RICHTLIJNEN VOOR DE HOUDING JEGENS ROME
II
Een drietal bedenkingen zijn het die bij het lezen van de Richtlijnen — waarvan we vorige week een samenvatting gaven — bij ons zijn opgekomen.
De eerste 'betreft de hele toon van het geschrift, het is de toon van het gesprek; het hele geschrift ademt de gesprekssfeer.
Het ligt niet in onze bedoeling hier kritiek op te leveren vanuit het het bezwaar dat we hebben tegen de tegenwoordige gespreksmode, en haar wijsgerige en theologische achtergronden. Maar wel lijkt ons ook hier de gevaren die aan de gespreksmethode kleven klaarblijkelijk. De vriendelijkheid en milde toon gaan zo gemakkelijk het getuigenis overstemmen. Zelfs al is er de eerlijke bedoeling in het gesprek met de anders-gelovigen eigen overtuiging niet te verzwijgen, de polemische kanten daarvan worden toch allicht of weggelaten of wat bijgevijld. Dat kan zijn nut hebben in zoverre het polemiek betreft die beneden de eisen van het Evangelie blijft. Maar er is ook een polemiek waarin het Evangelie zelf ons voorgaat.
Het conflict Rome-Reformatie is veel ernstiger dan dat het alleen maar een theologische aangelegenheid zou zijn. Al wordt er tijdens de periode van het gesprek ernstig gestudeerd — de waarde daarvan ontkennen we niet —, er is meer te doen dan alleen wat theologische discussie voeren. De Reformatie heeft in haar grote figuren uit de begintijd in Rome een gevaarlijke dwaling gezien, zelfs een anti-christelijke macht. Het ging haar in haar strijd (!) tegen Rome om de zielen van zovele duizenden, die — in deze gevaarlijke dwaling gevangen — dreigden voor eeuwig verloren te gaan. Ons dunkt dat het bestaansrecht van de strijd, de polemiek met Rome vanuit dit bijbels motief moeilijk betwist kan worden. Maar indien de legitimiteit van deze polemiek, die heel wat anders is dan laag-bij-de-gronds antipapisme erkend wordt, waarom blijkt daar dan niet meer van in dit geschrift van de synode?
In de synodevergadering waarin het concept van de Richtlijnen werd aangenomen is volgens het verslag dat we lazen in Woord en Dienst (jg. 10 no. 24) door een der afgevaardigden nogal kritiek geleverd op de activiteiten van gewezen r.k.-priesters, die de pogingen tot toenadering van protestanten en rooms-katholieken vaak zouden frustreren. Ongeveer in dezelfde geest heeft op een persconferentie in Den Haag van het moderamen der generale synode volgens een verslag in De Rotterdammer van 11 apr. jl. ds. Landsman zich uitgelaten. Volgens het verslag zou hij op deze conferentie gezegd hebben dat een opzettelijke bekeringsactie onder de rooms-katholieken door de hervormde kerk in strijd wordt geacht met de wijze waarop christenen van verschiIlende kerken elkaar behoren te ontmoeten. Als voorbeeld van zulk een misplaatste bekeringsactie zou hij de naam van ds. H. J. Hegger en diens 'blad In de Rechte Straat hebben genoemd. Hier hebben we dan zo'n gewezen r.k.-priester — waar mogelijk ook de afgevaardigde in de synode het oog op had.
Eerlijk gezegd begrijp ik niet goed welke wezenlijke bezwaren er van reformatorische zijde tegen de activiteiten van ds. Hegger — en andere gewezen r.k.-priesters, die in dezelfde geest arbeidden — kunnen zijn. Bedoelt het gesprek met Rome dan alle evangelisatie onder rooms-katholieken uit de weg te ruimen? Indien dat de bedoeling zou zijn — maar het is haast niet mogelijk — dan was dit gesprek toch wel een zeer kwalijke zaak!
Wie de geschriften van ds. Hegger heeft gelezen weet, dat ze sterk getuigend van aard zijn. Geen mensenwerk is volmaakt, ook dit niet, maar doet het het reformatorische hart niet goed, dergelijke taal te lezen van een man die weet — door Gods genade — de strik ontkomen te zijn, en die zijn blijdschap niet óp kan omdat hij nu Christus heeft gevonden?
Waarom wordt in onze kerkelijke kringen die zich bezighouden met Rome naar dergelijke mensen niet geluisterd; zij kennen Rome van binnenuit, uit ondervinding, veel beter dan wij, ook al lezen we misschien (doen we dat? ) knappe theologische studies van roomse schrijvers.
Kortom, de warme toon van het getuigenis hadden we gaarne in de Richtlijnen wat meer gehoord; het verdriet ons dat het geschrift te „zakelijk" is gebleven, dat ook de toon van de aanklacht er slechts heel weinig in wordt beluisterd.
Een tweede bezwaar dat bij het lezen van de Richtlijnen bij ons opkwam is dit, dat de r.k.-kerk zomaar zonder meer gerekend wordt tot de christelijke kerken. Wij ontmoeten haar toch als christelijke kerk — wordt er gezegd (blz. 33). Onze vraag is: Is dat wel zo?
Calvijn heeft zich al met de kwestie beziggehouden, nl. de vraag of wij Rome een kerk van Christus kunnen noemen. Hij heeft hier vooral in zijn beroemd Antwoord aan kardinaal Sadoletus 1539 een antwoord op gegeven.
