid niets willen van al hetgeen waarmede de anderen zo druk zijn en menen de kerk en de wereld tegelijk te dienen.
Het moet ons in die hoek te benauwd worden. We moeten niet tevreden zijn met een plekje, waar we naar de eis van ons Christelijk geloof niet ademen kunnen. We moeten niet afhankelijk zijn van kerkregeerders en inzettingen, die de kerk maken tot een instituut van eigen makelij en experiment, We zijn waarlijk geen gehoorzaamheid schuldig aan inzettingen, die klaar en duidelijk in strijd zijn met Gods Woord. Ik weet wel, dat ik met dit zo uit te spreken, een beroep doe op uw persoonlijke verantwoordelijkheid, dat door onze kerkelijke tegenstanders als revolutionair zal worden uitgemaakt. Dat behoeft u zich echter niet aan te trekken, want revolutionair is alles, wat tegen Gods Woord ingaat en zich daarboven verheft.
We zijn helaas, te zeer gewoon geworden aan de kerkelijke revolutie, die zich geruisloos voltrekt onder het motto: „dienst aan de wereld". Zo zeer gewoon, dat sommigen onder ons ook al sproken van modaliteit ten aanzien van de gereformeerde richting, klaarblijkelijk onbewust van het voor een man van de belijdenis onaanvaardbare van die uitdrukking.
Modaliteit in de gebruikelijke „Hervormde zin, let wel, gaat uit van de grondstelling, dat eigenlijk niemand de waarheid heeft, bij niemand de waarheid is of kan zijn, zodat ze alle ten aanzien daarvan tasten als blinden naar de wand. Vandaar dan ook de praktijk ener verdraagzaamheid van rechts tot links, een verdraagzaamheid, die haar gemakkelijkheid en soepele praktijk dreigt te verliezen, als het de gereformeerde richting geldt. Wij worden daaraan op het terrein van het organisatorische en bestuurlijke leven — bij wijze van spreken — dagelijks herinnerd.
En de Hervormd-gereformeerde richting bedoelt en begeert toch niets anders dan de belijdenis der reformatoren, nog altijd de officiële belijdenis der Ned. Herv. Kerk (vgl. art. X), in het persoonlijke en kerkelijke leven als norma normata te eren en als richtsnoer aan te leggen.
Met die belijdenis ontvangen wij de Heilige Schrift voor heilig en kanoniek om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. Wij geloven met Calvijn en zijn geestverwanten, dat aan de Schrift volledig gezag bij alle gelovigen toekomt, evenalsof de levende stemmen Gods door haar gehoord worden, omdat zij geloven, dat de Schrift uit de hemel is voortgekomen, omdat het de Heere heeft goedgedacht door haar Zijn Waarheid tot een eeuwige gedachtenis te doen voortleven" (Inst. I.7.I.).
Het kan duidelijk zijn, dat dit geloof vierkant indruist tegen de leringen van de moderne nieuwlichters, die de speculaties der z.g. nieuwe „theologie" volgen, als van Karl Bartb, Emil Brunner, Rudolf Bultmann.
Ofschoon deze theologen door andere wijsgerige beschouwingen zijn beïnvloed dan bun voorgangers in de negentiende eeuw, de door hen voorgestelde methoden van Schriftbeoordeling zijn waarlijk" niet minder intellectualistisch van aard en onaanvaardbaar voor allen, die uit het reformatorisch geloof leven en begeren Ie leven.
Verschilt Brunners standpunt ten aanzien van het goddelijk Schriftgezag, praktisch genomen, niet zozeer van de ethische beschouwing in de vorige eeuw, ook Bultmann's z.g. „Entmythologisierung" komt uit bij de resultaten van de rationalistische kritiek van de negentiende eeuw. De dialectische, ja-en-neen-methode van Karl Barth, beeft ondanks de drievoudige gestalte van het Woord Gods, of mogelijk juist daardoor, welke hij leert, de reformatorische belijdenis aangaande het gezag der Heilige Schrift in zijn volstrekte betekenis in geen mindere mate dan zijn kritische leermeesters ondermijnd en 'n behandeling van de „Kerkelijke" dogmatiek gegeven, die de echtkerkelijke geloofsleer in al haar delen op losse schroeven heeft gezet.
