De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

12 minuten leestijd

In het Hervormd Weekblad De Gereformeerde Kerk van 17 mei vinden we de weergave van een referaat dat ds. J. Haitsma hield op een districtsvergadering van de Conf. Vereniging, onder de titel: Een kritische bespreking.

In dit referaat licht hij enkele uitspraken uit de statuten van de Geref. Bond en van de Conf. Ver., die handelen over het handhaven van de belijdenis der kerk.

Het blijkt hem dat beide verenigingen, G.B. en CV., het vasthouden aan de belijdenis in hun statuten hebben vastgelegd. Tot zijn verbazing bespeurde ds. Haitsma zelfs, dat de C.V. de statuten met een dergelijke bepaling er in nog weer opnieuw had laten goedkeuren op 23 juli 1952, na de invoering van de nieuwe kerkorde dus.

Achter deze bepalingen schuilt 'n onbijbels kerkbegrip, zo betoogt ds. Haitsma. Immers op deze wip.e wil men een kerk waarin alleen plaats is voor gelijkdenkende calvinisten; althans een kerk waarin het ambt van predikant alleen door gelijkdenkende calvinisten vervuld mag worden. En dat is toch onbijbels. Deze Uitvinding was trouwens al gedaan door ds. Volten die een dergelijk geluid deed horen in z'n briefwisseling die we onlangs hebben kruinen volgen in Woord en Dienst. Het is wel merkwaardig dat dit geluid opkomt juist in de Geref. Kerken, waar ds. Volten predikant is en waar ds. Haitsma, als ik me niet vergis, ook uit afkomstig is.

De beide weleerwaarde heren betogen dan, dat hier het kerkbegrip niet deugt, want op een onbijbelse wijze oefent men leertucht. In Hand. 20 : 29 staat wel dat de wolven geweerd moeten worden, maar, zo vragen beiden zich bezorgd af: Is Luther dan een wolf, en Spurgeon? Deze twee konden de 3 formulieren van enigheid niet ondertekenen; dus is daarom een bepaling van die strekking in de kerkorde ook uit de boze en getuigt van een onbijbels kerkbegrip. Jammer is, dat ds. Haitsma bij de kritische 'bespreking van de statuten van G.B. en C.V., ook niet z'n eigen kerkbegrip alsnog aan een kritische beschouwing onderworpen heeft. Hier worden de namen genoemd van Luther en Spurgeon. Mogen we er nog een paar willekeurige namen 'bij noemen? Zo maar een enkele; we zouden er natuurlijk nog tientallen aan toe kunnen voegen. Vindt ds. Haitsma Thomas a Kempis en b.v. Guido Gezelle twee verscheurende wolven? Niet? Dan is de reformatie niet alleen maar een vergissing maar ook vreselijke zonde; men heeft daar een onbijbels kerkbegrip geimporteerd. Hoe is het mogelijk dat men blijk geeft van hoogachting en waardering voor een mens, om dan meteen maar alle opvattingen en inzichten van die toch onvolmaakte mensen met huid en haar te slikken en dat voor de kerk, die toch de pilaar en vastigheid der waarheid heeft te zijn. Men heeft waardering voor Luther en Spurgeon en daarom moet er in de kerk ook ruimte gemaakt worden voor al hun meningen ook al druisen die in tegen onze eigen heilige overtuiging. Het gaat dan niet meer over de vraag van samenwerking en uitwisseling, maar we moeten dan uit de belijdenis weren al wat die ander (die dan natuurlijk wel z'n eindje vasthoudt) onwelgevallig zou zijn, zodat zij voluit de vrijheid moeten hebben om hun opvattingen openlijk te verkondigen. Degene die z'n belijdenis van alle struikelblokken gezuiverd heeft, moet dan ook z'n eigen overtuiging overboord zetten en prijsgeven, want anders wordt de gemeente verscheurd, in verwarring gebracht en verdeeld.

Zou Paulus z'n broeder Petrus ook voor een wolf aangezien hebben als hij hem in het aangezicht wederstaat en bestraft in aller tegenwoordigheid over z'n veinzen en het niet recht wandelen naar de waarheid van het Evangelie? (Gal. 2 vers 11—14). Of zou Paulus misschien de opvattingen en praktijken van Petrus aangezien hebben voor gevaarlijke wolven?

Nu de officiële documenten van de vergadering van de Wereldraad van Kerken in New Delhi zijn verschenen, wordt daar in de rubriek Kerkelijk leven in de Reformatie even aandacht aan besteed. We lezen daar o.a. in het nummer van 19 mei:

Maar nu het resultaat? Inderdaad: Wereldraad en Zendingsraad werden één en de basisformule werd verbreed en de oosters-orthodoxe kerken traden toe. Genoeg stof voor de „oecumenici" om over te juichen!

Het merkwaardige is echter, dat nu het opgeschroefde enthousiasme van de snel-journalistiek verdwenen Is, er blijkbaar een gevoel van onbehagen heerst. Zeker, New Delhi wordt in bescherming genomen, - maar tussen de regels door is iets te leizen in menig commentaar, dat alles toch wat tegenviel. En de documenten maken het begrijpelijk!

