KRONIEK
Van geopende en gesloten deuren — Het „psalter-Hasper" afgeschreven? — Een laatste verzoek om revisie Hoofdstuk IV van de Kerkorde.
Aan de Kerken, geboren uit de Reformatie is wel eens verweten, dat zij te weinig aandacht geschonken hebben aan de zending. Voornamelijk in het begin, in haar opkomst. Indien het verwijt gerechtvaardigd was, zou daaruit blijken, dat die Kerken eigenlijk de betekenis van Pinksteren slecht verstaan hadden. Want de stelling: Pinksterfeest is zendingsfeest moge wat te absoluut zijn, Pinksteren roept toch wel om de zending. Ze horen zeker samen. De Kerk van het N.T. is zendingskerk, en moet als zodanig zich openbaren.
Maar is het wel juist, dat de Kerk uit de tijd der Reformatie, de zending, het uitdragen van het Evangelie in de heidenwereld, niet in haar arbeid betrok? Het tegendeel is waar, al stond de missie niet op het eerste plan, omdat er vlakbij en in eigen kring zoveel was te verzorgen en te regelen. Meermalen zelfs moest gestreden worden om te behouden wat ontvangen was.
Heel boeiend schreef hierover Prof. v. d. Berg in het Pinksternr. van Gereformeerd Weekblad (uitgave J. H. Kok), waaraan in het volgende het een en ander werd ontleend.
Het artikel vangt aan met een aanhaling Uit Calvijn's commentaar op 2 Kor. 2:12, waar de reformator bij wat Paulus schrijft over „de deur hem geopend in den Heere" — de apostel werkte toen in Tróas — aantekent: „dat de dienaren des Heeren voortgaan, wanneer de gelegenheid geschonken wordt, maar dat de deur wordt gesloten, waar geen enkele hoop op vrucht zich vertoont". Een nuchtere opmerking. En Prof. V. d. Berg, dit onderstrepend, veronderstelt, dat Calvijn hiermede doelde op het feit, dat de niet-christelijke wereld toen hermetisch gesloten was voor reformatorische zendingsarbeid. Met Rome was dat wel heel anders. In 1541, zes jaar voordat Calvijn zijn Commentaar op Korinthe het licht deed zien (in 1547), was uit „Portugal een machtige Vloot uitgevaren naar het verre Oosten". Op de zeilen stond het kruisteken. Aan boord bevond zich o.m. de bekende missionaris Xaverius, „de man, die de wereld veroveren wilde voor Koning Jezus", en van wien een tijdgenoot schreef, dat „hij dorstte naar de bekering van vele heidenen". Een dergelijke mogelijkheid en hulp werd de Kerk van Geneve niet geboden.
Maar dan verhaalt Prof v. d. Berg verder, van een verzoek, dat uit Brazilië de Kerk van Geneve bereikte. Het kwam van een Frans admiraal, de Villegaignon, die daar een stukje „antarctisch Frankrijk" wilde opbouwen en nu hulp van Geneve vroeg. Dit scheen een „geopende deur". Veertien mannen gaven zich om uit te gaan. In 1556, waarschijnlijk de 10e september, vertrokken ze vol hoop in dat verre land het Rijk van de Heere Jezus te mogen stichten. Het liep op teleurstelling uit. De Villegaignon bleek een bedrieger te zijn en de deur, die scheen open te gaan bleek zich spoedig weer te sluiten. Er was dus wel bereidheid voor het zendingswerk in Geneve, dis er maar even een deur open scheen te gaan. Ik zeg niet, dat de reformatorische Kerk in de eeuwen na haar ontstaan altijd en trouw de tekenen van „een deur geopend in den Heere", heeft verstaan. Er is veel ontrouw geweest maar het werrk geschiedde, want de Geest dreef, de Geest van Hem, Die „opent en niemand sluit. Die sluit en niemand opent". Prof. v. d. Berg memoreert dan nog de Nederlandse zending in de 17e eeuw op Formosa, waar alles hoopvol scheen en in de eerste bloei werd afgesneden. Ja de geschiedenis van de Zending is er ene van geopende en gesloten deuren. Paulus ondervond dit met name op zijn 2e zendingsreis. En toch, waar hij eerst niet heen mocht, wijl de Geest het niet toeliet, daar heeft hij later nog rijke vrucht en bloeiende gemeenten gezien. Terecht zegt Prof. v. d. Berg, dat er in de „geheimenisvolle" geschiedenis der zending een „en toch" is.