Dit alles schaadt het waarachtig geloof niet, doch het is een oorzaak van grote schade voor bet kerkelijk leven, wanneer de regerende instanties en personen onder invloed van deze theologische speculaties de kerk willen reformeren naar het patroon, dat zij daaruit menen te kunnen componeren.
Deden ze dat nu maar op een radicale manier, dan zouden de mensen beter kunnen verstaan, wat er in de kerk bezig is te geschieden, maar dit is juist niet het geval. Eigenlijk is de meerderheid in de leiding der kerk het wel eens met Karl Barths-theologie. Sommigen welbewust, omdat ze inderdaad kennis genomen hebben van een en ander, anderen, omdat zij nu eenmaal de heersende mode plegen te volgen in dergelijke dingen en weer anderen, omdat ze in de grond der zaak niet weten, wat ze doen. Wat dan die toonaangevende leiding betreft, deze zoekt de reformatorische belijdenis der kerk met de nieuwe theologie te verenigen.
Zij willen van de kerk een mixer maken van reformatorische rechtzinnigheid en nieuw-theologische buitensporigheden. Wat er dan uitkomt, doet nog wel orthodox aan voor wie op de klank afgaat, men handhaaft de kenmerkende termen als Woord Gods, uitverkiezing, genade, — zonde, ellende en oordeel verdacht spaarzamenlijk — doch op de keper beschouwd, naar de innerlijke zin en betekenis, is de kern van de bijbelse leer daar uit verdwenen om plaats te maken voor een onbijbelse speculatie.
Het komt ons wel voor, dat b.v. het laatste geschrift van de synode over de uitverkiezing — een sprekende illustratie van zulk een mixtuur — als een proeve — en mogelijk nog een zeer wel geslaagde — wil gezien worden van wat men op het oog heeft, als men spreekt van „opnieuw" belijden (kerkorde art. X). Het komt ons ook voor, dat degenen die de gemeente in deze geest willen opbouwen, in de mening verkeren, dat ze op die wijze in de „gereformeerde lijn blijven. Men kan toch niet aannemen, dat deze „kerkhervormers" opzettelijke misleiders zijn. Zij mogen dan ter goeder trouw zijn en het er voor houden, dat ze Gode en de wereld een dienst bewijzen, maar, indien de gemeenschap met de belijdenis der vaderen, waarvan de kerkorde gewaagt, zulk een spel met de meest fundamentele geloofsstukken toelaat, en voor gereformeerd houdt, vragen we ons af, hoe bet dan wel met de gemeenschap des geloofs moet staan.
Want geloven is de levende kracht en inhoud van het belijden. Geloven is de ziel van het belijden, belijden de expressie van die levende kracht en inhoud. Waar gemeenschap is in levend geloof daar is gemeenschap in belijden en die gemeenschap concentreert en openbaart zich bet allermeest in de centrale stukken des geloofs. Indien men in deze centrale stukken afwijkt, moet dit aIs een zeer bedenkelijk teken worden beschouwd.
Waar gaat de kerk heen, als ze het goddelijk gezag der Heilige Schrift relatief stelt?
Het is voor de relativerende geesten van zelf geen argument, als we wijzen op Christus' woorden omtrent de Heilige Schrift, want die woorden hebben voor dezulken a priori geen absolute waarde. Over de apostelen en profeten behoeven we dan niet meer te spreken. Wat blijft er dan over, dat in absolute zin als Waarheid kan gelden?
