DE DORDTSE LEERREGELS
HOOFDSTUK III/IV, ARTIKEL, 16
Doch gelijk de mens door de val niet heeft opgehouden een mens te zijn, begaafd met verstand en wil, en gelijk de zonde, die het ganse menselijk geslacht heeft doorgedrongen, de natuur des mensen niet heeft weggenomen, maar verdorven en geestelijker wijze gedood; alzo werkt ook deze Goddelijke genade der wedergeboorte in de mensen niet als in stokken en blokken, en vernietigt de wil en zijn eigenschappen niet en dwingt die niet met geweld zijns ondanks, maar maakt hem geestelijk levend, heelt hem, verbetert hem, en buigt hem tegelijk liefelijk en krachtiglijk; alzo dat, waar de wederspannigheid en tegenstand des vleses tevoren ten enenmale de overhand had, daar nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes de overhand begint te krijgen; waarin de waarachtige en geestelijke wederoprichting en vrijheid van onze wil gelegen is. En ten ware dat die wonderbaarlijke Werkmeester alles goeds in dezer voege met ons handelde, de mens zou ganselijk geen hoop meer hebben van uit de val te kunnen opstaan door zijn vrije wil, waardoor hij zichzelf, toen hij nog stond, in het verderf heeft gestort.
De mens is na de val mens gebleven. In de Richtlijnen inzake de leer der uitverkiezing schrijft de synode op blz. 43: „Sommige kerken en groepen van hervormde afkomst noemen zich daarom graag naar Arminius, om aan te duiden, dat ze Gods wereldwijde liefde belijden en op de persoonlijke verantwoordelijkheid van de mens nadruk leggen" (Curs. van L. V.). Artikel 16 laat ons zien, dat de Leerregels deze persoonlijke Verantwoordelijkheid niet ontkenden. Ik meen, dat het zo ligt, dat de Arminianen de gereformeerde leer, welke, volgens artikel 10 Kerkorde, ook de synode belijdt en uit draagt in al haar spreken, verdacht wilden maken door te stellen dat zij wel, maar de gereformeerden niet de persoonlijke verantwoordelijkheid handhaafden. De remonstranten brachten de volgende beschuldiging in, zij het in de vorm van een vraag: Als het waar is, dat Gods Geest in de geestelijk dode zondaar, die niet kan of wil medewerken in het komen tot de wedergeboorte, geheel zonder hem in hem dat werk tot stand brengt, wordt die mens in het ontvangen der genade dan niet als een „stok en een blok", eigenlijk een willoos voorwerp van Gods genadeweg, die, zonder zijn toestemming, en zelfs tegen zijn wil, wordt gebracht onder de genade-heerschappij van Jezus Christus? En wordt daarmee niet alle eigen verantwoordelijkheid opgeheven?
De remonstranten wilden dit graag als een onzalig, maar noodzakelijk gevolg van de gereformeerde leer voorstellen. Zij leerden immers zélf de vrije wil en de medewerking met de werkingen des Geestes. Zij handhaafden de verantwoordelijkheid. Maar die gereformeerden ontmensten de mens. Dat wilden de remonstranten graag stellen. De vaderen van Dordt bestreden dit. Zij stelden, dat de zonde niet heerst in de mens als een noodlot. Mens en zonde is niet hetzelfde. Als men eens een keer heel sterk de totale verdorvenheid des mensen wil uitdrukken kan men zeggen: de mens doet geen zonde, doch is zonde. Maar men moet dan toch wel het voorbehoud maken, dat de mens zonde is, omdat hij zonde wil zijn. De mens is geen duivel geworden en geen dier. Reeds in artikel 4 van ons hoofdstuk hebben de Leerregels gezegd, dat er nog zoveel licht der natuur in de mens is overgebleven, dat hem, bij het niet gebruiken van dit licht alle verontschuldiging voor God benomen wordt. De mens kan niet vluchten buiten zijn verhouding tot God. De Almachtige blijft hem verantwoordelijk stellen. Zo kan hij zich niet onttrekken aan zijn mens-zijn en aan zijn verantwoordelijkheid. Met de Leerregels houden wij er aan vast, dat de mens staat en blijft staan — ook na de zondeval — in zijn menselijke verantwoordelijkheid en in zijn menselijke schuld tegenover God. Weliswaar is de mens geheel bedorven, maar hij bleef mens. Dat wil niet zeggen, dat er nog een goed gedeelte in hem overbleef. Niettegenstaande het licht der natuur is in de verhouding tot God alles bedorven, juist omdat zijn menselijke wil niet vernietigd, maar geheel tegen God gericht is. De mens heeft geen vernietigde wil, doch een tegen God vijandige wil. Hij is geen stok of blok, maar zeer werkzaam tegen Gods wet en wil.
