De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

12 minuten leestijd

In de kringloop der historie —'De Gereformeerde Bond en de „achttien" — Vergaderingen na Pasen — Typering van de Domstad.

Na de verschrikkingen van de Napoleontische tijden werd het herademend Europa gegrepen door een geest van verbroedering en streven naar eenheid. Dit streven kreeg gestalte in het dusgenaamde Heilig Verbond. De stimulator daarvan was de Tsaar aller Russen die in die dagen sterk onder de invloed was van een zekere Madame de Krüdener. Deze mevrouw Von Krüdener had in haar jongere jaren een zeer werelds leven geleid, doch was tot een zekere bekering gekomen, welke onder allerlei invloeden was doorgeweekt tot een zeer mystieke inslag van haar religieuse leven. Het bracht haar tot daden van barmhartigheid, tot een zich geven o.m. in de dienst der verpleging. Maar zij gebruikte ook haar contacten met de hoogste kringen tot propageren van haar idealen inzake verbroedering der volken, en kreeg met name op Tsaar Alexander een invloed, welke deze bracht tot het in het leven roepen van de Heilige Allianti, of het Heilig Verbond. Lang heeft dit Verbond de geesten niet gebonden. Maar het heeft zijn invloed gehad. Op meer dan één terrein. Ik noem er één: Een eenheidsstreven, dat vooral de éénwording van verschillende kerken wilde bevorderen, deed zich gelden in meerdere landen. Men verhaalt, dat in Keulen, als ik me goed herinner, in een optocht ter manifestering van het grote doel, een predikant, een pastoor, een rabbi, voorop liepen, om te demonstreren voor het ideaal. Dit eenheidsstreven werkte ook in ons land. Koning Willem I was er niet los van. En al kon hij niet alle kerken in een eenheidsband samensnoeren, — Ik zeg niet, dat hij zulks bedoelde — zijn invoering van het Reglement van 1816, de Synodale organisatie, had wel de uitgesproken bedoeling, dat de Hervormde Kerk vóór alles een eenheid moest zijn en blijven, desnoods met de sterke arm der overheid. Men denke slechts aan de dragonnades tegen de Afgescheidenen.

„Niets nieuws" zal men zeggen: „de geschiedenis herhaalt zich". En dan heeft men het oog op het eenheidsstreven, dat zich onder ons openbaart.

Nu herhaalt de geschiedenis zich, strikt genomen, niet. Wat geschied is, is voorbij. Maar er zijn wel telkens in de loop der tijden, soortgelijke verschijnselen. Men noemt dat een „cyclisch rhythme", — ik vond deze uitdrukking in een van de redevoeringen van prof. Visscher, — d.w.z. dat in de kringloop der historie aan elkaar verwante verschijnselen zich in een bepaalde regelmaat telkens weer aftekenen. Dat deed de Prediker zeggen, dat er „niets nieuws onder de zon is".

Het verschijnsel geldt ook wat naar voren komt als de volkeren opademen na druk en ellende van een totale oorlog. Zo was het rondom 1815, toen de Heilige Alliantie werd opgericht. Zo was het na 1918, toen de Volkerenbond werd afgekondigd. Zo was het na 1945, toen het statuut der Verenigde Naties werd ingesteld.

En een gevolg daarvan — want het gaat hier als wanneer een steen in het water wordt geworpen; de golvingen gaan uit over het hele watervlak — in onze dagen is wel het eenheidsstreven op kerkelijk gebied, over heel de wereld, New-Delhi zegt in dezen genoeg.

Dat eenheidsstreven beroert ook heel ons kerkelijk leven, en het wekt spanningen en reacties, waarmede alle kerken te doen krijgen. In ons eigen kerkelijk leven weten wij er alles van. De „werkende meerderheid" poogt alle verscheidenheden te persen in het keurslijf der eenheid, gelijk zij die ziet en als de enig ware verkondigt. Straks zal wellicht ook de vrijzinnigheid als erkende modaliteit worden aanvaard.

