De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

RONDOM DE NIEUWE PSALMBERIJMING (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

RONDOM DE NIEUWE PSALMBERIJMING (3)

12 minuten leestijd

Waarom geen restauratie van de tegenwoordige bundel?

In 1943 besloot de Algemene Synodale Commissie der Ned. Heirv. Kerk tot het instellen van „een commissie tot onderzoek van de wenselijkheid en mogelijkheid van een nieuwe psalmberijming".

De werkzaamheden van deze commissie leidden tot de opdracht aan een aantal dichters, geassisteerd door Oud-testamentici en muzikologen, om de psalmen opnieuw te berijmen.

De geschiedenis van deze commissie heeft de secretaris, dr. H. Schroten, uitvoerig beschreven in „Theologia Reformata" van december 1959.

Na overleg met de synode van de Gereformeerde Kerken werd een Proeve van nieuwe berijming ter beoordeling aangeboden door een interkerkelijke stichting voor de psalmberijming: het inmiddels bekend geworden groene boekje, voor ƒ 2, 50 in de handel en momenteel bij onze kerkeraden ter beoordeling, opdat de opmerkingen van de kerkeraden via de Classicale vergaderingen bij de Synode zuilen komen en deze de resultaten van de beoordeling aan de stichting zal doorgeven om verwerkt te worden bij de nadere vaststelling van de eindtekst, die dan aan de Synodes van de kerken kan worden voorgesteld.

Het lijkt mij vóór de beoordeling van de nieuwe berijming goed, eerst eens na te gaan, volgens welke regels er gewerkt is.

De bedoeling was, dat de nieuwe berijming zou voldoen aan de volgende vier eisen:

1. zo getrouw mogelijke berijming van de bijbeltekst;

2. zingbaar op de bestaande melodieën;

3. literair verantwoord;

4. algemeen verstaanbaar.

In onze tegenwoordige berijming komen mooie verzen voor, die eigenlijk niemand aan de gemeente zou willen ontnemen.

Vandaar dat in het begin gedacht werd aan een restauratie van de huidige berijming, zoals trouwens ieder, die zich in deze zaak gaat verdiepen, als vanzelf ook begeert.

Het is heel normaal, dat ook onze kerkeraden, wanneer zij in hun verantwoordelijkheid voor de leiding van het kerkelijk leven en dus de bewaring van de woorden Gods, zich zetten tot de bezinning op deze dingen, ook als eerste reactie op het voorgestelde zeggen: Waarom zo'n vrijwel geheel nieuwe berijming?

Alleen de psalmen 25, 116, 118 en 138 werden gerestaureerd en hier en daar heeft men wat coupletten behouden (o.a. 75 : 1; 79 : 3 en 5; 89 : 8; 124 : 1; 130 : 4). Wel zijn er veel regels uit de bestaande berijming overgenomen, trouwens ook van andere en nog oudere berijmingen. (Het woord „gebenedijd" zelfs Psalm 100: 3, van de berijming van Detheen. Dit moge bij een nationaal monument als de psalmberijming aantrekkelijk zijn, de regel is ook dichterlijk en past bijzonder goed bij de melodie, erg gelukkig kan ik het toch niet vinden: het woord functioneert allang niet meer onder ons.)

Maar hoe kwam het toch, dat restauratie veelal niet mogelijk bleek? Dat kwam door de verouderde taalvorm en de retorische kunstvorm (ook inmiddels verouderd) van de berijming-1773.

Bovendien brengt verandering van één rijmwoord vaak het hele vers op de heling.

Ook kon de verouderde stijlvorm niet worden overgenomen: de ontelbare samentrekkingen: daan voor daden, reen voor redenen, tegenspoên, speelliên, enz. De afgeknotte woorden zoals beê voor bede, maar ook de 41 keer, dat het woordje „ai" voortkomt en bijvoorbeeld de verbuigingen van het lidwoord „een" (tot enen roof niet in hun tanden gaf, 124:3), het maakte het aantal verzen, dat „gerestaureerd" kon worden, steeds kleiner.

