De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

12 minuten leestijd

De Persschouwer van het Herv. Weekblad „De Gereformeerde Kerk" trof in het orgaan van de Bond van Nederlandse Predikanten een ingezonden brief aan van 'n emeritus-predikantsvrouw, schrijvende aan een jonge predikantsvrouw, die het financieel blijkbaar niet te ruim heeft. We kunnen toch niet nalaten om op onze beurt weer een stukje uit die brief over te nemen uit dat persoverzicht in onze rubriek; zonder verder commentaar:

Je ziet dat niet goed, want in één adem ga je door over „deelnemen aan de genoegens die het leven biedt". Dat is de levenshouding van hen die „genot" en genoegens" verwarren met „geluk". En zulke mensen maken zichzelf, hun gezin en hun gemeente ongelukkig. Je kunt immers op twee manieren leven: aftrekken al maar „aftrekken" wat je mist en wat je graag had en wat je niet kunt enz. En je kunt ook „optellen", al wat je hebt en ontvangt en kunt en bezit aan zegen.

In 't eerste geval houd je eindelijk niets meer over en en 't tweede is de berg die je overhoudt groter dan je dacht. De levenssfeer is op die wijze helemaal vergiftigd (het blijkt uit je tussenzinnetje „hun kerkvoogdijen kennende!"). Toen we vlak na de eerste wereldoorlog trouwden, kregen we vele toeroepen. Allemaal 1500— 1800 gulden traktement. Zelfs een van ƒ 1200, —! Alles was toen ook peperduur en haast niet te krijgen. Ik herinner mij o.a. dat een wollen deken ƒ35, — kostte. Onze inrichting werd dan ook sober. Mijn vader zei tegen de dorpsgenoten, die het nog al wat vonden dat ik met een dominee trouwde: ze krijgt het slechter dan een boerenarbeider. En dat was ook zo. Maar wij waren gelukkig en wij wisten het toch, toen wij dit ambt aanvaardden? En we hebben er nooit spijt van gehad. Integendeel! Mijn man noemde mij vaak zijn „onbezoldigde hulpprediker!" Ook dat is een van de dongen waar de tegenwoordige dominees en hun vrouwen bezwaar tegen hebben! Ze noemen dat misbruik maken van de predikantsvrouw. Ik vind dat onredelijk. Is er iets mooiers dan samen te kunnen werken, voor zover je gaven en je tijd dat toelaten, aan het werk dat je in de gemeente mag doen?

In „In de Waagschaal" wordt in een tweetal artikelen de rede weergegeven die de heer B. Leenman gehouden heeft op een internationale conferentie over „Kerk en Industrie". Het is niet zo eenvoudig om in een kort bestek de strekking weer te geven van de massa warhoofderij die hier ons voorgezet wordt door deze leerling van de filosoof Rosenstock. De titel van de toespraak luidde: Kan de kerk de samenleving dienen?

Het betoog komt zo wat hier op neer: Het wezen van de Reformatie was, dat het persoonlijk Ik geboren werd uit de omwikkeling van het stamverband. De Reformatie heeft dit zelf niet zozeer vermoed, maar gelukkig heeft de heer Leenman het achteraf nog ontdekt en het alsnog wereldkundig gemaakt. De Reformatie beleefde de doorbraak alleen maar als een strijd om de rechtvaardiging door het geloof alleen. Maar in dit kleed deed God een nog verborgener werk. De IK-zeggende, de zelf vragende mens „werd door de Reformatie beroepen." Als men dat maar eenmaal door heeft, worden allerlei dingen terstond duidelijk. Luther vroeg immers ook al: Hoe krijg IK een genadige God? De roomse kerk beeft dat in de dagen der Reformatie helemaal niet begrepen; ze heeft deze naar buiten trekkende kinderen niet als haar kinderen herkend en daarom is die kerk toen niet aan zichzelf gestorven en daaruit opnieuw opgestaan.

