UIT DE PERS
Een belangrijk gedeelte van de kerkelijke pers wordt de laatste weken in beslag genomen door de problemen die er rijzen rondom de beweging „Van kerken tot kerk".
Op het congres van de „18" te Utrecht hebben de oproepen geklonken, zijn suggesties gedaan en nu komen in de kerkelijke pers de meningen en inzichten los.
In het Hervormd Weekblad De Gereformeerde Kerk schrijft ds. Groenewoud over deze aangelegenheid onder het opschrift „Verwarring". Deze titel is nu niet bepaald bemoedigend, maar het valt toch nog wel mee. Het streven naar hereniging heeft zijn sympathie, maar de schrijver is bang, dat men verschillende belangrijke punten over het hoofd zal zien. Wanneer de hereniging een feit zou zijn en men zou dan pas allerlei struikelblokken ontdekken, dan zou het resultaat zijn dat er een nog grotere verwarring ontstond.
Prof. V. Itterzon wees een vorige keer al op de diverse binnenmuren die er in de herv. kerk nog waren en stelde de vraag hoe we daar nu mee moesten handelen als men de scheidsmuren tussen herv.- en geref. kerk gesloopt had.
Ook ds. Groenewoud gaat de gereformeerden ernstig waarschuwen en vraagt hen of zij wel weten hoe het in de herv. kerk precies gesteld is.
In zijn artikel gaat hij uit van een tweetal foto's die hij vond in „De Open Deur". Deze foto's waren afgedrukt bij een artikel in dat blad, dat handelde over de actie „Van kerken tot kerk". Het was een foto van de herv.kerk van Rijssen en van de geref.kerk van Zegwaard. Deze twee kerkgebouwen lijken blijkbaar erg veel op elkaar, zodat men ze gemakkelijk zou kunnen verwisselen. Maar als men er binnen komt en een dienst mee zou maken, dan zou men grote verschillen opmerken. En nu is de vraag van ds. Gr. of de gereformeerden dat wel weten en er wel erg in hebben.
Als hij de uitlatingen van gerefornfeerde zijde leest, dan praat men daar altijd maar over het grote struikelblok voor de gereformeerden in de herv.kerk: de 'vrijzinnigheid. Maar er moet in de herv.kerk voor de geref. toch nog een (onoverkomelijk? ) struikelblok zijn, namelijk de gereformeerde bond.
Als nu eens een Zegwaardse gereformeerde de herv.kerk van Rijssen zou binnenstappen, dan zou hij toch meteen het verschil opmerken en toch ook wel op slag van z'n herenigingsheimwee genezen zijn, want in de herv.kerk van Rijssen zou hij geen gezangen op het liederenbord zien staan, die wellicht in zijn geref.kerk wel gezongen worden. Nu we kunnen ons voorstellen, dat meteen de bede van Christus: dat zij allen één zijn, iemand niets meer doet als hij met een verbijsterde blik staat te staren op zo'n liederenbord. Natuurlijk voelt zo iemand zich volmaakt onwennig.
Met grote openheid en eerlijkheid waarschuwt ds. Gr. met name de „64" gereformeerden, die het „Getuigenis" de kerk ingezonden hébben, om toch vooral ook oog te hebben voor dat struikelblok:
Kennelijk worden de 64 gereformeerden weerhouden wan eenheid door het dulden van de vrijzinnigen. Het artikel van prof. Van Itterzon toont aan, dat wij daar begrip voor hebben. Toch is het standpunt der 64 niet reëel. Zij doen alsof de vrijzinnigen het enige struikelblok zijn. Betere kennis van de Hervormde Kerk zou hen erop hebben doen wijzen, dat de eenheid met hervormden in gemeenten die de naam van Gereformeerde Bond dragen, voor hen onmogelijk is. Dat is o.m. te Rijssen het geval. Nu heb ik er al eens op gewezen, dat er ook onder de Gereformeerde Bond een zeer grote verscheidenheid is. Wat te Rijssen onmogelijk is, zal elders wèl mogelijk zijn. Maar het gaat er hierom, erop te wijzen, dat men wèl kan zeggen: de vrijzinnigen die van Schrift en belijdenis afwijken, maken ons het samengaan onmogelijk; maar dat dit het enige niet is. Niet alleen ter linker- maar ook ter rechterzijde ligt een groot struikelblok op de weg tot hereniging. De gemeenschappelijke naam gereformeerd is op zichzelf geen garantie voor een eenheid die kerkelijk samengaan mogelijk maakt. En zo staat, stellig ook de 64, de Gereformeerde Bond de hereniging in de weg.