Bij de schepping was er een onderscheid tussen mens en dier. De mens is naar Gods beeld gemaakt, het dier niet. Door de val is de mens niet tot een dier geworden. Het moge zo zijn, dat de Remonstranten nadruk leggen op de verantwoordelijkheid van de mens, men kan echter moeilijk zeggen, dat de gereformeerden dat niet doen. Calvijn moge als voorbeeld dienen. Met nadruk betuigt hij telkens, dat God de mens niet vrijlaat uit zijn verantwoordelijkheid. Maar het verschil met oude en nieuwe Aminianen is, dat de laatsten stellen, dat de mens medewerken kan: door te geloven b.v. en te willen. Dit nu verwerpt Calvijn. Ik ben echter wel eens bang, dat deze en gene, die toch geen remonstrant wil zijn, de boog niet strak genoeg gespannen houdt. Hij predikt de verantwoordelijkheid van de mens en dat is goed, maar laat min of meer de totale onmacht in de mist. Hij erkent wel een onmacht om de geboden te houden, maar iaat in het midden de totale onmacht om te geloven. Het is niet altijd even makkelijk om zich te hoeden voor de oude of nieuwe dwalingen. Calvijn nu schrijft bij Johannes 1 : 5, dat er altijd enig licht in de mens gebleven is. Dat licht der natuur komt voort uit de Zone Gods, de Logos, het Woord. Dat licht schijnt in de duisternis van zonde en dood, waarin de mens ligt. Welk licht is het? Calvijn antwoordt: Daar zijn inzonderheid twee delen des lichts, 't welk in de verdorven natuur nog overgebleven is. Want aan een iegelijk is van nature enig zaad der religie ingeboren. Ten andere zo is in hunlieden conscientie ingegraven een onderscheid van goed en kwaad. Maar wat vruchten komen daar ten laatste uit, anders dan dat de religie tot duizend gruwelijke en monsterlijke bijgelovigheden ontaardt? "
Waartoe strekt het nu, dat wij weten, dat er nog enig licht in de mens schijnt? „Voorts, dat hij zegt, dat het licht in de duisternis schijnt, dient geenszins tot de lof van de verdorven natuur des mensen, maar liever om alle voorwending der onwetendheid weg te nemen".
Op een andere plaats schrijft Calvijn: „Men ziet dat in de slechtste en verwerpelijkste mensen nog een indruk is van Gods beeld: dit is om hen des te meer alle verontschuldiging te benemen". Ditzelfde tekent Calvijn aan bij Ezech. 11 : 19: daar zijn nog enige vonkskens van kennis overgebleven, maar dat voert ons niet op de weg der gehoorzaamheid aan God. „Wat dan? Het is zo, dat die vonkskens wel lichten in de duisternis, maar slechts ons alle onschuld benemen."
De mens is dus geen dier geworden. Dat betekent voor de mens, , dat Gods gericht door hem niet te ontgaan is. Het betekent ook, dat God de gevallen mens niet loslaat, maar in zijn uitverkorenen de mensheid tot het doel hunner schepping brengt.
Calvijn kan zich kras over de natuur van de „natuurlijke" mens uitlaten. Ontaard, verdorven, overlopend vol zonde is de mens. Hij lijkt meer op een hond of een ezel dan op de mens in het paradijs. Bij Rom. 7 : 24 tekent de reformator aan over de mens: „Hoewel hij immers nog hoger staat dan de redeloze dieren, is toch de ware voortreffelijkheid hem ontnomen, en hetgeen overgebleven is, is vol van ontelbaar bederf ... zo zegt de Heere ook bij Mozes: „Mijn Geest zal niet meer twisten met de mens, dewijl hij ook vlees is" en Hij vergelijkt de mens, die hij van de geestelijke voortreffelijkheid berooft, daar verachtelijk met de beesten. Dit is een uitnemende uitspraak van Paulus om alle roem van het vlees te vernietigen. Hij leert immers dat ook de allervolmaaktsten, zolang zij in hun vlees wonen, aan de ellende zijn prijsgegeven, omdat zij aan de dood onderworpen zijn, ja dat zij, wanneer zij zich zelf met de uiterste nauwkeurigheid onderzoeken, in hun natuur niets dan ellendigheid zullen aantreffen. Opdat zij zichzelf echter niet aan verdoving overgeven, wekt Paulus hen voorts door zijn eigen voorbeeld op tot bange verzuchtingen, en hij beveelt hen om zolang zij als vreemdelingen op de aarde verkeren, de dood te begeren als het enige geneesmiddel voor hun kwaad. En voorzeker, dit is de ware reden, waaraan men naar de dood moet verlangen". In een preek over Job 10 : 8 zegt Calvijn: „Ofschoon de ezels en de ossen hun natuur behouden, toch zijn de mensen zo bedorven, dat wanneer God hen tot Zich roept, dat zij, in plaats dat zij verrukt zijn over een zodanige goedheid, er minder door bewogen zijn dan de wildste dieren".
