De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KRONIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KRONIEK

10 minuten leestijd

Aspecten van het congres der „achttien" — Dubbel lidmaatschap. — Toogdagen op Hemelvaartsdag. — Van de geestelijke verzorging onzer militairen in Nieuw-Guinea.

Het congres van 26 mei j.l., het congres van „de achttien", is een gebeurtenis geweest. Dat zal niemand, die van verslagen en „persoonlijke indrukken" kennis nam, willen ontkennen. Niet, dat er tienduizenden geweest zijn, gelijk Prof. Jonker in zijn zondagavondlezing van 27 mei j.l. in een bepaald verband zei — het was natuurlijk een lapsus linguae, iets, dat zijn tong ontviel — maar er zijn toch wel enige duizenden ge weest. Maar die 4500 op zichzelf, dat massale, geven nog geen recht tot het spreken van „een gebeurtenis". Dat vindt zijn oorzaak in wat Thijs Booy boven zijn persoonlijke indruk deed schrijven: „Een congres, dat een kerkdienst werd". Hij vond dit congres in Kuyper's lijn. „Al zijn grote vergaderingen waren kerkdiensten, tot de politieke toe". „Ja werkelijk", zo gaat hij dan voort, „ik heb zijn aanwezigheid gevoeld en ook van zovele andere gestalten uit de gereformeerde kerkgeschiedenis. Hendrik de Cock, Willem van den Bergh, Herman Bavinck". Typerend voor die sfeer — een kerkdienst — was voor Booy, dat Prof. de Gaay Fortman aan het slot van zijn rede uitriep: „Lof zij U. Christus, tot in eeuwigheid. Amen".

Er is meer. Booy zegt in zijn verslag ook het volgende:

Ik wil de hervormde kerk bekennen, dat ik vele gereformeerde jongeren indertijd ervan heb weerhouden hervormd te worden. Waar ik maar wist, dat iemand de stap overwoog, ging ik er op af met de bezwering: „Als je niet het gevoel hebt dat Christus je naar de hervormde kerk roept, blijf dan bij ons, anders lukt de vernieuwing nooit".

Ik heb me weleens afgevraagd of dit optreden juist was. Tijdens dit congres werd het ineens een stralende zekerheid ... het was goed. Was indertijd de jongerenvoorhoede die krachtig aanstuurde op hervormd-gereformeerde eenwording de gereformeerde kerken uitgegaan, dan was het klimaat er nu nog niet geweest, dat het optreden van „de achttien" mogelijk maakte."

Dat is wel zeer openhartig.

Maar het doet zien, dat er een „jongerenvoorhoede" in zekere zelftucht is gegroeid, die hier aantrad. Een soort stoottroep? Misschien. Het verdere verloop zal het uitwijzen. Maar het lijkt me niet denkbeeldig, dat een aangroeiende jongerengroep zal opkomen, die zal pogen de weerstanden bij de kerkelijke bestuurderen — Synodes en wat dies meer zij — weg te werken, om te komen tot eenheid van wat nu gescheiden kerkelijk leeft. In onze gistende wereld zien we telkens de forcerende opmars der jongeren — studenten vaak voorop! — om de sterkten van het „oude en verouderde" te nemen. Zou iets dergelijks ook niet op kerkelijk erf kunnen gebeuren? In elk geval: Thijs Booy cs. hebben hun dag gehad en gevierd.

Ik sprak van weerstanden van „kerkelijke bestuurderen". Dat zal meer de gereformeerde officiële instanties betreffen dan de hervormde. Want Booy verhaalt, dat hij meerdere personen uit officieel hervormde instanties zag. Gereformeerde kerkelijke waardigheidsbekleders zag hij niet.

Er waren ook tegenstanders van deze beweging. Booy zag er een, die al maar schreef, materiaal voor bestrijding verzamelde. Hij zong niet mee, applaudiseerde nimmer en stond bij de voorlezing van „de oproep tot de kerken" niet mee op, om zijn instemming te betuigen. Het overgrote deel der menigte was dus van medestanders. De eerste oproep heeft alzo, ondanks een volgende, die de instemming met „de onduldbaarheid" van het gescheiden kerkelijk leven niet stringent as condito sine qua non", als voorwaarde tot toelating stelde, heeft wel haar werk gedaan. Het was, ondanks uitzonderingen, toch wel een homogeen congres !

Waar wil dit congres heen ? Dat is mij nog niet heel duidelijk. Prof. Berkhof sprak volgens verslag van „Hervormd Nederland" d.d. 2 juni j.l.: „Hervormden moeten daar^bij bedenken, dat wij niet de gereformeerden mogen vragen bij ons te komen, maar dat wij samen vooruit moeten naar een nieuwe gestalte der kerk", (cursief van mij).