En wonderlijk, om die eenheid te manifesteren, verschijnen er in meerdere plaatsen erkende minderheidsgroepen, krachtens overgangsbepaling 238; alleen minderheden van herv. geref. structuur wordt geen of weinig ruimte gegund. Maar het eenheidsstreven uitgaande naar Rome is groot. Misschien zal de „koude douche", die ds. Pop bij de theologische faculteitsvergadering in Nijmegen ontving — men zie „Uit de Pers" in het vorig nummer van ons orgaan — ontnuchterend werken. Het is in elk geval maar goed, dat ds. Pop van Kerk en Wereld daarover schreef. Hem zullen degenen, die zo broederlijk over Rome zich uiten, misschien geloven.

Ook de gereformeerde kerken hebben haar moeiten en zorgen op dit gebied. Een reactie tegen wat daar werkt inzake mogelijke aansluiting bij de Wereldraad en toenadering tot de hervormde kerk, is het getuigenis der 64 aan alle kerkeraden verzonden. Deze groep wenst allerminst vereniging met de hervormden. Prof. H. Ridderbos, die in het Geref. Weekblad (uitgave J. H. Kok) van 18 mei j.l. de 64 nogal raak hun onkerkelijke weg heeft trachten duidelijk te maken, zegt niet ongeestig, dat het bij hem maar één parool is: „Wat voor deel hebben wij aan de hervormde kerk; naar uwe tenten o Israël". Dat zegt ten opzichte van hun gezindheid jegens de herv. kerk genoeg. Maar met dat al schijnt er groepsvorming in de gelederen der geref. kerken te werken. De leiders zijn er over in zorg. Ze denken aan wat er gaande was vóór en rondom de zaak-Schilder. Dat liep op de „schorsingen" uit, die tot het schisma der vrijgemaakten. Art. 31, leidden. En men is bevreesd voor een herhaling, zij het in andere vorm. Men zou ook hier dan van een cyclisch rhythme kunnen spreken. Daarom heeft ds. Kuiper van Sassenheim, de praeses van de Synode van Apeldoorn, op de jongstgehouden geref. predikantenvergadering in grote zorg over wat ik boven schreef, de suggestie gedaan, dat men als predikanten van alle stromingen, bijeen zou komen om alles rond en open te bespreken.

Uit aIles blijkt wel, dat ondanks het drijven naar eenheid, de gespletenheid verontrustend is. Er werkt in door een zich vergapen aan het zichtbare, de schijn, terwijl het wezenlijke dat verenigt, de Waarheid der Schriften, zeer in gedrang komt of dreigt te komen.

Op de jongst gehouden jaarvergadering van de Gereformeerde Bond — doordat ik met vakantie was kon ik niet aanwezig zijn — heeft ds. Boer gerefereerd over „Van kerken tot kerk". Het referaat zelf heb ik nog niet gelezen, — ik kreeg het eerst vanmorgen —, wel het verslag, dat me deugd deed. Ik hoop, dat deze jongste uitgave van de Waarheidsvriend door velen zal gelezen worden. Ze kan verhelderend en genezend werken. Want sympathieën voor de „achttien" worden ook onder ons gevonden. Wat ter grote vergadering op 26 mei in Utrecht zoal gesproken is, zal, als deze Kroniek onze lezers onder ogen komt, door hen uit verschillende verslagen wel enigszins be­kend zijn. Ik ben er niet geweest. De lust was er wel, maar.... ik las, dat men om een toegangsbewijs te kunnen krijgen, moest kenbaar maken met de mening van „de achttien" in beginsel in te stemmen. Dat was voor mij de barrière. Want deze actie ligt mij niet.

Ik vind trouwens de bepaling, waarvan ik sprak wel heel eigenaardig om niet een krasser woord te gebruiken. Wil men een gesloten eenheid, een phalanx van jongeren om de burcht der verstarden te nemen?

