De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

RONDOM DE NIEUWE PSALMBERIJMING (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

RONDOM DE NIEUWE PSALMBERIJMING (4)

7 minuten leestijd

4. Melodie en poëzie. Nadere beoordeling.

Als tweede eis bij het werk aan de nieuwe psalmberijming werd gesteld, naast de eerste eis van de Schriftgetrouwheid: de psalmen moeten zingbaar zijn op de bestaande melodieën.

Dat zijn de melodieën van het Psalter van Geneve uit de 16e eeuw, op verzoek van Calvijn gecomponeerd door Louis Bourgeois en Maitre Pierre, in de stijl van het volkslied.

De muzikale adel van deze melodieën wordt door de muzikologen algemeen erkend.

Op deze melodieën zijn ook in ons land de psalmen sedert het midden van de 16e eeuw tot nu toe altijd gezongen. Ook bij de overgang van de berijming van Datheen naar die van 1773 nam men deze melodieën onveranderd over. In Zuid-Afrika heeft men destijds een aantal van deze melodieën vervangen door andere, die beter zingbaar zouden zijn. Maar men schijnt op den duur allerminst gelukkig te zijn met deze vervangingen.

In ieder geval, bij ons was de opzet: de bestaande melodieën handhaven.

Intussen waren deze melodieën in de geschiedenis van de psalmzang in Nederland echter wel tot een probleem geworden.

Want de melodieën waren geschreven op Franse teksten.

Petrus Datheen vertaalde deze teksten in het Nederlands, maar zijn vertaling botste veelal met de Geneefse melodieën, die samengesteld zijn door „hele en halve noten", wat een zekere correspondentie vraagt met de accenten van de tekst.

Van lieverlee ging men dan ook de noten alle even lang zingen, de tekst dwong daar wel toe. Maar de melodieën werden daardoor eigenlijk verbasterd.

In 1663 zegt „Voetius", dat de hele en halve noten toch wel onderscheiden moeten worden, maar het slepend psalmzingen op noten van gelijke waarde was niet meer tegen te gaan.

Het tempo was ook allengs veel langzamer geworden.

U kunt wel nagaan: in de 16e eeuw kon de wijs van Psalm 79 nog dienst doen voor een geuzenliedje („De geuzen in Bommlerwaard gevallen"). Vergelijkt u het tempo van dit lied maar eens met het tempo, waarin de psalmen nu vaak gezongen worden, in de Bommelerwaard en elders!

Maar, — Datheens berijming was ook niet te zingen in de maatslag van de Geneefse melodieën.

De berijming van 1773, de huidige dus, paste wel méér dan die van Datheen bij de oorspronkelijke melodieën, maar kon een geheel herstel ervan toch niet bevorderen.

Dat blijkt wel nu onze kerk de laatste jaren allengs terugkeert tot de oorspronkelijke manier van zingen, op „hele en halve noten": Vaak liggen de woord­-accenten precies tegengesteld aan die van de melodie. In Psalm 43 bijvoorbeeld krijgt u in het eerste vers „arglistigheden" en in vers 3: „tot uw gewijde tente weder".

U moet Psalm 141 (oude berijming) eens proberen te zingen op de oorspronkelijke melodie!

De eerste berijming van de reformatorische kerk in Nederland, die van Datheen, paste dus helemaal niet bij de melodieën, de tweede berijming, die van 1773, heel gebrekkig.

Geen wonder dat bij de voorbereiding van de nieuwe berijming als eis werd gesteld: de psalmen moeten zingbaar zijn op de melodieën van Geneve.

Overigens betekende dit een enorme verzwaring van het werk van de nieuwe berijming, dat begrijpt u wel: de woorden moeten min of meer in een voorgeschreven gelid komen te staan.

Maar na de andere bezwaren tegen 1773 (verouderd taalgebruik en aanvechtbare zegging, afwijking en te sterke aanvulling van de bijbeltekst) was dit een zoveelste breekijzer onder de pogingen tot restauratie: waar de tekst op zichzelf gezien wel zou kunnen blijven misschien, kon hij toch vanwege de melodie niet gehandhaafd worden: waar de melodie een accent vraagt, staat in de huidige berijming vaak juist een toonloze lettergreep.

Natuurlijk behoeven de woorden niet als in een keurslijf gewrongen te worden door de melodie-accenten, dat zou de verzen eenvoudig dood maken. Zo gestroomlijnd is de nieuwe berijming gelukkig óók niet.

Maar de correspondentie tussen woorden en melodie moet er toch zijn. De dichters moesten daar dus op letten, maar wij moeten het bij de beoordeling van de nieuwe berijming óók!

En ik merk, dat men dit nog al eens vergeet.

Dan stelt men wijzigingen voor in de nieuwe berijming zonder dat men let op de melodie.

