De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dienst des Woords

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dienst des Woords

7 minuten leestijd

Men onderscheidt tegenwoordig verschillende diensten in de samenkomst der gemeente: dienst der gebeden, dienst der barmhartigheid, mogelijk ook dienst des Woords, hoewel het woord „verkondiging" bij velen voorkeur schijnt te hebben voor wat de plaats van de prediking inneemt. Volgens deze methode, waarbij de dienst des Woords naar de verschillende onderdelen in evenzovele diensten wordt verdeeld, zou men ook het zingen der gemeente c.q. in de gemeente b.v. dienst des lofs kunnen noemen. Vergeten we dan niet de bijzondere nadruk op het avondmaal als een dienst met een oecumenische symboliek.

Wellicht zullen voorstanders van deze methode beweren, dat op deze wijze iedere dienst meer aandacht verkrijgt en daarmede beter tot zijn recht zal komen, naar men meent. De ervaring leert in ieder geval, dat de genoemde diensten allengs deel gaan uitmaken, van een soort liturgisch program, dat in de samenkomst der gemeente wordt afgewerkt.

Geen wonder, dat degenen, die aan de belijdenis vasthouden, van zulke liturgische diensten niets moeten hebben. Zij zien heel de dienst des Woords van uit een ander gezichtspunt: n.l. in overeenstemming met het rein geestelijk karakter der Christelijke religie.

Heel de samenkomst der gemeente is dienst des Woords. Het geloof dringt tot de samenkomst der gemeente. Het wil gemeenschap oefenen met Christus en Zijn gemeente in de dienst des Woords. Christus Zelf is door Zijn Woord, Geest en genade tegenwoordig in de samenkomst der gemeente. Want, waar twee of drie tezamen komen in Zijnen Naam, daar is Hij in het midden. Daar, waar het Woord recht gepredikt wordt, bedient Hij Zelf het Woord door Zijn Geest. Daarom ook is de samenkomst der gemeente maar niet een vergadering van mensen als zovele andere. Zij draagt een geheel eigen en bijzonder karakter, omdat Christus in haar midden is.

Christus gebiedt de prediking van het Evangelie, let wel, niet van theologische opvattingen, welke uit een boezem opkomen, die weigert de goddelijke autoriteit van de Heilige Schrift te erkennen, die Christus en Zijn apostelen daaraan toekennen, maar van het Evangelie als een kracht Gods tot zaligheid.

Hoe kan het Evangelie een kracht Gods tot zaligheid zijn anders dan, doordat Christus de prediking met Zijn tegenwoordigheid en Geest begeleidt? Hij toch is het Evangelie. Het profetische Woord is Zijn Woord. Dat Woord is de weg des Heiligen Geestes naar het mensenhart. Daarom moet dat Woord gepredikt worden. Het is de weg van de Heilige Geest naar het hart ook in de prediking, welke Hij gebiedt. Omdat Hij het gebiedt, is de prediking dienst, dienst van Christus, dienst des Woords, dienst van Zijn Woord. Door de prediking van dat Woord wil Hij Zijn gemeente vergaderen.

De prediker dient, de saamkomende gemeente dient, ze dient in het luisteren, in het bidden en danken en in het zingen, in de gemeenschapsoefening in Woord en sacrament.

En achter al dat dienen staat de grote Herder der schapen, die bidt voor degenen, die de Vader Hem gegeven heeft en voor degenen, die door hun woord geloven. Daarom is al dat dienen van mensen: saamkomen, prediken, bidden, danken, loven en klagen, luisteren en gemeenschap oefenen, alles bij elkander als mensenwerk op zich zelf niets. Het is een voorrecht bij deze dienst betrokken te worden, want het is een betrokken worden bij Gods akkerwerk, zoals de Schrift leert: „Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij" (1 Kor. 3 : 9). Enige verzen verder spreekt de apostel van Gods tempel: „Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont." (1 Kor. 3 : 16).

Als wij dat kerkelijk leven zo van buiten aanzien, is het, alsof we een groot bouwwerk aanschouwen, waaraan vele bouwlieden bezig zijn: gravers, betonwerkers, metselaars en timmerlieden. Die geen verstand van bouwen heeft, begrijpt er niet veel van. 't Loopt alles door elkander, rijdt af en aan, machines ratelen, men werkt met pompen en buizen, richt stijgers op, enz. Maar, die tekening en bestek gezien heeft bij de bouwmeester, kan op zijn aanwijzingen het gebouw uit all die wirwar zien oprijzen.

Wat is er veel aan zo n groot bouwwerk, dat tot het eigenlijke gebouw niet behoort, dat meer of minder gewichtige diensten vervult in de opbouw, maar dat verdwijnt, opgeruimd en zelfs verbrand en vernietigd wordt.