Iets, een denkbeeld, een idee van wat men absolute waarheid zou willen noemen, wordt problematiek in Kantiaanse zin, hetwelk er mogelijk wel is, maar niet kan gekend worden in deze wereld van experiment en ondermaanse logica.
De dingen, waarover profeten en apostelen spreken, die op een hogere werkelijkheid betrekking willen hebben, vallen alzo onder de relatieve beschouwingen van de problematische waarheid en worden object van wijsgerige speculatie. Dit spel wordt aangedreven en in stand gehouden door religieuse gevoelens en filosofische bedilzucht.
Maar de kerk kan daarvan niet leven. Zij leeft uit het Woord Gods, omdat in de kennisse Gods haar leven is. Wie het gezag van de Heilige Schrift relativeert, tast de vitaminen aan, ontledigt de spijze des Heeren van geestelijke kracht, en neemt uit de kerk weg, wat haar tot kerk maakt. Het past bij deze relativerende tendens om een wit-zwart-tekening te haten, maar de Heilige Schrift zegt, dat de waarheid met de leugen geen gemeenschap kan hebben. Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij en doen de waarheid niet" (1 Joh. 1:6).
Zo ook de Heilige Schrift, zij is overeenkomstig de belijdenis van de Kerk der eeuwen Gods Woord, of zij is het niet. Zij is naar het Woord van Hem, die Zich de Waarheid noemt, een eenheid, de Schrift, die niet gebroken kan worden, door de Geest Gods geschapen, of zij is het niet. En wat ze dan wel zou kunnen zijn naar het oordeel der wijsgeren, historie- en taalgeleerden is van weinig waarde meer en behoort bij al het andere, dat voorbij gaat. Van halfheid en twijfel kan de kerk ook niet leven.
Om al deze redenen moeten we de moed hebben om te zeggen, dat het naar onze diepste overtuiging verkeerd gaat. Wie slechts een grein van geloof heeft en iets van de waarheid der Schrift verstaat, moet dat niet alleen zeggen, maar getuigen en allen, die slechts enigszins deelnemen en deelhebben of geinfluenceerd blijken te worden door de relativerende beweging, waarschuwen en vermanen om daarvan af te laten en een kerk voor ogen te hebben, die een pilaar en vastigheid der waarheid is (1 Tim. 3 : 15) en niet een vergadering van onzekerheden en een tempel van wijsgerig-theologische speculaties.
Over het isolement en zijn aanleiding voor het ogenblik genoeg. Maar wat moeten we dan?
Laten we ons Statuut er eens op na lezen. Art. 4. Grondslag en doel:
De vereniging heeft ten doel, naar uitwijzen der Heilige Schriftuur, opgevat in overeenstemming met de 3 Formulieren van Enigheid, laatstelijk vastgesteld op de Nationale Synode te Dordrecht in 1618-1619 gehouden, te arbeiden tot verbreiding en verdediging der Gereformeerde Waarheid in het midden van de Nederlandse Hervormde (Gereformeerde) Kerk, om mede daardoor te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepe val, en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar van ouds door de Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtse Kerkorde van 1619.
Verbreiding en Verdediging. Ten spijt van sommige sombere geesten, die menen, dat de Bond niets doet, kom je toch tot de conclusie, dat er nog al wat gebeurd is in de loop der jaren, als je je aandacht daarbij bepaalt. Verbreiding der Waarheid. denk eens aan de predikanten die van week tot week in de samenkomst der gemeenten het Woord bedienen, aan de catechisaties, huisbezoeken, lezingen en preken door de week , in en buiten hun gemeenten, aan zovele evangelisaties, aan onze jeugdbonden, mannenbonden, zendingsbonden, zondagsscholenbond.
Dat is toch een heel stuk verbreiding en verdediging der Waarheid. Neem dan onze kerkelijke actie, rapporten en kritieken, besprekingen met de officiële kerkelijke instanties, brochures en uitgaven van de verschillende besturen en medewerkers van onze bonden. Dat is waarlijk niet gering.