De rooms-geworden dr. Van der Linde, zelf ook in New Delhi aanwezig, spreekt in het eerste nummer van Oecumene, Katholiek tijdschrift voor oecumenische bezinning over „theologische oppervlakkigheid". Nu ja, een roomse, zal men zeggen. Maar dr. H. Berkhof spreekt in het februari-nummer van Wending eigenlijk niet anders: de secretaris-generaal, zo vertelt hij, heeft tweemaal met zijn persoonlijk gezag een beginnende discussie onderdrukt, omdat hij de éénheid dan gevaar zag lopen. Berkhof kan het verstaan, maar hij vraagt zich af: „is het nodig de Heilige Geest zó aan de hand te houden? "

Wij zouden zeggen: Neen, dat is niet nodig. Het is ook ongeoorloofd. Maar het tekent ook de weg naar de toekomst van de „oecumenische beweging" af. Want Visser 't Hooft probeert nu al een paar jaar „de Heilige Geest aan de hand te houden". Maar de paus is daar al anderhalf duizend jaar mee bezig. Is dus in de kunst verder (dénkt men). Vlucht in ieder geval niet in de oppervlakkigheid om de Geest geen al te gekke sprongen te laten maken. Als ik moest Wezen tussen Visser 't Hooft èn Joannes XXIII, dan de laatste; hij heeft voor het aan de hand houden van de Geest oudere papieren en meer ervaring.

In een artikel getiteld: Wat is er in het geding? schrijft prof. Brillenburg Wurth over vragen die uit het binnenland maar ook uit de zusterkerken in het buitenland telkens weer gesteld worden en die van een duidelijke verontrusting blijk geven.

We vinden het artikel in het Geref. Weekblad (Kok) van 18 mei. In die vragen spreekt men er z'n verbazing over uit, dat de geref. kerken tegenwoordig niet meer zo veel oecumenische sympathie hebben voor christelijk gereformeerden en voor gereformeerden in de herv. kerk, wat men in het verleden wel als de representanten der „gereformeerde gezindte" aanduidde, rmaar tegenwoordig gaat de sympathie van de geref. kerken veel meer in de richting van de herv. kerk en dan meestal juist in de richting van de zogenaamde „middenorthodoxie". Prof. Brillenburg Wurth kan begrijpen dat velen daar pijnlijk over verwonderd zijn en er hun verontrusting over uitspreken. Hij zegt zelfs dat er naar zijn gevoelen ook wel enige reden voor die verontrusting bestaat.

Uit het vervolg van het artikel menen we echter te moeten opmaken, dat het met die verontrusting bij prof. Brillenburg Wurth zelf erg hard meevalt. Het is voor hem juist een teken van geestelijk leven en actief-zijn. In deze voelt hij zich een echte zoon van Kuyper. Op de vraag waarom men maar niet Hever rustig in het oude spoor zal blijven voortgaan in plaats van een koers te kiezen waarvan men niet weet waar die in de toekomst ons brengen zal, geeft hij een antwoord dat zeer te denken geeft:

Daarop zouden wij tweeërlei antwoord willen geven. Vooreerst realiseert men zich wel, dat aan Kuyper in zijn dagen ook verwante verwijten gemaakt zijn als aan hen die in onze tijd kerkelijke en theologische vernieuwing voorstaan? Velen zouden goeddoen ook in deze nog eens de kerkgeschiedenis van het eind der vorige eeuw en het begin dezer eeuw te raadplegen. Zowel afgescheidenen gelijk Lindeboom als vrijzinnigen als Hylkema spraken destijds van Kuypers visie als van neo-calvinisme. En dat was niet helemaal uit de lucht gegrepen. Wat Kuyper gaf was maar niet een repristinatie van wat Calvijn of de gereformeerde vaderen van de zestiende en zeventiende eeuw gegeven hadden. Men leze nog maar eens zijn Stone-lezingen over „Het Calvinisme". Dat is Calvijn, maar in belangrijke mate gemoderniseerd; zelf vindt ik wel eens al te veel gemoderniseerd. Essentiële aspecten van Calvijns theologie zijn hier op de achtergrond geraakt. Maar Kuyper — en dat was zijn verdienste — begreep: wij leven nu in een andere tijd; wij kunnen met eenvoudig herhalen van wat Calvijn in zijn dagen gezegd heeft niet volstaan; er zijn nieuwe vragen van de nieuwe tijd die om een antwoord roepen. En hoe men verder ook over Kuypers optreden in kerk en theologie mag oordelen, niemand kan hem de eer onthouden, dat hij het in zijn dagen heeft aangedurfd „heilige huisjes" aan te tasten en moedig nieuwe wegen in de kerk, wetenschap, politiek, sociale leven en op heel het terrein der cultuur te gaan.

In het vervolg betoogt prof. Brillenburg Wurth dan dat hij zich in dit voetspoor van Kuyper voortbeweegt; immers Kuyper was ook een gezworen vijand van alle geestelijk en kerkelijk en theologisch conservatisme.