De nieuwe berijming moet vooral ook zingende „beproefd" worden!

De melodieën eisen vaak „weldoordachte onregelmatigheden", die als ze gelezen worden wat stoten, maar gezongen, bijzonder goed klinken.

Een duidelijk voorbeeld hiervan is de slotregel van Psalm 42 : 1 (nieuw):

juichend staan in uw voorhoven.

U moet de oude en nieuwe berijming van Psalm 100 eens met elkaar vergelijken juist op het punt van de accenten. Die liggen in de oude berijming niet eens zo ongelukkig, in de nieuwe echter heel wat beter.

Ik denk in dit verband ook aan de bekende zegenbede van Psalm 134:

Dat 's Heren zegen op u daal'.

Velen missen dit vers bepaald in de Proeve van een nieuwe berijming. Al vind ik de nieuwe berijming van deze psalm óók niet zo geslaagd, de oude versie had toch maar een raar melodie-accent bij dat voorzetsel „op", waardoor de volksmond de regel ook altijd opzei met dat vreemde accent: „Dat 's Heren zegen op u daal'."

Bovendien gaat de melodie bij dat „daal" ook nog omhoog, zingt u het maar eens.

Misschien vindt u dit muggenzifterij, maar ik vraag: Wanneer men bij een profaan lied z'n best doet om woord en toon overeen te stemmen, zouden wij dan met de liederen van God zoveel slordiger mogen handelen?

De derde eis die gesteld werd bij de voorbereiding van de nieuwe berijming was: het werk moet literair verantwoord zijn.

Dat is natuurlijk een heet hangijzer.

De berijming-Hasper is daaraan geschroeid: het bleek berijmd proza te zijn, waar de vonk van de poëzie niet in óp-licht.

Dezelfde indruk maken trouwens ook andere berijmingen, die in deze jaren gepubliceerd worden.

Wil een lied levenskracht en duurzaamheid hebben, dan moet het echt poëzie zijn.

Bovendien: het is voor de eredienst, het zijn teksten uit de Heilige Schrift. Dan is het beste, ook het literair beste, nauwelijks goed genoeg. Dan is het op zichzelf gezien iets om bijzonder dankbaar voor te zijn, wanneer in de kerk gaven van echt dichterschap openbaar komen en de dichters hun gaven dienstbaar willen stellen voor de kerk.

Het was een bijzondere omstandigheid, dat er in deze jaren in de kerk een aantal dichters was, die ia de literatuur van heden ook als zodanig gelden, onder wie een drietal theologen. Dat beleeft de kerk niet altijd, zelfs niet elke eeuw.

Daarom werd aan deze dichters de opdracht gegeven voor een nieuwe psalmberijming.

Intussen is de vrees er wel geweest in het begin, dat wij wel literair werk van goede kwaliteit zouden krijgen, maar onbegrijpelijk en vreemd voor de gemeente, slechts voor een selecte groep te waarderen.

Maar van meet aan was de vierde eis bij de opzet: de berijming moet algemeen verstaanbaar zijn.

Daar heeft men zich ook in het algemeen aan gehouden, lijkt me. Zo zelfs, dat de nieuwe berijming velen bij eerste kennismaking wat al te gewoon voorkomt, met uitdrukkingen, aan het gewone spraakgebruik ontleend, die ongebruikelijk zijn in kerkliederen, zoals bijvoorbeeld:

o, haal uw hart op aan zijn gunstbewijzen (22:11)

Heer, laat hun haan geen koning kraaien (83 : 4)

U moet hierbij wel bedenken, dat uitdrukkingen, die ons in de berijming-1773 als bijzonder „eerbiedig" voorkomen, twee eeuwen geleden ook heel gewone manieren van zeggen waren, al spreekt hierbij ook een gewijzigde opvatting van kunstvormen mee natuurlijk.

Wanneer we nu de voorgestelde berijming nauwkeurig beproeven, moeten we dus altijd oude en nieuwe berijming vergelijken met de onberijmde tekst en daarbij de melodie niet vergeten, integendeel, de psalm vooral ook zingen. Wie dat doet (de vier vereisten in het oog houdend: tekstgetrouw, zingbaar op de oorspronkelijke melodie, literair en verstaanbaar) zal over het algemeen lijkt mij, de balans zien overslaan naar de nieuwe berijming.

Natuurlijk verzamelt hij daarbij ook een verlanglijst van wijzigingen in de Proeve-1961, die, mits doorgezonden, de commissie kan dienen bij de vaststelling van de voor te stellen eind-tekst, al moeten wij ons wel realiseren, dat wijzigingen niet eenvoudig zijn aan te brengen (juist vanwege die vier eisen) en de volmaaktheid uiteraard niet wordt bereikt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

RONDOM DE NIEUWE PSALMBERIJMING (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's