Nu de hereniging zo in de lucht zit, gebiedt de eerlijkheid om terstond orde op zaken te gaan stellen. We herinneren ons namelijk kerken, waar op de panelen van de kansel met sierlijke krulletters geschilderd staat: Psalmen en Gezangen met daarachter haakjes om de nummers op te hangen. Die borden worden echter al jaren lang niet meer gebruikt {ook niet voor de Psalmen). Dat moet nu natuurlijk meteen afgelopen zijn; dat zou gaan lijken op zoiets als het leggen van landmijnen om de argeloze gereformeerde wandelaar op te laten lopen. Om dezelfde reden mag het nu voortaan ook niet meer voorkomen dat een gezangenzingende predikant, in een kerk waar geen liederenbord meer wordt gebruikt, „toevallig" eens geen enkel gezang laat zingen. Dit werkt voor eventuele gereformeerde bezoekers alleen maar verwarrend en misleidend.
Het Gereformeerde Weekblad (Kok) van 22 juni is bijna geheel gevuld met het behandelen van de problemen rondom de hereniging. De rubriek Van Week Tot Week is deze keer zeer lang en met een kleinere letter gezet om aan alle opgekropte gevoelens ruimte tot uiting te bieden. We hebben daar allereerst een uitvoerig antwoord-schrijven van prof. V. Riessen op de in twee delen gepubliceerde brief van prof. Ridderbos.
De toon van het tweede deel van de brief van prof. Ridderbos was, volgens prof. V. Riessen, zo veel scherper dat v. Riessen er zichzelf en Ridderbos niet meer in kon herkennen. Gemoedelijk vraagt v. Riessen of er tussen de eerste en de tweede brief soms iets voorgevallen is. „Misschien heb je je bij het scheren gesneden of trapte je in een punaise vlak voordat je mijn artikel nog eens doorlas vóór je laatste brief".
In zijn antwoord komt prof. Ridderbos niet meer op het zich snijden bij het scheren; we vermoeden dus, dat prof. Ridderbos zich elektrisch scheert. Maar hij is wél — zo lezen we in zijn antwoord — in een punaise getrapt. In ons vorige persoverzicht vermoedden wij dat prof. V. Riessen z'n collega op de tenen getrapt had, maar het is toch anders gelopen, zo vernemen we nu, hij trapte in een punaise die prof. v. Riessen er blijkbaar neergegooid had in zijn schrijven.
Prof. V. Riessen had namelijk geschreven dat hij de voorstanders van de aansluiting bij de Wereldraad niet wilde beschuldigen en verdenken van minderwaardige motieven en gronden daarvoor. Maar hij voegde er aan toe: Doch ik begrijp dan ook niet op welke wijze je deze aansluiting dan wel meent te kunnen bepleiten. Het ontgaat prof. v. Riessen dus dat er ook nog andere dan alleen maar verwerpelijke gronden kunnen zijn die voor aansluiting pleiten. En dat is de punaise waar prof. Riddebos in trapte.
Op dringend verzoek van z'n collega gaat prof Ridderbos de zaak nog eens uitleggen.
De vraag waar het op aan komt is nu, wat het beste is: de Wereldraad aanvaarden, omdat en zolang hij op een bijbelse wijze uitdrukking geeft aan de grondslag der kerk en op die grondslag het kerkelijk beraad voert, ook (wel eens) bepaalde uitspraken doet, allerlei activiteiten ontwikkelt; of de Wereldraad verwerpen, omdat onder degenen, die in de Wereldraad de grondslag zeggen aan te hangen en schijnbaar ook aanhangen, er óók zijn van wie ik weet, dat er aan hun evangelie-verkondiging thuis zoveel ontbreekt, dat ik bijv. niet met hen in één plaatselijk of landelijk kerkverband zou kunnen verkeren. Nu kun je van mening zijn, dat toet tweede (verwerpen) veel aannemelijker is dan het eerste (aanvaarden), maar je moet het niet zo voorstellen, alsof het eerste zo onbegrijpelijk of tweeslachtig is, dat het telkens weer voor onnozelen (als jij en vele anderen) „uitgelegd" moet worden.