Ik heb bij het lezen van het bericht, — dr. Hommes schreef er over in het Ger. Weekblad - uitg. Kok, d.d. 18-5 - dat men om toegelaten te worden een betuiging van instemming moet geven, gedacht aan de dagen van 1886. Het waren de dagen der concentratie op de actie, die tot de Doleantie leidde. Kuyper had het kerkelijk congres uitgeschreven. Alom in den lande onder die belijders der geref. waarheid vond het sympathie. Ook dr. Hoedemaker was met het houden van dit congres het eens. In Sneek sprak hij in die dagen en wekte de Friezen op te gaan. Toen hij echter zich aan de congresdeur aanmeldde, bleek hem, dat hij, aleer toegelaten te kunnen worden, een verklaring — Kuyper had de zaak goed georganiseerd! — moest ondertekenen, welke hem dusdanig bond, dat hij dit met zijn consciëntie niet kon overeenbrengen. Zo nam hij geen deel aan het congres. In een brochure heeft hij daarna van zijn absentie ten congresse rekenschap gegeven. Men zou, gezien wat voor het congres, door de „achttien" belegd, met vergelijking van het in 1886 gebeurde, ook hier van een „cychsch rhythme" 'kunnen spreken.

Maar afgezien hiervan, het komt mij dwaas voor een dergelijke bepaling te maken ter bijwoning van de samenkomst. Men wil toch werven voor zijn streven? Er is in vele bladen en geschriften een propaganda gemaakt, die een voorbereiding voor gemeenteraads- of andere verkiezing zo niet overtreft, dan wel enigszins evenaart. Maar het zij zo. Oplaaiend enthousiasme dooft soms ook weer snel. Zal het hier ook zo gaan? We zullen afwachten. De ware eenheid van Gods Kerk is er ondanks alles toch. Ze is beleden in Artikel 27 van de Ned. Geloofsbelijdenis. Ze is gegrond in Christus' offer en Zijn bede voor Zijn Kerk.

Het bovenstaande was reeds geschreven en verzonden, toen in de pers een bericht verscheen van het voorbereidend comité van het congres, meldend, dat ook niet-medestanders wel toegang konden krijgen. Wezenlijk is daardoor naar mij voorkomt weinig veranderd. Op het congres zou geen „publiek debat" worden toegelaten. Het gesloten karakter bleef, ondanks dat de deur op een kier kwam, voor mijn besef gehandhaafd.

Na Pasen zijn in Utrecht weer verschillende vergaderingen gehouden van theologen en vrienden van de christelijke actie op verschillend terrein. Ik noemde reeds de geref. predikantenvergadering en de jaarvergadering van onze Bond. Ik had ook kunnen noemen de vergadering van de „Unie, een school met den Bijbel" en de samenkomst van de „Schoolraad" Ze Meerden beide gehouden in de week na Pasen. In de vergadering van de „Unie" nam prof.K. Dijk afscheid, na een voorzitterschap van 33 jaren. Ook in zijn laatste rede liet hij niet na op de gevaren, die ons christelijk onderwijs bedreigen, te wijzen. Toch kon hij getuigen van de vreugde, die ondanks alles, hem in de „Unie" zoveel jaren bereid was, door zich aan deze zaak te mogen wijden. De dag na deze vergadering, heeft hij een druk bezochte afscheidsreceptie gehouden, waarvoor veel belangstelling was, en vele goede woorden zijn gezegd.

„Unie" en „Schoolraad" hebben altijd mijn belangstelling gehad. Ze zijn voor mij getuigen uit een verleden van „Strijd en Zegen", van een eenheid op christelijk schoolgebied, die helaas thans — het heeft zijn reden gehad — is verbroken.

Ook de „Schoolraad" had een goede jaarvergadering. Prof. van Itterzon, de voorzitter, heeft een uitnemende openingsrede gehouden. Hij sprak over „Uitdaging en Antwoord". „Trouw", d.d. 27-4-'62, gaf de hoofdstrekking weer in het opschrift: „Christelijke school moet uitdaging van deze tijd goed beantwoorden". Ik neem de eerste zin uit het verslag van de rede hier over: „Ons Christendom in Kerk en organisatie loopt gevaar zo rustig gekanaliseerd te worden, dat het water des Levens niet meer stroomt, maar stil gaat staan en brak wordt en vervuilt door alles wat voorbijgangers in het kanaal believen te werpen." Ik meen, dat dit een scherpe typering is van de situatie van thans. En het was goed, dat prof. Van Itterzon zo de diagnose van de kwaal stelde, maar tevens de oproep deed horen van terugkeer tot de eerste liefde.