Op een andere plaats: Uit het feit, dat het God berouwt, dat Hij de mens gemaakt heeft volgt, dat wij niet waardig zijn onder de ezels of honden of andere beesten geteld te worden. Leeuwen en beren zijn we. Bij Joh. 10 : 18 tekent Calvijn aan: „Maar hier rijst een vraag op, te weten wanneer iemand van de kudde van Christus begint te zijn? Want wij zien, dat velen de meeste tijd huns levens, als verbijsterde schapen in de woestijn dolen, die ten laatste in de schaapskooi van Christus verzameld worden.... Voorwaar, van nature zijn wij geen ding minder dan schapen, maar worden veel met alle te samen beren en leeuwen geboren, totdat de Geest van Christus ons temt en uit wilde en ongetemde beesten tamme en zachtmoedige dieren maakt. Alzo zijn wij naar de verborgen verkiezing Gods in Zijn gemoed alrede schapen, eer wij geboren zijn, maar door de roeping, waardoor Hij ons in Zijn schaapskooi vergadert, beginnen wij in onszelf schapen te zijn".
Dus van nature beren en wolven, maar toch mensen. Want het vermogen om te denken en om te willen is onafscheidelijk van de natuur der mensen en is dus door de val niet verloren gegaan. Wij zijn wel zondig van nature, maar de zonde is niet onze natuur.
„Wij zeggen dat de mens door een natuurlijk gebrek verdorven is, maar welk gebrek nochtans uit de natuur niet is voortgekomen, opdat wij daarmee te kennen mochten geven, dat ze meer een hoedanigheid is, die de mens van buitenaf is toegevallen, dan een wezenlijke eigenschap, die van het begin af in hem is ingeschapen. Wij noemen ze nochtans natuurlijk, opdat niemand denke, dat ze van een ieder door een 'kwade gewoonte verkregen wordt, terwijl ze door een erfelijk recht alle mensen bevangen heeft." (Inst. II, 1, 2)
Overal komen bij Calvijn die kleine overblijfselen terug. Hij spreekt wel over ossen en ezels, maar dat is toch bij wijze van vergelijking. Want „de heidenen, die niet zijn wedergeboren, zijn toch niet gelijk ossen, ezels, honden. Wij dragen dus altijd mee enig merkteken van het beeld Gods, dat aan de eerste mens is ingedrukt". In de bekering blijft dan ook onveranderd, wat tot de oorspronkelijke natuur behoort.
Het is duidelijk, dat in deze uitspraken het woordje natuur twee betekenissen heeft: de natuur, waarmee een mens geschapen is en die waarmee hij geboren wordt. Van die geschapen natuur is nog iets over, maar dan alleen de vorm. De inhoud is er uit. De mens kan nog denken en willen. Zo is hij geschapen. Hij kan niet meer het goede denken en willen. Dat is door de val verloren. Bij Rome en bij Brunner kan de mens nog zo heel veel goeds denken en willen. Niet alleen bij deze twee. Maar dat strijdt met het klassieke gereformeerde belijden. Om het goede te denken en te willen is het niet genoeg, dat hij mens gebleven is.
Het is ook niet genoeg dat de mens gedoopt is of onder de prediking van het evangelie gezeten heeft. Om het goede. te denken en te willen, moet de gevallen mens wederom geboren zijn. En anders? Dan gebruikt hij het licht der natuur voor een eigengemaakte eigenwillige godsdienst, die soms sprekend lijkt op de ware religie, maar het is onkruid onder de tarwe.
Wat is de reien, dat de mens geen dier geworden is? Dat is niet vanzelfsprekend. De menselijke natuur is niet van zichzelf uit onvernietigbaar. „Indien God ons niet had gespaard, zou de val met zich meegebracht hebben de ondergang van onze gehele natuur" (Inst. II, 2, 17). Daardoor heeft de duivel Gods schepping wel kunnen bederven, doch niet vernietigen. Verstand en wil bleven werken zij het met lust ten kwade. Derhalve is de zondaar verantwoordelijk voor al zijn doen en laten.
De mens heeft door zijn val niet opgehouden een mens te zijn, begaafd met verstand en wil. De natuur des mensen is niet weggenomen maar verdorven en geestelijker wijze gedood.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's