Aan het einde geeft prof. Brillenburg Wurth dan nog uiting aan zijn bezwaar dat hij heeft tegen de zgn. „Gereformeerde gezindte":

Dit dat men daar, een klein aantal uitzonderingen daargelaten, van dit soort vragen, waarbij de hoogste geestelijke belangen van Christus' kerk op het spel staan zo heel weinig notie heeft en zich naar het schijnt daarvoor ook in het allerminst niet interesseert, terwijl wij bij alle zeer, zeer ernstige geestelijke en theologische en kerkelijke bezwaren die wij tegen de zogenaamde „midden-orthodoxie" hebben — en die hebben wij nooit onder stoelen of banken gestoken — daar tal van figuren vinden, die met de grootst mogelijke ernst en diepe indringendheid met de doordenking van die allerbelangrijkste vragen bezig zijn.

Tot slot nog enkele uitingen over isolement, cultuurwaardering en zo, uit het gereformeerde kamp. In Waarheid en Eenheid lucht ds. J. Schelhaas z'n ergernis en verontwaardiging over een geref. collega, die in zelfbeschuldigingen a la Rusland meent vorige geslachten te moeten bespottelijk maken. Hij geeft enkele citaten van zijn geref. collega, die wij hier weer overnemen:

Wij waren een klein groepje, miskend, veracht, niet in tel, de nachtschuit geheten, omdat we als minderheid moesten oproeien tegen de stroom. Er is een tijd geweest dat we overal tegen moesten zijn. Dat was anthithese. Dat isolement werd ons opgedrongen. Onze vaderen betreurden dat Maar tegen zijn en stemmen; het heeft nu eenmaal op de vorige generatie de indruk gemaakt van zuiverheid in de belijdenis. Men zou toen gezegd hebben: „Die man is zo degelijk, hij is overal tegen". „En nu moet ik een gehaat woord gebruiken: We waren burgers! Maar versta dat vooral goed. In dit verband betekent het: We hadden het paadje uitgestippeld, dat veilig en zeker voerde door dit leven naar de zaligheid. Zo in de trant van „het behaagt God, dat je de Standaard leest!" Niemand waagde zich buiten het paadje of hij was een getekende. Kritiek moest zwijgen. Want je kunt niet buiten de dienstregeling gaan, zelfs niet met God. Zonderlingen moeten Juich wel eenzaam gevoeld hebben. En jonge predikanten dachten en zwegen heel veel. Nog vandaag hebben sommige jonge mensen die benepenheid, die weerhoudt van rijke blijdschap en open belijden. Het is gebrek aan geloof bang te zijn. Het is gebrek aan vertrouwen in God de weg uit te stippelen langs traditievoorschrift in Standaard-abonnement, lidmaatschap van het een of ander en zondagspraktijk van een bepaalde groep, 't Is gebrek aan geloof niet te durven staan in de cultuur en de samenleving. Geloven is de dingen ruim zien, omdat God erbij betrokken is.

In ieder geval behoeft deze dominé zich de beschuldiging van voorouderverering niet aan te trekken. Hem zal prof. De Gaay Fortman in z'n redevoering op het Utrechtse congres van de achttien niet op het oog hebben.

En nu nog een citaat uit het artikel Naar het isolement? in de Reformatie van 26 mei:

We zullen wat minder moeten praten over die „moderne jeugd", en wat meer over de „moderne ouders", die deze jeugd zo gemaakt hebben. Ik geloof, dat dit naar de Schriften gesproken is. We plaatsten boven dit artikel de vraag: „Naar het isolement? " Ik ben van mening dat we de tijd beleven, dat we ons met onze kinderen aan het isolement zullen moeten wennen. De westerse wereld is, ondanks haar religieus vertoon een wereld in afval. De Cultuur die deze wereld nog te bieden heeft is innerlijk volslagen voos en rot. De pestwalm van de geest die de westerse cultuur dringt en beheerst, slaat je tegen de keel, wanneer je kennis neemt van de moderne literatuur, of deze nu van Amerika, Engeland of Frankrijk tot ons komt. De geest en de fantasie van de mens wordt er door verziekt. En het is deze literatuur die verbeeld wordt in de film en die voor de televisie komt. We zijn het oer-kwaad dat eens de bewoners van Sichem beheerst heeft al ver vooruit. Laat ons toch geen oogkleppen aandoen. We leven als Kerk van onze Heiland temidden van deze wereld en deze positie zullen we onze kinderen hebben bij te brengen. Dat kan en dat moét. Laat ons hen de noodzaak der onthouding vroeg inprenten en zelf dan natuurlijk ook het voorbeeld geven. In Sichem kan onze woonplaats niet zijn. We hebben te leven in Bethel — dat is het huis van God — en daar onze altaren te bouwen en te leven uit een eigen cultuur. En dat is heus niet iets nieuws. Het was de positie der Kerk door alle tijden. De ellende van vandaag is, dat zovele ouders het zélf in Sichem wel aardig naar hun zin hebben en hun Dina's dan hun gang maar laten gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's