Zijn oordeel was niet geheel zonder differentie. Het was de tijd dat de macht van paus en curie zich nog niet dermate overal deed gelden, dat niet hier en daar binnen de roomse kerk min of meer evangelisch kon worden gepreekt. Met het oog daarop erkent Calvijn tegenover Sadoletus: Neen, Sadoletus dat onder uw bestuur gemeenten van Christus voorkomen, ontkennen wij niet.., Maar hij voegt hier vrijwel onmiddellijk aan toe: Overal waar de paus heerschappij voert, zijn nauwelijks meer verstrooide vodden dan halfbegraven gemeenten te zien. Hij verwijst daarna naar 2 Thess. 2:4 waar gezegd wordt dat de Antichrist zijn troon zal hebben in Gods tempel. Zo weinig wil dus het woord „kerk" zeggen als het over Rome gaat!
Het zou dan ook volkomen ten onrechte zijn als men in onze tijd de veronderstelling zou durven maken, dat Calvijns oordeel over de roomse kerk nogal meevalt. Hij heeft in deze „kerk" niet meer dan slechts enkele „resten" van het kerk-zijn (reliquiae ecclesiae) herkend. Hij zag in Rome „zoiets als een kerk" (forma ecclesiae).
Hierbij moet men bedenken, dat Calvijn zijn brief aan Sadoletus schreef nog vóór het Trentse concilie samen'kwam. Was vóór Trente binnen de roomse kerk een beroep op de Heilige Schrift als enige norm der waarheid nog niet officieel onmogelijk gemaakt, na Trente is dat wel het geval. Bovendien werd te Trente een rechtvaardigingsleer tot dogma verheven, die het leven uit de genade door het geloof in Jezus Christus spoedig bijna volledig afsneed. En na Trente is het Vaticanum van 1870 gekomen, dat een voltooiing van het streng pauselijke karakter van de roomse kerk betekende; zodat ze tegenwoordig een pauselijke kerk is tot in al haar geledingen. Van „gemeenten van Christus" in haar kan nu geen sprake meer zijn.
We deden wijs als we het bij onze confessie hielden die over de roomse kerk als een „valse kerk" spreekt (N.G.B. art. 29). In ieder geval zal men in een officieel geschrift van onze kerk als de Richtlijnen niet mogen nalaten gegronde redenen te noemen waarom men in tegenstelling tot de belijdenis der reformatorische kerken de roomse kerk onder de „christelijke kerken" schaart.
Het oordeel der confessie over de roomse kerk is hard — we ontkennen dat niet. Maar moeten de dingen niet eerlijk en zuiver gesteld worden?
Ons derde bezwaar dat we naar voren willen brengen betreft de opmerking die gemaakt wordt over de biecht. Wij lezen in de Richtlijnen: „Er moet ook erkend worden dat in de Rooms-Katholieke kerk schatten van geloof zijn bewaard gebleven, die in onze kerk langzamerhand zijn verdwenen. Wij denken bijvoorbeeld aan de biecht", (blz. 33).
De uitdrukking in zijn geheel is 'bijzonder onvolledig en roept dan ook allerlei vragen op. Bijvoorbeeld deze of de Reformatie soms niet — of niet meer — katholiek is, waar ze zich toch altijd voor heeft uitgegeven. In elk geval het voorbeeld van de biecht is al heel ongelukkig. Men kan niet zeggen dat de biecht in de eigenlijke zin van het woord ooit door de Reformatie is aanvaard. Calvijn verwierp haar zonder meer als een „foltering der zielen". Maar ook Luther verwierp de roomse biecht; dat moet met nadruk gezegd worden, omdat men zich op hem nogal eens pleegt te beroepen in de protestantse kringen die voor een herinvoering van de biecht pleiten. Hij kende wel een „biecht", maar die verschilde dan toch wel zo totaal van de roomse biecht dat zelfs een vergelijking niet mogelijk is. In de Richtlijnen gaat het echter over de biecht die Rome — zij het in verkeerde vorm — nog bezit en die wij niet meer bezitten. (Richtlijnen blz. 33).
In de reformatorische kerken heeft men het pastorale gesprek. Men kan volkomen terecht opkomen voor een intensivering en verbetering daarvan; men kan ook terecht er op wijzen, dat in dit gesprek de volmacht van het Woord Gods als een Woord van vergeving der zonden dient te functioneren — waarbij we volledig (beamen dat dit maar al te vaak in onze kerken vergeten is; maar men hoede zich voor overdrijving; en bovendien, dit kan men niet de biecht noemen die Rome als een geloofsschat heeft bewaard. Het verdient aanbeveling eens goed nota te nemen van de verwoestingen die de roomse biecht al heeft aangericht. De zielen worden er door in een verschrikkelijke slavernij gehouden; de angst voor niet gebiechte doodzonden is in staat om de waarlijk serieuzen in de vertwijfeling te drijven. Per slot was het juist de biecht die Luther in de knel heeft gebracht. Geen wonder, de dwaling van Rome is niet slechts theologische theorie — dan zou ze niet zo gevaarlijk zijn. Ze heeft een brede en diepgaande praktische toespitsing, met name in de biecht. Hier richt de roomse kerk haar grootste ravages aan.
De bedenkingen die wij tegen de Richtlijnen hebben ingebracht hebben uiteraard niet de bedoeling dit geschrift als geheel te verwerpen. Integendeel. Wij zouden het gaarne bestudeerd zien. Er staan ook bijzonder goede dingen in, die de moeite van onze bezinning alleszins waard zijn.
We zijn alleen uitvoerig geweest in kritiek omdat het punten betrof die naar ons oordeel van groot belang zijn voor al wat er momenteel te doen is in de controverse met Rome.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's