En toch! Gelet op de kerkelijke ontwikkeling na de tweede wereldoorlog is er aanleiding voor de verzuchting, dat er weinig kracht van ons uitgaat. Met name, wat betreft onze kerkelijke positie.
Het geloof overwint de wereld, dat geloven we en weten we ook wel, maar we zijn nog niet bij machte om een krachtige kerkelijke strijd te voeren in het geloof: „Zo de Heere met ons is, wie zal tegen ons zijn".
Er is dus alle reden tot bezinning en zelfonderzoek. Is onze aanpak niet de juiste? Is er een ban in het leger? Zijn er dingen, die we niet zien?
Het Hoofdbestuur is reeds langer dan vandaag bezig met deze vragen en beijvert zich, bijgestaan door enige commissies in bezinning en onderzoek en in het vinden van middelen en wegen, die kunnen leiden tot bevordering van onze statutaire doelstelling, want daarom gaat het toch.
Nu lezen we weer verder: „uit haar diepe val" en „tot weder verkrijging enz."
Dat is uiteindelijk de doelstelling, welke de oprichters van de Geref. Bond op het oog hebben gehad en eerlijk gezegd is dat bij ons wel wat weggezonken, 't Staat niet op de voorgrond. Integendeel ten aanzien van de wederopleving van de Hervormde Kerk op basis van de Drie Formulieren van Enigheid d.w.z. uit kracht van hetzelfde geloof, dat de reformatoren bezielden, heerst onder ons een gemoedelijk defaitisme.
Ik ga nu niet alle narigheden, strijd en moeite te berde brengen, die dikwijls op onze bestuurstafel komen uit de gemeenten en uit de evangelisaties. Wij kennen het allemaal en als je huishoudelijk bij elkander bent, is het minder gezellig.
Er is echter één ding, broeders! Zou het misschien kunnen zijn, dat we in de geestelijke dingen wat erg zelfzuchtig zijn? De Waarheid op de kansel, een orthodoxe kerkeraad, rust in de gemeente. Wat wil men meer?
Zou het misschien zijn, dat we ons te weinig bekommeren om de ere Gods en wel wat erg gesteld zijn op ons kerkelijk gemak?
Wat zorgen maakt het ons, dat er nog zovele kansels zijn, vanwaar in plaats van het Evangelie als een kracht Gods tot zaligheid, ijdele bespiegelingen, loze klanken en onbeduidende zedepreekjes worden gehoord? Wat verontrust het ons, dat de kerk geregeerd wordt in een verkeerden zin? Dat Gods Woord wordt veracht, de dienst des Woords onteerd door menselijke inzettingen, de wereld gediend en men meer bezorgd blijkt te zijn over de „onontwikkelde gebieden", dan over de dingen, die des Geestes Gods zijn.
Als dat alles niet zeer doet en leed is, allereerst om de ere Gods en ook om de eis van Zijn Woord, wat zuilen wij ons dan beroemen op de kennis der waarheid? Zal deze niet tegen ons getuigen? Als God Zijn Woord aan ons toebetrouwt en gebiedt het te bewaren tot heil van ons en van degenen, die toegdbracht worden, en degenen, die ambtelijk belast zijn om naar het apostolische woord over de Dienst des Woords en de orde in de gemeente te waken, doen dat niet of niet met genoegzame ijver, zijn wij, die ons beroemen in ons Statuut op de belijdenis der vaderen en hun kerkorde, dan niet geroepen en verplicht deze dingen ter harte te nemen, Gods genade af te bidden en te doen, wat onze hand vindt om te doen, opdat onze vaderlandse kerk moge terugkeren tot de gehoorzaamheid des geloofs?