Wat dit precies inhoudt, heb ik niet gelezen. Misschien een „evangelische kerk"? Ik las ergens in dit verband die uitdrukking. De vraag is, of die dan „een gereformeerd, een reformatorisch belijdende kerk zal zijn. We moeten een nadere uitwerking van het patroon afwachten. Voorshands zal „de lange weg", waarvan Prof. Berkhof sprak, wel de nodige tijd vorderen, al sprak ds. Sillevis Smit — hij ging onlangs als hoofd-vlootpredikant met pensioen — de hoop uit, dat hij de „nieuwe gestalte" nog wel zou beleven. Alles saamgenomen was er m.i. wel reden om van „een gebeurtenis" te spreken.

In Maastricht is het onlangs voorgekomen, dat drie leden van de gereformeerde kerk aldaar aan de kerkeraad der Herv. gemeente in Limburg's hoofdstad hebben gevraagd om als lidmaat te worden, toegelaten met behoud van het lidmaatschap der Gereformeerde Kerk. De Hervormde kerkeraad heeft na vele besprekingen hierin toegestemd, „van oordeel, dat de kerkorde geen uitsluitsel geeft, want de mogelijkheid van een dubbel lidmaatschap wordt daarin mogelijk gemaakt, noch verworpen, waarschijnlijk om de simpele reden, dat aan deze mogelijkheid nooit is gedacht." Dit „kerkelijk novum", staat te lezen in de N.R.Crt. dd. 2-6-'62, overgenomen uit het gemeentenieuws van de Hervormde gemeente te Maastricht.

De Hervormde Kerkeraad heeft dit besluit genomen na vooraf vele besprekingen met de betrokkenen te hebben gevoerd — het zijn er drie — terwijl hij tevens over deze zaak met de gereformeerde kerkeraad besprekingen hield. Onder indruk van het verlangen naar eenheid bij hen, die dit verzoek deden, willigde de Kerkeraad het in.

Is dit verzoek afgestemd op wat prof. Berkhof 26 mei voorsloeg, dat 12 Hervormden en Gereformeerden over en weer een jaar in elkanders kerk zouden meeleven om elkanders kerkelijk leven beter te leren kennen? Dat kan niet. Want het bericht zegt, dat de Kerkeraad (de Hervormde dan), „vele besprekingen met de betrokkenen" heeft gevoerd. De zaak moet dus reeds enige tijd in beraad en bespreking zijn geweest.

We leven wel in wonderlijke tijden, dat zoiets kon plaats hebben. Dit is wel een heel eigenaardige weg om het eenheidsverlangen uit te leven. Het laat ook zien hoe men omspringt met de Kerkorde, in de trant van „wat n(iet verboden is, is geoorloofd".

Daar zal geen kerkelijke procedure van komen, maar wonderlijk is het. Doch in een dynamische tijd, waarin velen op drift zijn, moet men maar niet te snel schrikken!

Op Hemelvaartsdag jl. hebben hervormde en gereformeerde jongeren hun bondsdagen gehouden. Traditiegetrouw zou ik willen zeggen. De Hemelvaartsdag is daarvoor m.i. wel geëigend. De dag op zichzelf zegt immers, dat de Kerk van Christus strijdt en worstelt om het Koninkrijk onder geopende hemel, en dat zij haar strijd om dat Rijk heeft te voeren in verwachting van Christus' komst.

Die strijd is niet uitzichtloos, al schijnt het zo soms door alle krachtsontplooiïng van de wereldmachten en seculerende zuigkracht in al de lagen van het sociale en kerkelijk leven. Wat zal de Kerk tegen heel die grote menigte? Zij kan zich alleen telkens sterken in haar Koning. Die voor Hij ten hemel opvoer, ons de belofte Het: „zie Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld."

Heeft het dan geen goede zin, dat onze jongeren hun toogdag houden juist op de dag, die van al deze dingen, het Koninkrijk aangaande, zo treffend spreekt?

Onze jongeren waren zo talrijk niet opgekomen als de gereformeerde. Deze waren ca. 8000 in getal; de onzen ten getale van 3000. Nu zijn we geringer in aantal dan de gereformeerde jongerenbond. Maar ik dacht, dat het getal der opgekomenen wel eens groter was geweest. Het had ook dit jaar in groeiende lijn moeten gaan, temeer daar onze beide bonden samen vergaderen. Of gaat het enthousiasme afnemen? Dat zou jammer zijn. Of leven wij ouderen niet genoeg mede in aanprijzen van de opdracht ook voor onze jongeren en faalt het aan voortdurend gebed?