En thans komt het er maar op aan, dat we als kerk verschrikkelijk oppassen, want we staan namelijk op het ogenblik weer voor zo'n zelfde wending in de geschiedenis. De tijd van de IK-dragers is aan het voorbijgaan. Het tijdperk van het WIJ is aan het komen, de Samenleving wil geboren worden. En dat brengt met zich mee, dat we afscheid moeten nemen van de God van de Kerk en van de Reformatie en van het Christendom. We moeten wachten op de komende Heer, die telkens in een andere gedaante aan ons verschijnt. Maar Hij verschijnt slechts door de Godverlatenheid der zonde heen. Die verliezen in zulk een uur het oude vertrouwde Aangezicht. Maar evenals Luther moet men het aandurven om deze verlatenheid binnen te gaan en de „God van de Samenleving" te ontmoeten Die groter is dan de overgeleverde God der vaderen.

Mocht iemand nog menen dat het gezin dan wei de kleinste en innigste vorm van samenleving zou vormen, die vergist zich en begrijpt er niets van. Tot in het walchelijke en weerzinwekkende toe worden we daarover ingelicht:

Een tijdperk is voorbijgegaan. Onder de tijdboog der Reformatie gold de stem van de huisvader. Hij stond er als ambtsdrager. Hij wist zich toeroepen. Zijn arbeid was zijn beroep, ook al was hij daarin met vanzelfsprekendheid zijn vader opgevolgd. Hij was de Wirt van zijn Wirtschaft, de econoom van zijn oikos, zijn huis. Van dat huis was hij tevens de priester. Zo kan hij als priester van zijn huisgemeente de Naam des Heren aanroepen, en als toeroepen econoom van zijn oikos die Naam over het leven uit-roepen. In zijn huisgemeente had hij „Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde." Dan stond hij op in zijn toeroep, en verleende des Vaders wil zijn handen, opdat deze wil op aarde ook geschieden kon. Zó was hij een IK. Op de roep Gods kon hij met zijn beroep antwoorden: Hier toen ik, Heer!

Dat kan de moderne mens niet meer. Vermag hij in zijn gebed nog Ik te zeggen, in zijn arbeid is hem dat uit handen genomen. Zo gaat zijn aanroepen van de Naam niet meer gepaard mat het uitroepen van de Naam. De gevouwen handen van de geroepen huisvader verloren in de beroeploze functionaris van de moderne tijd het verband tot de handeling. Zo moest het gebed van de Ik-zegger verkommeren in het leven van de moderne mens.

De moderne mens ervaart zich als een WIJ, zonder dit WIJ verlossend te kunnen uitroepen. De voormalige beroepsdrager is verdwenen. En met hem verdween het gezin. Het huis, met zijn eigen economie, waarin de mens van de Nieuwe Tijd zijn ambt van econoom bekleedde, verdween. Het heeft twee kinderen te vondeling gelegd: de Naamloze Vennootschap van de Industriële arbeid, en de étagewoning van de moderne Samenleving. Het gezin is verdwenen. Geslachtsverkeer tussen broer en zuster komt in Amerika en Zweden al veelvuldig voor. Zolang het gezin er was, waren broer en zuster geslachtsloos voor elkaar. In het gezin konden zij elkaar niet geslachtelijk zien. Het zou een waarnemen buiten het eigen leven zijn geweest. Niemand kan waarnemen wat het eigen leven toebehoort. Pas dat wat buiten het eigen leven kwam te staan, vermogen van waar te nemen. Het gezin moest sterven toen de eenheid van aanroep en uitroep van de Naam uit zijn midden week. Sindsdien kunnen broer en zuster elkaar geslachtelijk zien; het beschermende kleed, het gezin, is weggevallen.