Hij wijst daarbij op de Goudkust „waar de Pinksterklokken nu luiden over de graven" van de negen mannen, die indertijd hier vruchteloos werkten en hun leven er heten.
In dit verband moest ik denken aan een artikel in de N.R.Crt „dd. 14-4-'62" dat verhaalt van een wondere groei van het Protestantisme in Zuid-Amerika. De overgangen zijn dagelijks zovele, dat het Vaticaan er zijn grote ongerustheid op allerlei wijze over laat blijken. Het artikel spreekt van Zuid-Amerika, noemt geen landen, maar uit andere bronnen weten we, dat ook in Brazilië een geopende deur is. Ja, er is een „en toch". Als de Heere deinen opent, zij er geen bedroeven van de Geest. Ik weet het, de tekst, waaruit ik citeerde, slaat op iets anders, doch geldt ook in dezen.
Van ons zendingsterrein in Kenya horen wij goede tijdingen. Het is voorshands nog een aftasten, een voorbereiding, doch er zijn ontvankelijke harten. Het zij ook hier een „deur geopend in den Heere".
„Mission ist Passion", zei een Duits zendingsman. Het is waar, maar de God van „en toch", doet Zijn Kerk gaan de weg van geopende en gesloten deuren" en geeft na en vaak in de „Passion" de vreugde van te oogsten. Dat is Pinksterzegen. Bemoedigend om vol te houden, en te gaan achter Hem, Die de leiding heeft en als het Hem behaagt open deuren kan geven in China, in het communistisch blok, en in de landen van de Islam. Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij alle de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben (1 Kor. 15 : 25 Wie zich geeft voor dit aanbevolen werk des Heeren, zal ondervinden „dat zijn arbeid niet ijdel is in den Heere." 1 Kor. 15 : 58).
De Stichting tot verbetering van het „psalmgezang" heeft zaterdag 2 juni jl. te Utrecht vergaderd, aldus meldde „Trouw", dd. 4 juni jl. Deze „Stichting", welke oorspronkelijk nauwe relaties had met de psalmberijming van ds. Hasper, — 't dusgenaamde „Psalter-Hasper" — en eveneens contacten met de vervaardiger daarvan — misschien bestaan ze nog — heeft op haar bijeenkomst de situatie gepeild in psalmen-zingend Nederland ten opzichte van het werk van ds. Hasper. De kansen van het „psalter-Hasper" zijn blijkens het ter vergadering meegedeelde bepaald miniem. Alleen de Baptisten hebben Hasper's berijimng ai jaren geleden ingevoerd.
Het verslag meldt dan verder, dat verschillende sprekers het woord voerden en mogelijkheden en bun wensen inzake het „psalter-Hasper" en het „dichterspsalter", gelijk kortheidshalve „de proeve", die nu aan de hervormde kerk en de gereformeerde kerken is aangeboden, en bestudeerd en beproefd wordt, noemt.
Ds. H. A. Munnik, em.-predikant van de geref. kerk van Zwolle was niet al te best te spreken over de besluiten zijner synode, inzake de afwijzing van het „psalter-Hasper" en de aanvaarding van het „dichterspsalter". „Hij vond het jammer", zo lees ik in het verslag van „Trouw", „dat de gereformeerde kerken het offer moeten brengen op het altaar van de hervormde kerk en dat niet ds. Hasper maar de hervormde dichters roem wegdragen". Dit ging de chr. gereformeerde predikant ds. A. Bikker uit Utrecht te ver. Hij had wel waardering voor het initiatief der herv. kerk. Naar wat hij rapporteerde had ook zijn kerkformatie bezwaren tegen deze, van ds. Hasper, o.m. dat de berijming getoetst aan de grondtekst, niet in alle delen zuiver was bevonden.
In de gereformeerde kerken (vrijgemaakt) maakt volgens ds. Deddens van Amersfoort het „dichterspsalter" geen schijn van kans. Voor „Hasper" waren de kansen aanvankelijk gunstig, tot „Prof. Schilder op de Synode te Assen (1961) het radicaal van de hand wees. Deputaten hebben opdracht gekregen om naast „Hasper": „andere berijmingen te toetsen".
Ds. Bikker, de héle situatie overziende, stelde twee mogelijkheden: 1e dat „de Meine kerken de handen ineenslaan" en samen komen tot „een eigen gereformeerd kerkboek", maar zo voegde hij hieraan toe, „dan is de breuk in psalmzingend Nederland voorgoed geslagen".