Bovendien, bij nauwkeurig onderzoek bleek de tegenwoordige berijming ook vaak al te zeer af te wijken van de onberijmde tekst, of te breedsprakig de woorden van de tekst, meer dan nodig is, aan te vullen.

Zo brachten de vier gedragsregels allengs terug van de poging, om zich te beperken tot een restauratie, waarbij de 18e eeuwse retorische kunstvorm en de woord-accenten in de tegenwoordige berijming, die vaak tegengesteld zijn aan de accenten in de melodie, uiteraard óók vaak moesten doen afzien van restauratie-alleen.

Of men tóch niet, al voortgaande en uit vrees voor „een nieuwe lap op een oud kleed", hier en daar van restauratie heeft afgezien, waar het toch wel mogelijk was, bijvoorbeeld bij Psalm 103, blijft voor mij een vraag.

Ik denk ook aan Psalm 17 : 8, waar de oude berijming mij tekstgetrouwer voorkomt, dan de nieuwe en zo zijn er oneer te noemen, het begin van Psalm 51:3 bijvoorbeeld.

Mogelijk, dat de opmerkingen, die verzameld worden, toch tot enige restauratie leiden, waar nu vernieuwd is, maar dan moet men wel nauwkeurig het gebodene nagaan, ook in onze kringen.

Over de gevolgde procedure nog enkele opmerkingen, wat betreft de getrouwe aansluiting aan de onberijmde tekst.

Natuurlijk heeft een berijming „aanvullingen" nodig: de bijbeltekst moet, als wij de woorden in strofe-vorm brengen en daarbij dan ook nog gebonden zijn aan een bepaalde melodie, worden aangevuld met „dichterlijke vrijheden". Wie dat niet wil, moet de psalmen onberijmd zingen.

Het lijkt mij èn theologisch èn literair een goede regel, die men zich stelde, dat nodige aanvullingen moesten passen in het klimaat van de betreffende psalm door terug te gaan op een vorig vers of te preluderen op een volgend vers.

Van „dichterlijke vrijheid" is dus geen sprake.

Een mooi voorbeeld van deze methode is Psalm 1 : 2 de regel:

Gezegend die zich aan Gods wetten voedt

De huidige berijming heeft hier ook een aanvulling (litterair niet mooi in het verband):

Hij groeit zelf op in ramp en tegenspoed

Maar de aanvulling ia de nieuwe berijming brengt het thema van de psalm in het beeld van het vers, het is een „organisch aanvulsel.

Leest (en zingt) u het gehele vers maar:

Hij is een groene boom die staat geplant Waar waterbeken vloeien door het land. Zijn loof (behoeft de droogte niet te duchten, Te goeder tijd geeft hij zijn rijpe vruchten. Gezegend die zich aan Gods wetten voedt: Het gaat hem wel in alles was hij doet.

Ik denk ook aan Psalm 122, waar in de Proeve de regels van vers 1

Jeruzalem dat ik bemin, wij treden uwe poorten in

ook in vers 2 en 3 aanvullende regels zijn.

Het is overigens niet overall geslaagd: in de nieuwe berijming van Psalm 32 is de tweede helft van vers 3 aanvulling, waarbij de dichter naar mijn gevoel is gaan „free-wheelen":

Gij, zijt, o Heer mijn schuilplaats en mijn haven. Gij zult aan mij al uw beloften staven. Wat mij benauwt, Gij schaart U aan mijn zij. Omringt met lied'ren van bevrijding mij! Gij zult mij voortaan door uw trouw bewaken, Gij zult mijn leven vol van vreugde maken. Ik zal mijn weg lichtvoetig verder gaan. Want Gij doet mij uw tekenen verstaan.

Omdat een psalmberijmimg allereerst bedoeld is voor de eredienst, kwam de vraag op, bijvoorbeeld bij de psalmen 60 en 83: moeten alle namen van volken en landstreken in de berijming worden overgenomen?

Hier heeft men gekozen voor aanduiding boven letterlijke weergave.

Vergelijkt u maar de oude berijming van Psalm 83 : 4, 5, 6 met de verzen 3 en 4 van de nieuwe berijming.