Wat is er veel en velerlei arbeid aan zo'n werk, waarvan de arbeiders zo straks, als het gebouw gereed is, niets terug vinden, omdat het niet behoort tot de materie van het gebouw. Doch ook, wanneer de bekwame hand van de vakman een stuk heeft ingemetseld, een deur gemaakt, een versiering aangebracht, wat betekent dat dan nog? Het is stukwerk.

Ondanks al die arbeid van zovelen is er slechts één man, die het bouwwerk heeft gebouwd. Dat is de architect. Joh. van Campen heeft het stadhuis van Amsterdam (het tegenwoordige paleis op de Dam) gebouwd. Al de namen der arbeiders zijn vergeten, behalve die van de bouwmeester. 

We gaan terug naar de Dienst des Woords. We zien al die dienaren bezig, ze maken hun werk gewichtig door de onderscheiding der diensten, trachten ze op te sieren met liturgische handelingen naar eigen smaak, op te smukken met bloemen en kaarsen, met allerlei middelen aantrekkelijk te maken voor onkerkelijken en jonge mensen, en betonen zich ondanks al hun inspanning en ijver slordig met het bestek van de Bouwmeester.

En die Bouwmeester is ook hier de Enige, op wiens Naam het Godsgebouw staat. Hij is ook hier de Enige, die bouwt en die verwerpt, al wat buiten Zijn goddelijk bestek valt.

Ook uit dien hoofde is het verstandig het voorbeeld van de reformatoren vast te houden. Zij hadden oog voor het geestelijk karakter van de christelijke religie, zij hadden eerbied voor het bestek en ontvingen de Heilige Schrift als het Woord Gods, zij verstonden de betekenis van de Dienst des Woords als de door Christus bevolen weg tot vergadering van de Zijnen onder de ontdekkende werking van de Heilige Geest, waardoor het als waarheid Gods wordt herkend en erkend. Christus de hemelse Bouwmeester door Zijn Woord en Geest.

Daarom zien zij de dienst des Woords onder de levendmakende adem van Woord en Geest, van goddelijke leer en geestelijk leven, d.i. door de Heilige Geest herboren leven. Zij hadden er geloof en oog voor, dat het waarachtige geestelijke uit God geboren is en dat de Dienst des Woords zo zij in de waarheid gefundeerd is, geestelijk, uit God geboren is. Zij zagen in alle delen de verborgen werkzaamheid van de Heilige Geest: in het getuigen, belijden, danken en bidden en ook in het zingen.

Typerend zijn de woorden van Calvijn aangaande deze zaak (Geneve 1534) om te verklaren, dat in de kerk alleen de psalmen Davids behoren te worden gezongen. „Immers, als we die zingen, zijn we er zeker van, dat God ons de woorden in de mond geeft, alsof Hij Zelf in ons zong om Hem te verheerlijken". Dat gaat dan terug op het werk van de Heilige Geest, die de psalmen heeft gegeven.

De kerken zijn aan dit beginsel trouw gebleven, ofschoon het ook in de 16e en 17e eeuw in ons land niet ontbrak aan mensen, die gezangen wensten te zingen en zongen. Alle Synoden in de 16e eeuw, die zich met deze zaak hebben bezig gehouden, hebben dan ook herhaald, dat men „alleen de psalmen van David zou zingen, achterlatende de gezangen, die in de Heilige Schrift niet gevonden worden." De Dordtse Synode heeft opnieuw aanleiding gevonden om over de „eenparigheid in het gezang" te spreken en noemde de lofzangen met name, die in de kerk gezongen mochten worden. Art. 69 der Dordtse kerkorde luidt als volgt:

In de kerken zullen alleen de 150 psalmen van David, de Lofzang van Maria, Zacharias, Simeon gezongen worden. Het gezang: O God, die onze Vader zijt, wordt in de vrijheid der kerk gesteld voor hetzelve te gebruiken of na te laten. Alle ander gezang zal men uit de kerk weren, en daar enige al bereids ingevoerd zijn, zal men dezelve met de gevoegelijkste middelen afstellen.

De Remonstrantse Synode van 1912 te Utrecht had n.l. een commissie benoemd om een bundel gezangen saam te stellen. Toen deze drie jaar later werd uitgegeven, wilde het volk, hoewel merendeels remonstrants, ze niet zingen. Dit deelt Voetius mee in zijn Politicae Ecclesiasticae. (I. p. 528).

Ook elders in ons land (Overijssel en het Noorden) werden gezangen gezongen. Vandaar de toevoeging om „dezelve met de gevoegelijkste middelen af te stel­len", d.i. af te schaffen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Dienst des Woords

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's