En als we als leden van de G. B. verenigd zijn op in ons Statuut omschreven grondslag en doel, — en nu lees ik nog eens — „om mede daardoor te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepe val, en tot wederverkrijging van haar plaats in het midden van ons volk, haar van ouds door de Heere aangewezen, verzaken we dan niet als bonders onze gemeenschappelijke taak, als we de kerk als geheel uit het oog verliezen en ons maar zo goed mogelijk beholpen in het hoekje, waarin we zijn aangeland?
Wat zouden de opstellers van de Statuten van ons zeggen, als ze de tegenwoordige gang van zaken konden waarnemen?
Het is daarom toch wel heel erg raadzaam, dat we elkander eens bij ons Statuut bepalen, en dat we het doel voor ogen houden en nastreven. Voorts behoeft het niet te worden gezegd, dat dit alles ook aan de kerkeraden wat te zeggen heeft en wij doen een beroep op allen, die hier tegenwoordig zijn en een kerkelijk ambt bekleden.
Sommigen zullen wel zeggen, dat dit reeds door de vaderen van de G. B. veel te hoog is gegrepen, laat staan in deze tijd van onkerkelijkheid en afval.
Volkomen gelijk. Als we het uit eigen kracht moeten doen, onbekwaam tot enig goed, laat staan om Christus' Kerk te bouwen. Doch het geloof overwint de wereld. We spreken elkander aan op het geloof, dat ons verenigt, het geloof der vaderen. En wat heeft dat geloof niet vermocht!
En als we in de kracht des geloofs elkander de hand reiken om deze grote zaak aan te grijpen, laten we het dan groot zien en ons niet verliezen in schermutselingen over kleine zaken in eigen kring en omgeving b.v. rhythmisch zingen of niet rhytmisch zingen.
Maar wat wel nodig is? Allerlei ban in eigen kring uit te werpen. Allerlei zelfzucht, eigenwilligheid, betweterij en daaruit voortkomende onenigheden afleggen en ter wille van de roeping die ons verbindt, zo veel mogelijk eensgezind saamwerken.
Vooreerst mogen onze zorgen gaan over de behartiging van de zuiverhouding van geloofsleer en geloofsleven, thuis, in onze omgeving, maar ook in onze Bondskring en in de kring onzer predikanten. Het blijkt telkens weer, dat in onze kerkeraden nog wachters op de muur worden gevonden, maar het gevaar voor insluipselen is er altijd en ook vandaag. Er zijn nu eenmaal mensen, vooral onder de jongeren, die bloot staan aan de verleiding van probeersels en experimenten, van praktijken, die men aanwendt om de afvalligen en onkerkelijken te trekken en die daarvan verwachting hebben. Dat ligt zo'n beetje in de weg der synthese van kerk en wereld.
Wij zijn echter overtuigd, dat er geen weg is om de kerk te vergaderen dan de zuivere prediking des Woords, d.i. prediking van het Woord, zoals de levende kerk dat verstaat en belijdt. Zo alleen kan de Dienst van het Woord dienst zijn: de prediker en de gemeente onder het Woord. De samenkomst der gemeente zij dienst des Woords, ook in de liturgie.
Dat is goed Dordts. De Synoden in de 16e eeuw hebben herhaaldelijk gewezen op de psalmen en de lofzangen, ook de Dordtse Synode van 1618-19 heeft aanleiding gehad er nogmaals over te handelen. Art. 69 van de Dordtse Kerkorde bepaalt uitdrukkelijk, dat in de kerken alleen de 150 psalmen, de met name genoemde Lofzangen zullen worden gezongen, en gezangen uit de dienst des Woords zullen worden geweerd.
Het kan zijn nut hebben op de laatste zinsnede van art. 4 te wijzen: „met vasthouding aan de Dordtse kerkorde van 1619". Er bestaat geen twijfel over, dat de vaderen van de Gereformeerde Bond o.a. ook en stellig in de eerste plaats op art. 69 hebben gedoeld.
Gezangen uit de dienst des Woords weren is statuut.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's