De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

13 minuten leestijd

Ds. Pop heeft een standje gehad, omdat hij te veel herrie gemaakt heeft toen hij van de „koude kermis" thuis kwam (zie vorige persoverzicht). Op die manier maakt hij door z'n lawaai de slapende huisgenoten wakker. In Woord en Dienst van 9 juni vinden we de brief die prof. V. Ruler aan ds. Pop over deze materie schreef. Ds. Pop spartelt wel op een gezonde wijze tegen, maar wil er voortaan wel wat om denken om niet meer zo hard met de deur te smijten:

Ik stel er prijs op, dat de lezers van Woord en Dienst de Tarief van Professor Van Ruler onder ogen krijgen. Ik wil er slechts enkele kanttekeningen bij maken. Ten eerste ligt het mij ver, de door mij bepleite bekering (metanoia) of verlossing uit de structuren en stelsels uitsluitend van de rooms-Katholieken te vragen. Wij behoeven deze bekering evenzo. Daarom spijt het mij dat ik blijkbaar de indruk maakte aan protestantse hooghartigheid te lijden.

Ten tweede heb ik in de commissie voor 't ambt leren inzien, hoezeer de problemen van ambt, traditie, kerk, enz. (binnen het reformatorisch denken en beleven nog geen laatste antwoord hebben gekregen. Of de vragen, die Rome ons daarbij stelt, juiste en legitieme vragen zijn, zou IK vooralsnog willen betwijfelen.

Ten derde heb ik mijn negatieve reactie geschreven vanuit een pijnlijke teleurstelling; ik had wellicht tevoren te hoge verwachtingen van de nieuwe inzichten in de r.k. theologie; zij bleken meer gesloten dan ik gedacht had.

Het is een verheugend feit dat ook in In de Waagschaal zelf er verzet komt tegen het moderne heidendom dat door wika Leenman voorgestaan wordt, zoals we in ons vorig overzicht gememoreerd hebben. In de gastenrubriek van I.d.W. van 2 juni citeert dr. Buskes uitvoerig de (ook door ons overgenomen) kritiek van prof. Bakker in het geref. Weekblad (Kok). Dr. Buskes begeleidt dit citaat met het volgende:

In het „Gereformeerde Weekblad" van 11 mei heeft Prof. Dr. J. T. Bakker van Kampen gereageerd op de artikelen van B. Leenman in ons blad. Prof. Bakker constateert, dat Leenman in sterke mate de invloed van Rosenstock heeft ondergaan. Hij geeft eerst een uitvoerige samenvatting van het betoog van Leenman. Na deze samenvatting volgt dan zijn commentaar, die een zeer principiële kritiek is. Persoonlijk staan wij in dit geding zeer bepaald aan de kant van Prof. Bakker. In elk geval geloven wij, dat zijn kritiek de overweging bovenmate waard is.

In hetzelfde nummer gaat ook J. M. Hasselaar in op de beweringen van Leenman in een artikel waar nog een vervolg op komen zal, onder de titel: Barth of Rosenstock. Een keuze? We kunnen nog niet zeggen of we tussen deze twee moeten kiezen, dan wel of we kunnen volstaan alleen maar met: „Voor het gebruik flink schudden"; er moet nog een vervolg op komen. Wel vindt J. M. H. het jammer en schadelijk; voor de komende generaties dat twee oorspronkelijke geesten ais Karl Barth en Eugen Rosenstock zich zetten aan het bouwen voor een nieuwe tijd, doch zonder elkaar hoe dan ook gevonden te hebben.