Als 2e stelde hij: de kleine kerken aanvaarden het „dichterspsalter", doch leveren bij toetreding tot de „Interkerkelijke Stichting" haar eigen inbreng. Dit laatste leek hem verkieslijker, doch dan handele men snel, want over enkele jaren zal de revisie van het „dichterspsalter" haar beslag hebben.
Men ziet: vele meningen, weinig overeenstemming. Over één ding was men, naar mijn indruk van het verslag, wel eenstemmig: het was naar ds. Bikker het uitdrukte, dat men ds. Hasper dankbaar moet zijn, de stoot tot restauratie der melodie te hebben gegeven „al vond zijn berijming dan geen ingang". Ter vergadering zong men onder leiding van de heer Vetter, vele psalmen vat de berijming van ds. Hasper.
Wat ds. Bikker in woorden bracht, de dankbaarheid, welke men ds. Hasper schuldig is, is, gezien hoeveel moeite, inspanning en kosten deze zidh voor zijn levenswerk heeft getroost, wel een povere waardering. Er zit in deze gang van zaken — ik ben slechts toeschouwer — iets heel triests, misschien is het woord tragisch hier, hoe vaak ook misplaatst, juister. Het heeft iets van een uitvaart, een begrafenis.
Zal er eenstemmigheid komen in psalmenzingend Nederland, of zal heel de activiteit inzake het psalmgezang nieuwe breuken creëren? Toen enkele jaren geleden het „psalter-Hasper" in de gereformeerde kerken werd vrijgegeven, schreef iemand dat men in Zeeland, — in deze provincie zijn nog gereformeerde gemeenten, die de berijming van Petrus Dathenus gebruiken — dat straks op één christelijke school de kinderen een opgegeven psalmvers in drieërlei berijming wellicht zouden zingen. Hij troostte zich dat er ondanks onenigheid in berijming toch eenheid in de melodie zou zijn. Hebben wij in de toekomst in ons goede vaderland iets dergelijks te wachten? Daarvoor behoede ons God!
In „Hervormd Weekblad van 14 juni 1.1. heeft Prof. v. Itterzon een kort artikel geplaatst met als opschrift: „Leertucht".
De bedoeling is niet om de zaak van de leertucht als zodanig te behandelen. bat zou in een dergelijk kort artikel niet doenlijk zijn.
Hij komt ook niet terug op de zaak-Smits, al poneert hij, dat die nu kerkordelijk haar beslag kreeg.
Het artikel vindt wel zijn aanleiding in die zaak. Prof. v. Itterzon wijst op de onduidelijkheid in de Kerkorde, met name in het hoofdstuk IV, waar over de leertucht gehandeld wordt en dat onduidelijk is als het over de vraag gaat of, ook wie na eervol ontslag de rechten van een em.-predikant ontvingen, daaronder vallen.
Nu is zijn vraag of het niet tijd wordt, dat de onduidelijkheid welke er op dit punt is, wordt weggenomen.
Het betreft dus hier een vraag om een revisie van de kerkorde in dit stuk. Hij wenst alzo een regeling, die „zonneklaar" is, en meent dat daarmede aan kerk en wereld een dienst zou zijn bewezen.
Ik hoop zeer, dat de Synode aan dit verzoek van Prof. v. Itterzon — hij zegt, dat hij dit verzoek nu „echt" voor de laatste maal doet — gevolg zal geven. Betreffende een zo tere en belangrijke zaak als de leertucht mogen er m.i. in de desbetreffende ordonnantiën geen onduidelijkheden zijn. De zaak van Prof. Smits heeft een en ander wel heel duidelijk in het licht gesteld. Wij zijn Prof. v. Itterzon dankbaar, dat hij dit punt nog onder de aandacht van Kerk en Synode bracht.
De Synode vergaderde in de laatste week van juni. Natuurlijk kon zij in deze zitting aan de wens van Prof. van Itterzon niet voldoen. De agenda was af gereed, voordat hij dit, zijn laatste verzoek om revisie deed. Doch zij doe het in een volgende zitting. Het zal zeker tot de welstand der Kerk meewerken.
Wat de Synode in haar zomerzitting behandelde en besloot, zij komen tot die welstand der kerk.
Dat zal het zeker, indien het was naar Gods Woord en Zijn eis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's