De Hervormde predikantenvergadering hield, na de Paasweek, haar 100e jaarvergadering. Op dit „eeuwfeest" hield prof. Dankbaar uit Groningen de jubileumrede, waarin hij in het licht stelde begin en groei van de Vereniging en tevens een beeld gaf van het karakter van de gehouden referaten, waarin zich weerspiegelde, wat op kerkelijk erf naar voren kwam.

De Domstad bleek ook dit jaar weer als vanouds „de stad onzer bijeenkomsten". Henk de Jong noemde Utrecht anders. In een interessant artikel in „Trouw", d.d. 14-4-'62, schreef hij over het thema: „Eens in iedere straat een theoloog". Hij verhaalde daarin, dat Utrecht van ouds een stad was, waarin voorheen in de binnenstad zovele theologen woonden: hervormde, gereformeerde, rooms-katholieken, oud-katholieken en dan de vele theologische studenten. Dat heeft aan Utrecht een bijzonder cachet gegeven van deftigheid en stijf­heid. Kuyper noemde Utrecht „de stad der zeven kerkhoven", voegde er aan toe — dat las ik niet in het stuk van De Jong — dat eigenlijk iedere der zeven torens een slaapmuts droeg. Erg vriendelijk was dit niet. Maar Kuyper was niet bijzonder op Utrecht gesteld. Het is dan ook begrijpelijk, dat, toen directeuren van de op te richten Vrije Universiteit, Utrecht als plaats van vestiging overwogen, Kuyper daar heftig tegen geadviseerd heeft.

De Jong vond aanleiding tot zijn stuk in het feit, dat het Wijkgebouw van de Herv. Kerk in de Boothstraat is aangekocht door de Universiteit, omdat het als wijkgebouw in de ontvolkte binnenstad geen zin meer heeft. Zo zullen verschillende samenkomsten o.a. die van „de vrienden van Kohlbrugge", van de Hervormd-Gereformeerde ambtsdragers en welke er verder vergaderden, naar een andere plaats van samenkomst moeten omzien. Maar wat er dan in het gebouw in de Boothstraat verandert, de steen in de muur, die vermelde, dat Nic. Beets daar tijdens zijn predikant-zijn en nadien gedurende zijn verder leven als professor en oud-hoogleraar woonde, blijft aan dat verleden herinneren. „Predikantenkerkhof" noemt de Jong tenslotte Utrecht en eindigt als volgt: „Dat is de kerkelijke glorie van Utrecht, ai tref je dit in geen enkele beschrijving van de stad aan. En loop dan nog even mee naar de Gansstraat, waar de begraafplaats Soestbergen ligt. Het grootste tbeologenkerkhof van Nederland. „Hier liggen hun lijken als zaden in 't zand", een heel apart soort „predikantenvergadering". Langs de zerken gaande tel je de namen van bijna honderd theologen. Des Amorfe van der Hoeven, Van Arkel, Cohen Stuart, Doedes, Gewin, Gravemeyer, Houtsma, N. de Jonge („'k Heb geloofd en daarom zing ik"). Klaarhamer, Marang, Van Oosterzee....

Wiens naam je hier niet vindt? Van Beets, De man, die bijna zestig jaar geleden zijn huis in de Boothstraat naar Soestbergen werd uitgedragen, heeft een naamloos graf begeerd. Het enig kenteken is een opschrift „God is mijn licht". Zo was in zeker opzicht het einde van de overvloedig bewierookte Beets beter dan zijn begin."

Dat is wel heel sober. Haast zo sober als Calvijn's graf in Geneve, dat geen enkele aanduiding heeft. Wat doet het er eigenlijk ook toe? Het grootste is, dat ons stof mag rusten in hope, tot de grote dag der Opstanding als Christus Zijn Kerk rondom Zich oproept om altijd met Hem te zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's