Wel spreekt ook Hasselaar al uit dat hij zich met de betogen van Leenman bepaald niet gelukkig voelt. Evenals prof. Bakker wordt ook hij op onaangename wijze herinnerd aan verschillende kreten uit het Duitsland van Hitler:

Na dit op mij te hebben laten inwerken — dit enthousiaste getuigenis over komende „Vader van Adam", wil ik maar beginnen met een gevoelsreactie. Ik ben — de oorlog enigszins bewust beleefd hebbend — bang, zéér bang, voor deze God wiens vestigia (zijn eisen en beloften) zo direct uit de roep der dingen en maatschappelijke situaties zijn af te lezen. Ik ben daar even bang voor als voor die machten en krachten tegen wie het noodzakelijk en doeltreffend was ons pacifisme te laten varen. Het zichzelf ten offer toebereiden, het zichzelf als zaad van een komende tijd vrijhouden voor het „uur" dat aan zal — dit alles op zichzelf is nog niet zich gorden tot waarheid en gerechtigheid. Ook deze gedachte van mij is aan Rosenstock ontleend en ik kan de vraag niet onderdrukken: of wika Leenman met het complexe en diepzinnige werk van de joods-christelijke cultuurfilosoof Rosenstock-Huessy wel de goede en vruchtbelovende kant is uitgegaan?

In het Hervormd Weekblad de Gereformeerde Kerk vinden we een belangwekkend artikel van dr. Streeder, waarin hij een beschouwing geeft over de lezing die prof. Berkhof hield bij de viering van het „Eeuwfeest" van de predikantenvergadering. Het artikel van dr. Streeder heeft tot opschrift: Tweeërlei leer der kerk. Dit artikel achten we hierom zo van belang, omdat er opmerkingen in voorkomen, die vroeger ook wel eens gemaakt zijn, met name bij de invoering van de nieuwe kerkorde. Alleen, toen kwamen ze uit de verkeerde hoek; nu komen ze uit een veel betere hoek.

Het betoog komt hierop neer: In de roomse kerk wordt de „Tegenwoordigheid" van Christus veel bewuster beleefd dan in de Reformatie. Want de hervorming beperkte de roeping der kerk tot een ijveren voor èn bewaren van de zuiverheid van de prediking en het gebruik der sacramenten. In de kerk heerste een koude rechtzinnigheid. De kerkleer waar de nieuwe kerkorde van uitgaat ziet de kerk teveel als een functie in deze wereld. De invloeden van de oecumene en van prof. Kraemer zijn hier niet vreemd aan. De Kerk van Christus is er niet terwille van zichzelf, maar van­ wege de nood der wereld; het bestaan der gemeente bewijst, dat de levende God in deze wereld tegenwoordig is en werkt. Hoe verruimend deze visie ook werkt, toch is haar (bijbels-theologische ondergrond zwak, zo merkt prof. B. op. Wat het N.T. over de gemeente van Christus zegt, komt niet tot zijn recht. Deze kerkleer, de functionele ecclesiologie, berust eigenlijk alleen maar op wat losse teksten, zoals: Laat uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken. Van dit kerkbegrip moeten we eigenlijk weer af, want de kerk is er niet slechts ter wille van de nood van de wereld, maar de kerk is ook een grootheid op zichzelf. We moeten weer terug naar de gedachte dat de kerk ook is: Het lichaam van Christus; geen onbekend, maar wel een verdrongen geluid.

Rome heeft de organische opvatting. De kerk is daar het orgaan van Christus om het heil deelachtig te worden; de kerk is alleen-zaligmakend heilsinstituut. Prof. Berkhof komt dan met de corporatieve kerkleer. In de wereld is de kerk als het lichaam van Christus een grootheid op zichzelf, maar zij heeft een profetische taak om het evangelie van het Koninkrijk Gods aan de wereld te verkondigen en in de praktijk gestalte te geven. Christus als „Hoofd" van de kerk betekent niet alleen maar „Leidsman", maar wijst duidelijk op het hoofd van een menselijk lichaam.

Uit de conclusies van dr. Streeder nemen we het volgende over:

De kerk op aarde wordt als tastbaar lichaam van Christus tot een krachtenveld, waarbinnen de heerschappij van Christus niet meer te loochenen valt. Dit neemt niet weg, dat wie dan ook, deze genadige heerschappij kan weerstaan èn wel tot hun verdoemenis. Niet vanwege de nood der wereld heeft de kerk Kerk-van-Christus te zijn, maar van Christuswege, die haar Hoofd is, (haar Herder, maar óók haar Wijnstok, haar Rotssteen van (levend water, haar Brood, haar Bruidegom, die haar tegemoet komt. In haar activiteit om volkeren tot Jezus' discipelen te maken en de naaste voor Christus te winnen, heeft de kerk enerzijds ootmoedig bij al haar inspanning te weten, dat er zovelen tot het geloof komen, als er tot eeuwig leven geordineerd zijn (Hand. 13: 48). Anderzijds mag de kerk in haar verkondiging getroost en blijmoedig leven uit de onvoorstelbare belofte, dat de aarde vol zal zijn van de kennis der Heren, zoals de wateren de bodem der zee bedekken (Jes. 11: 9).