„ Met instemming willen we iets overnemen uit het commentaar dat prof. Bakker op dit alles geeft in een uitvoerig artikel in het „Gereformeerd Weekblad" (Kok):

Zonde is hier niet meer verzet tegen God, maar verzet tegen deze toekomst, die zichzelf openbaren wil en geen gehoor vindt. Zonde is: de wereld niet zien, zoals ze wil en zal zijn, nl. als Samenleving. We zouden willen vragen: waarin is dit structureel anders dan het communistische zonde- en waarheids-begrip. Ook daar de erkenning, dat de reactie krachtens haar aard („als zodanig") blind moet zijn voor de openbaring, die vanuit de komende werkelijkheid op haar afkomt. Ook daar de verzekering, dat zonde niets anders is dan reactie. Zoals Gollwitzer vertelt, dat voor de-communisten daarom een grijze of zwarte wand wit is, omdat ze eenmaal wit zal zijn en wie deze openbaring niet gelooft is een uitgeworpene.

Wij menen, dat we hier met een uiterst gevaarlijke visie te doen hebben. Gevaarlijk, omdat o.i. iedere normering aan deze openbaring ontbreekt en omdat elk argument, dat ertegen wordt ingebracht, afgewezen kan worden met een beroep op de blindheid, die allen wel bevangen moet, die nog in hun oude voorstellingen bevangen zijn. Gevaarlijk, omdat de kerk reeds té vaak haar tol heeft moeten betalen, als de „Sprekende gebeurtenissen", de „nieuwe wereld", die aanbrak haar als het uur der openbaring werden voorgehouden. Bovendien wordt de ontmoeting tussen kerk en indiustrie hier ten enenmale onmogelijk gemaakt, omdat het gesprek tussen beide onmogelijk verklaard wordt nog voordat het begon.

We mogen de man, die voor onze kerken voor dit werk aangesteld zal worden wel alle sterkte toewensen bij zijn taak, die door opvattingen als deze zeker niet gemakkelijker zal worden.

In een tweetal artikelen gaat prof. H. Ridderbos in hetzelfde „Geref. Weekblad" in op een artikel van ds. H. A. L. V. d. Linden over „Vragen rondom Genesis en de natuurwetenschappen". De visie van deze schrijver op Gen. 1—3 komt in het kort hier Op neer: Hij maakt onderscheid tussen „historie" en „geschiedenis". Met „historie" wordt dan bedoeld, dat wat echt gebeurd is en wat men dus wetenschappelijk kan onderzoeken en nagaan. „Geschiedenis" is daarentegen het Handelen Gods in deze wereld, dus kort gezegd: de realisering van het goddelijk heilsplan. Zodoende kan ds. v. d. Linden in zijn artikel schrijven, dat als zijn catechisanten hem vragen stellen over het ontstaan en de oorsprong van het menselijk geslacht, hij antwoorden kan: Wanneer ooit werkelijk bewezen wordt, dat de mens van het dier afstamt, dan verandert dit totaal niets in ons geloof. En toelichtend voegt prof. Ridderbos daar dan aan toe: Immers in die afstamming gaat het over onze „historie", maar in ons geloof om onze „geschiedenis". In zijn kritiek op deze opvatting stelt prof. Ridder­bos o.a. deze indringende vraag:

Gaat het nu in Gen. 2 en 3 al dan niet om de „geschiedenis" van de historische eerste mens? Of gaat het hier om de „geschiedenis" van „de" mens, zonder nadere „historische" kwalificatie? Maar indien — zoals het schijnt — het laatste het geval is, op wie heeft dan de oorspronkelijke goedheid van Gods schepping betrekking en wie is dan de drager van het ongeschonden beeld Gods (geweest)? Als dit alles niet de eerste mens geldt, van wie geldt het dan wel? En valt er dan nog van een eenmalige zondeval te spreken als beslissende wending in het menselijk geslacht? Of is dit een algemene kwalificatie van de boosheid van het menselijk geslacht en is aan de paulinische gedachte van het schuldig staan van allen in Eén (Adam) en aan het dogma van de erfzonde geen „historische" zin te verlenen? Immers: als het begin van het menselijk geslacht „historisch" volkomen zoek is en ons daarover ook in Gen. 2 en 3 geen feitelijke mededelingen of openbaring worden gedaan, waarop zou dan de geschiedenis van Gen. 2 en 3 anders betrekking kunnen hebben dan op het fenomeen mens en niet op de eerste mens?