Uit het verslag op te maken was het er goed in Utrecht. Onze Bonsvoorzitter was op het appèl en vertolkte op de hem eigen wijze het meeleven van de Geref. Bond, de ouderen, zou ik kunnen zeggen. Het declamatorium samengesteld door ds. Hamoen en ds. Jorissen sloeg in. Ik veriblijd me in die vormgeving — ze is naar de tijd en het is goed daarmede rekening te houden — waarin het wezenlijke, de Koningsopdracht, die voor elke tijd geldt, zeer zeker tot zijn recht kwam.

Het was jammer, dat de N.C.R.V.microfoon niet een deel van het samenzijn uitzond. Zo kon ik helaas niet van verre die 31e mei meemaken.

Ik hoop zeer, dat het met onze Bonden in groeiende en verdiepende lijn moge gaan en de leden bezield door wat ze meekregen, temeer „de vaan ontplooien", voor de zaak des Konings.

De 11e juni, tweede Pinksterdag, is ds. J. J. Moll, uit Driebergen, per vliegtuig vertrokken naar Curacao, om, vandaar scheep gegaan naar Nieuw-Guinea, gedurende een jaar zich te geven aan de geestelijke verzorging onzer militairen daar. Dat 'zo de plannen waren, was al bekend. Nu zijn ze in vervulling gegaan. Ik kan het verstaan, dat diegenen onzer lezers, wier zoon of zonen naar Nieuw- Guinea moesten trekken, verblijd zijn, dat een onzer predikanten het offer wilde brengen om zich te geven voor de geestelijke verzorging onzer krijgsmacht daar. Hij is vol moed gegaan, wetend, dat hij zich niet mocht onttrokken aan het beroep dat op hem werd gedaan. Dat men hem vroeg en in uitzicht stelde, dat hij daar de leiding van de geestelijke verzorging straks zal krijgen, is begrijpelijk, gezien zijn dienst en ervaring indertijd in Korea verricht en opgedaan. Maar een offer is het. Voor hem, voor zijn gezin en de gemeente Driebergen, waarin hij, betrekkelijk kort, de eerste „Bondspredikant" is. Het is een voorrecht voor ds. Moll en zijn gemeente, dat het heel vlot en naar wens is gegaan met de voorziening in zijn dienstwerk tijdens zijn afwezigheid. Dat heeft voor hem en de gemeente de dingen wat makkelijker gemaakt. Doch de gemeente en zijn gezin zullen hem missen.

We zijn door dit vertrek weer midden in de .trieste Nieuw-Guinea-zaak. Neen ik spreek daar verder niet over. Heel Nederland weet ervan, en wie het Nieuiw-Guinea debat in de Kamer heeft gevolgd, luisterend naar wat ervan werd uitgezonden, herinnert zich de bewogenheid in de volksvertegenwoordiging en bij de regering. Dit alles legt een druk over ons volksleven. Wij voelen het allen. In het bijzonder zij, wier zonen moesten gaan. En de vraag laat ons niet los: „hoe lang nog" en „wat zal de uitkomst zijn"? God alleen Weet het. En daarom zij ons voortdurend gebed tot Hem, Die deze beproeving over ons deed komen, om een oplossing te geven, waarin wij kennelijk Zijn hand zien. Wij hebben Pinksteren herdacht, de uitgieting van de Heilige Geest, door Christus verworven. Die Geest is de Geest der genade en der gebeden. Hij vervulle onze harten tot dat gebed, waarin wij God Almachtig niet loslaten, maar smeken, dat Hij de harten neige tot een billijke oplossing. Niemand late in dat gebed de zijnen los, maar gedenke ook onze regering, het leger, en zijn leiding in Nieuw- Guinea en allen die onze mannen geestelijk verzorgen. Zo zij er ook een gedurig gebed voor ds. Moll, God geve dat wij hem en de onzen in welstand mogen zien terugkeren. Hij kan het. Hij alleen.

Correspondentie. De Administratie van de Waarheidsvriend zond mij een brief door van dhr. v. d. H. te A. Ik hen dhr. v. d. H. zeer erkentelijk voor zijn reactie op wat ik schreef naar aanleiding van de uitslag van de Statenstembus. Zijn motivering van zijn behoren tot de P.v.d.A., terwijl hij het geestelijk absoluut niet met haar eens is, is mij onbegrijpelijk. Ik zou zeggen hij weerspreekt zichzelf. Vooral waar hij het over „de afgod het materialisme" heeft. Ik weet het materialisme vreet ons allen aan, ook de „confessionele partijen", maar dat ontheft ons niet van de eis, er tegen te strijden in de weg, die de Schrift ons wijst. Die strijd hebben wij m.i. te voeren in gemeenschap met hen die willen opkomen voor de beginselen van het Evangelie ook op politiek terrein, al zal dat meermalen inhouden, de medestanders niet te ontzien, wanneer we afwijking moeten constateren. Die weg moge ik dhr. V. d. H. aanbevelen, hem dankend voor zijn schrijven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KRONIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's