In Psalm 60 kwam het zélfs hierdoor tot een misschien al te drastische bekorting: de onberijmde verzen 6-10, in de huidige berijming zeer uitvoerig weergegeven in de coupletten 3 b, 4 en 5, werden nu samengevat in één vers, het op zichzelf knap bewerkte vers 3:

Maar wat? Mijn God heeft reeds gehoord. In 't heiligdom weerklonk zijn woord. Ik juich, ik zal de vijand slaan Aan beide overs der Jordaan. Dan, mij erkennend als hun heer. Werpt zich het Noorden voor mij neer En 't Zuiden hoort naar mijn bevelen. Heel 't land zal 'k meten en verdelen.

Het is aan de kerk: om te beoordelen of men dit aanvaardt om een psalmberijming te krijgen, die het mogelijk maakt ook zo'n vers (en dus de psalm in z'n geheel) in de eredienst te zingen.

Uiteraard komt in dit verband ook de vraag op naar de zogenaamde vloek- en wraakpsalmen.

Hier verbood de eerbied voor de tekst elke zogenaamde „humanisering" en zijn de dichters echt gehoorzaam geweest aan de overmacht van de tekst. Leest u in de nieuwe berijming maar Psalm 109: 3 tot 8, literair knap werk, lijkt me toe.

Dat de beelden over Gods wraak de dichters ook wel eens te machtig werden en men van de beeldspraak over ging op een meer algemene aanduiding blijkt in Psalm 68 vers 8 nieuw, waar bijvoorbeeld de regel

dan zult gij zijn gewroken

het onberijmde vers 24 van de Psalm moet vertolken.

Dit doet de vraag stellen, of hier aan de psalm in zijn zegging en kleur wél rechtgedaan is. Trouwens, de berijming van deze psalm doet meer opmerkingen maken. (De verzen 10 en 11 geven namelijk de tekst zéér uitgebreid weer.)

Wat de eerste en belangrijkste eis betreft (de Schriftgetrouwheid) is mijn indruk echter, dat over het algemeen deze voorgestelde berijming de vergelijking met 1773 positief kan doorstaan, met andere woorden, dat deze berijming dichter bij de bijbeltekst staat. In Psalm 1 is dit al heel duidelijk.

Gaat u dit zelf eens na bijvoorbeeld bij Psalm 42 : 1 („der jacht ontkomen leest u in de bijbel niet).

Psalm 19 zegt: De wet des Heren is volmaakt.

Oude berijming:

Des Heren wet nochtans verspreidt volmaakter glans.

Maar van een tegenstelling staat in de tekst niets.

Nieuwe berijming:

Volmaakt is 's Heren wet.

Hier geeft de nieuwe berijming de bijbeltekst getrouwer weer.

Psalm 100 : 3 luidt in de Statenvertaling:

Weet, dat de Here is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij). Zijn volk en de schapen Zijner weide.

De nieuwe vertaling:

Erkent, dat de Here God is; Hij heeft ons gemaakt, en Hem behoren wij toe, zijn volk, de schapen die Hij weidt.

Het gaat dus in deze woorden over het erkennen, het weten, dat de Here God is.

De oude berijming wijkt hier af, door de gedachte te verschuiven naar de erkenning, dat Hij ons heeft gemaakt, maar daar gaat het in eerste instantie niet over.

Vergelijkt u nu:

1773: De Heer is God; erkent dat Hij Ons heeft gemaakt (en geenszins wij) Tot schapen, die Hij voedt en weidt, Een volk, tot Zijnen dienstbereid.

1961: Roept uit met blijdschap: „God is Hij. Hij schiep ons. Hem behoren wij, Zijn volk, de schapen die Hij hoedt En als (beminden weidt en voedt."

Hier is de nieuwe berijming dichter bij de tekst, ook in de slotregel („zijn beminden" ligt dichter bij de tekst dan „tot zijnen dienst bereid").

Als u Psalm 131 in de berijminig-1773 leest, dan vindt u in de 16 regels van deze berijming er zeker 5 die niet in de tekst staan, afgezien van andere toevoegingen.

Hoeveel dichter bij de tekst is de nieuwe berijming:

Mijn hart verheft zich niet, o Heer, Ik sla mijn ogen voor U neer. Ik voeg mij nederig en stil Naar de geheimen van uw wil...