Op de achtergrond van deze gedachtenwisseling staat natuurlijk steeds Assen 1926. 'Hoe kan men de uitspraken van deze Synode handhaven en aan ds. v. d. Linden alleen maar belangstellend enkele vragen stellen?

Met een enkele korte opmerking maakt prof. Ridderbos zich in het voorbijgaan van dit probleem af, en dat op een wijze die ons volledig onbegrijpelijk is. Hij begint met op te merken dat deze verklaringswijze (van ds. v. d. L.) niet overeenstemt met wat in Assen toen uitgesproken is. Maar, zo gaat prof. Ridderbos verder, de opvatting van ds. v. d. Linden is niet gelijk te stellen met hetgeen indertijd door dr. Geelkerken e.a. is gesteld. Deze laatste trok op incidentele punten de historiciteit van het para-dijsverhaal in twijfel, maar kwam niet tot een integrale her-interpretatie van de eerste hoofdstukken van Genesis. Nee, dat is ook zo, maar wat dr. Geelkerken op incidentele punten deed, dat doet ds. v. d. L. met het hele verhaal; nee, die is inderdaad heel beslist niet halfslachtig op dit punt. Of neemt prof. Ridderbos hier nu ineens wèl de onderscheiding tussen „historie" en „geschiedenis" voor z'n rekening, die hij even verder met zoveel woorden afwijst? En is het dan ook zo dat dr. Geelkerken op incidentele punten zowel de historie alsook de geschiedenis van het paradijsverhaal in twijfel trok, terwijl ds. v. d. Linden dat alleen maar doet met de historie van het hele paradijsverhaal? En als dat allemaal zo is, dan nog vragen we mèt prof. Ridderbos: als ds. V. d. Linden de historie van Gen. 2 en 3 naar het gebied van de oosterse mythe verwijst, wat blijft er dan nog over van de geschiedenis van dit bijbelgedeelte?

Ds. F. J. Pop is van een koude (oecumienische) kermis thuisgekomen. Hij bezocht een congres van de theol. faculteit van de r.k. universiteit te Nijmegen. In „Woord en Dienst" geeft hij z'n indrukken weer die hij daar opgedaan heeft:

Ik kreeg voortdurend sterker het besef, dat wij in hun denken niet voorkomen. Wij. Wijken hun niets te zeggen te hebben en zij missen het orgaan ons te kunnen horen. Naar leer en leven zijn wij binnen hun wereldkatholicisme een te verwaarlozen grootheid of kleinheid. Voor mij was dit congres de beleving van een wereld, die ik zo nog niet kende. Natuurlijk wist ik tevoren wel wat af van de theologie, die hier bedreven werd, maar nu had ik er een lijfelijke aanraking mee. En die was pijnlijk en onaangenaam. Ik ontdekte in Nijmegen een volkomen gesloten wereld, zonder oog, oor en hart voor wat elders gebeurt. Ik heb er naar zitten kijken, enerzijds geboeid, anderzijds verbluft en verbijsterd. Geboeid door de strijd, die zich binnen die wereld afspeelt, waarbij men elkaar scherpe kritiek niet spaart. Verbluft en verbijsterd, omdat het me steeds duidelijker werd, dat de reformatie voor deze mensen eigenlijk niet toestaat.

Dat laatste geldt m.i. ook ten opzichte van de Wereldraad van Kerken. Die komt in hun denken alleen voor in zover er een kans in zit, dat deze organisatie nog eens binnen het geheel van hun catholica een plaats zal krijgen. Voordien en zonder dit perspectief is de wereldraad voor hen een monster zonder waarde, dat in hun denk- en belevingswereld geen rol speelt, want een werkelijke gesprekspartner is voor hen alleen hij, die metterdaad deel heeft aan hun eigen papaal-episcopaal bepaalde religiositeit. Ik voel me door - dit congres behoorlijk op een afstand gezet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's