Dit laat niet toe, te rusten in een gezapige vroomheid en rechtzinnigheid, maar de gemeente heeft zich als Paulus volwaardig een schuldenaar te weten tegenover Jood en heiden, die het evangelie niet kennen of ervan vervreemd zijn. Of deze bijlbels theologische bezinning met betrekking tot de kerk als lichaam van Christus ook kerkordelijke consequenties heeft? Het artikel over het belijden der kerk (art. 10) (behoort in dit geval aan het artikel van het apostolaat (art. 6) vooraf te gaan. Dit behoeft in geen enkel opzicht te betekenen, dat daarom de kerk haar apostolaire en evangelisatorische roeping minder bewust zou worden. Het is niet onmogelijk, dat zij zich van deze roeping wat meer bijlbels verantwoord, aan experimenten wagen. (I.p.w. „wagen" zal hier wrs. „waagt" gelezen moeten worden U.d.P.)

In hetzelfde nummer van hetzelfde weekblad spreekt prof. v. Itterzon uit dat hij, naar aanleiding van het gehouden congres van de „18" met een gewetensvraag is blijven zitten:

De vraag waarmee ik zit, is deze: Als wij als hervormden willen, dat de kerkmuren tussen hervormden zullen worden neergehaald, omdat er immers tussen ons geen verschillen meer bestaan, en meer mogen toestaan, hoe zit het dan met al die tussenmuren in ons eigen hervormd-kerkelijk thuis? Om man en paard te noemen en er niet omheen te draaien: Bij de achttien trof ik hervormden aan van verschillende modaliteit. Ook een, die officieel lid is wan de Geref. Bond en een, die officieel lid is van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden. Ik neem graag aan, dat deze heide broeders vinden, dat de muren tussen de Herv. Kerk en de Geref. Kerken nu eindelijk maar eens moeten worden geslecht. Maar wat denken deze heide voormannen van de binnenmuren in onze eigen kerk? Kunnen die zonder bezwaar worden weggebroken? Heeft noch de een, noch de ander meer enige moeite met „de waarheidsvraag"? Kan ik binnenkort in de pers een bericht verwachten dat de vrijzinnige broeder en de Geref. Bondsbroeder van kansel hebben geruild, met een beroep op de bede van onze Heiland: Dat zij allen één zijn?

Als N. J. Hommes in het Geref. Weekblad (Kok) van 8 juni een nabetrachting geeft op het congres, dan vindt hij dat er veel goeds gezegd is, maar dat er tegelijk te weinig is gezegd. Het voorstel van prof. Berkhof, de 12 verspieders, acht hij een doolweg en een deviatie. Men verlaat dan de koninklijke weg voor de waarachtige eenheid en alleen maar verwarring en narcose blijven over. Deze vraag had men aan de orde moeten stellen: 'Hoe moet de kerk weren al wat haar belijden weerspreekt?

In genoemd Weekblad vinden we ook een briefwisseling tussen de professoren v. Riessen en H. Ridderbos. De problemen cirkelen rondom de verklaring van de 18 en het getuigenis van de 64. Prof. V. Riessen ziet leeuwen en beren, prof. Ridderbos vindt dat het allemaal nog al meevalt. In het nummer van 8 juni vinden we het tweede gedeelte van het schrijven van prof. Ridderbos aan z'n collega. We doen hier en daar een greep:

Ik zie natuurlijk ook, dat allerlei dingen veranderen en dat dit alles geen voordeel is. Om maar eens iets te noemen: we zijn bezig het laatste beetje puritanisme, dat ons nog restte, te verliezen en daarmee een veiligheidsmarge tussen kerk en wereld, die, zoal niet altijd geboden, toch wel zeer aanbevelenswaardig was. De antithese kenmerkt steeds minder ons optreden in de wereld, wij hebben niet meer de sterke overtuiging van het voorgeslacht op iedere vraag een eigen antwoord te hebben. Het militante en zelfbewuste van het „wij Calvinisten" is er niet oneer hij. Wij spreken liever van „het evangelie" dan van „de gereformeerde beginselen" en het woord christelijk neemt steeds meer de plaats in van het doelbewuste spreken van „goed gereformeerd". Hoe moeilijk het ook is een algemeen oordeel te vellen, toch is het niet voor bestrijding vatbaar, dat er meer „óp door kan" dan vroeger en dat dit samenvalt met een verandering in het historische gereformeerde levensbesef en levenspatroon.

Deze forse ruk aan de teugel, waardoor de wagen in een ander spoor gebracht wordt, kan prof. Ridderbos niet alleen begrijpen; maar hij ziet daarin ook een bewijs van levenskracht. Als voorbeeld noemt hij de tegenwoordige jeugd:

Ik ontken niet, dat zij in vele opzichten rukt en schudt aan het traditioneel-gereformeerde en dat zij daardoor gevaar loopt (zo niet erger) aan een zekere stijlloosheid te vervallen, waarmee wij moeilijk gelukkig kunnen zijn. Maar als iemand nu zegt: de Bijbel heeft veel minder invloed op hen dan op ons vroeger, ben ik niet bereid daarmee zo maar in te stemmen. Ik dacht, dat men ook kan stellen, dat ze wel een minder traditionele, maar daarom nog niet minder daadwerkelijke en niet zelden radicale beleving van het christendom nastreven.

Het wordt pijnlijk als prof. v. Riessen schrijft dat gereformeerden alleen maar voor de Wereldraad kunnen pleiten vanwege een „dwaze ongerustheid, dat ze ernaast komen te staan, er niet bij zijn, voor antithetisch versleten zullen worden". Dat is hierom zo pijnlijk omdat hij hiermee precies op de tenen van z'n collega gaat staan, die namelijk al van 1949 af voor aansluiting bij de Wereldraad gepleit heeft. Met dit „heilige schelden", zo schrijft prof. Ridderbos, bekeer je je tegenstanders niet, maar jaag je ze alleen tegen je in het harnas. Zal het „kerk-zijn" niet verslonden worden door het „gereformeerd-zijn", dan zal die kerk de 18 en de 64 in één verband moeten kunnen vasthouden. En zo komt prof. Ridderbos tot de kern van de zaak:

Misschien raken we hier wel de kern van de zaak: betekent „gereformeerd" als kerkelijke kwalificatie iets méér dan wat de Schrift ons aangaande de kerk en haar inrichting vóór-tekent en vóór-schrijft? Is het een criterium, dat méér omvat en specialer is dan het apostolische en katholieke karakter der kerk? Dan is het gereformeerde, hoevele voortreffelijke eigenschappen het moge bezitten, op een gegeven moment toch een eigenwillige vereniging van de kerk van het Nieuwe Testament. En dat zou naar mijn overtuiging inderdaad het geval zijn, wanneer wij om het gereformeerde karakter van de kerk veilig te stellen ons in de huidige omstandigheden opnieuw op een: hier scheiden onze wegen" zouden moet voorbereiden.

Ik verwerp deze suggestie met heel mijn hart. Ik zie nuanceringen (modaliteiten mijnentwege) in het gereformeerde, misschien oneer dan voorheen. Maar wat ik niet zie, wat ik een absurditeit acht is, dat wij elkander op apostolische en in die zin gereformeerde gronden de scheidbrief zouden moeten geven. En zolang dit niet als een onweersprekelijke en onloochenbare zaak op ons aankomt, moeten wij zelfs de gedachte, als zouden wij eigenlijk niet .meer (bij elkaar passen, als een verzoeking van de duivel van ons afzetten. Dat is geen Eli-achtige onaandoenlijkheid, dat is geen vrees voor onrust, maar het is de hartstocht voor de kerk, het is de angst voor het Ikabod; de eer is weg uit Israël, die ons daarbij moet bezielen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's