Is niet mijn ziel U toegewend. Zodat zij rust en wrede kent, — Een kind dat dronk naar hartelust. En in zijn moeders armen rust?

Een zuig'ling, die verzadigd lacht, Zo is mijn ziel tot rust gebracht. Israël, hoop op God den Heer, Rust bij Hem nu en immermeer.

Nauwkeurige vergelijking zal u dit telkens doen ontdekken. Bij de vele, ook zeer kritische, beschauwingen over deze psalmberijming heb ik dan ook maar weinig steekhoudende bezwaren gelezen op dit punt van de tekst-getrouwheid.

De werkmethode deed dit ook verwachten.

Anders dan in 1773 werden de dichters nu bijgestaan door theologen, die het Oude Testament als hun speciale studie kennen, zodat een grondige bezinning niet alleen op een vertaling, maar op de grondtekst mogelijk was. Drie van de dichters hebben trouwens zelf ook theologie gestudeerd (twee van hen zijn predikant).

Maar bovendien: aan deze dichters is als zodanig eigen een grote eerbied voor een oude tekst, zeker van een kanoniek geschrift als het boek der Psalmen.

Maar, zult u vragen, hebben deze dichters dan óók niet een eigen spraakgebruik, beinvloed door theologische visies?

De berijming van 1773 mag dan niet klassiek-gereformeerd zijn in terminologie en gedachtengang, zijn déze bewerkers dat wèl?

In plaats van een theologische kwalificatie van deze dichters te geven, die (stel, dat ik het kon) ongenuanceerd gemakkelijk onrecht zou doen, wil ik hier twee dingen op antwoorden:

1. In ieder geval brengt reeds hun literaire eerbied voor de grondtekst hen tot een zo getrouw mogelijke weergave van die tekst, waarbij ze bovendien op de vingers gekeken zijn (letterlijk!) door oud-testamentici.

2. De nieuwe berijming is veel bondiger dan de huidige, de „aanvullingen" zijn minder breedsprakig en de boven aangegeven gedragslijn voor de aanvullingen, die zoveel mogelijk gebruik maken van omliggende zinnen, is op zichzelf al een betrouwbare methode.

Overigens bevestigen, wat dit tweede punt betreft, de uitzonderinge de regel. Deze berijming is doorgaans korter, minder coupletten dus en daardoor is er minder gevaar van uit het spoor van de psalm raken.

Maar Psalm 20 is aanmerkelijk „uitgedijd", waarbij het klimaat van de psalm tot dichterlijke uitbreidingen heeft geleid, die mij meer bewerking dan berijming lijkt.

Voor ik, in een volgend artikel, op de andere punten (melodie, poëtische zegging en verstaanbaarheid) inga en de nieuwe berijming nader kritisch ga bespreken, wil ik in dit verband vast zeggen, dat wij wel aan de dichters mogen vragen, dat zij gehoorzaam de bijbeltekst zullen volgen, maar dat wij dat bij de beoordeling niet minder moeten doen!

Het gaat niet aan, zoals wel gebeurt, heb ik gemerkt, om eenvoudig de oude en en nieuwe berijming naast elkaar te leggen en dan te kiezen.

De onberijmde tekst uit het Oude Testament zal er altijd bij gelezen moeten worden en die is beslissend.

Als men vraagt — en u hoort deze stemmen telkens —, „dat de klassieke psalmen- die welhaast tot kerkelijke volksliederen geworden zijn, onveranderd gelaten worden, " — dan zeg ik: Ja, behalve, als een nauwere aansluiting aan de grondtekst mogelijk is.

Bij de keus tussen Schrift en traditie kiezen reformatorische christenen toch voor de schrift?

Dan zullen we, misschien met een zekere tegenzin, moeten erkennen dat bij voorbeeld de klassieke verzen als Psalm 27 : 7 en Psalm 68 : 10 het op het punt van de Schriftgetrouwheid moeten afleggen tegen de voorgestelde nieuwe berijming van deze verzen, eerlijk is eerlijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

RONDOM DE NIEUWE PSALMBERIJMING (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's