Op geheel andere wijze is in hetzelfde blad ook prof. Br. Wurth met deze problemen bezig. Hij schrijft over het punt van de vrijzinnigheid, onder de titel: Vernieuwing of Ketterij? In de herv. kerk geeft men nog te veel aan de ketterij een legale plaats, want de ketterij moet juist dienen om de kerk te bewaren tegen een verstarren in een steriel traditionalisme. Met een beroep op 1 Cor 11 : 19 wil men de vrijzinnigen handhaven omdat anders de mogelijkheid van vernieuwing in de kerk afgesneden wordt en de kerk buiten de nieuwe tijd komt te staan. Hoewel prof. W. eindigt met te zeggen, dat er van echte en verantwoorde vernieuwing alleen sprake kan zijn als die vernieuwing blijft binnen het gareel van wat Gods Woord als onaantastbare waarheid openbaart, toch staat hij in z'n positiebepaling tussen vernieuwing of ketterij niet zo heel ver af van het midden-orthodoxe standpunt:
Het laat zich niet loochenen, dat in het verleden soms als hinderlijke en gevaarlijke ketterij afgewezen is wat in feite neerkwam op een verzet tegen een zweren bij de letter van Schrift en belijdenis. Onder de ketters kwamen soms scherpzinnige theologen voor, die geen vrede konden hebben met kerkelijk of theologisch traditionalisme, die de zwakke kanten zagen van bepaalde dogmatische formuleringen, die zich bezwaard voelden over een verzeild raken van kerk en theologie in de wateren van een dorre en geesteloze scholastiek. Het is typisch dat daarom b.v. de reformatoren in hun dagen over sommige ketters minder ongunstig geoordeeld hebben dan de officiële kerk van de middeleeuwen onder scholastieke invloeden vaak gedaan had. En het laat zich ook niet ontkennen, dat men aan een verschijnsel als de vrijzinnigheid onrecht doet, als men er alleen een openbaring van kerkverwoestende ketterij in ziet. Daar zijn er onder de vrijzinnigen, die althans subjectief geleid werden door een oprecht verlangen om dieper in de Bijbelse waarheid in te dringen en in het licht daarvan voor de grote vragen van de moderne tijd een antwoord te vinden. En ook objectief heeft de vrijzinnigheid in verschillende van haar theologische vertegenwoordigers een belangrijke bijdrage geleverd b.v. tot een beter verstaan van de Schriften van Oud en Nieuw Testament. Hun bijbelkritiek droeg niet alleen een negatief maar ook soms een positief karakter. Een groot waardevol werk als het Theologisch Woordenboek van Kittel is zonder de arbeid der vrijzinnige theologie niet te verstaan. Dit alles moeten wij onze midden-orthodoxe hervormde broeders toegeven.
Tenslotte schrijft N. L. Hommes in hetzelfde blad een artikel over het kernprobleem tussen Hervormden en Gereformeerden. Hij waarschuwt tegen het verschuiven van het probleem waardoor de kern van de zaak voor het bewustzijn vervaagt. Dit geschiedt als men de eis der eenheid stelt vanuit de nood of de dreiging der wereld.
Met instemming haalt hij een vrijzinnig schrijver aan, die wijst op een niet zuiver stellen van de zaak als men gaat beweren dat de waterstofbommen een groter probleem vormen dan een professor. (Hier wordt dan bedoeld prof. P. Smits over wie zoveel deining geweest is in de kerk).
De vrijzinnige schrijver stelt echter dat prof. Smits het evangelie preekt en wil hebben dat rechtzinnigen en vrijzinnigen protesteren tegen het uitrangeren van prof. Smits. En hier ziet Hommes een onoverbrugbare kloof tussen de vrijzinnigen en gereformeerden. De vrijzinnige vragen hier immers niet minder dan dan een capitulatie over heel de linie, een prijsgeven o.a. van het verzoenend lijden en sterven van Jezus Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's