RONDOM DE NIEUWE PSALMBERIJMING (6)
6. Verdere beoordeling en slotbeschouwing
Na de positieve waardering in mijn vorig artikel aangegeven, zou ik u nu mijn geplaatste min-tekentjes doorgeven. Ter vergelijking met uw notities! Ik zeg er bij, dat ik de bundel nog lang niet helemaal doorgekropen heb. Daarom moeten wij er ook met velen aan bezig zijn: wat de één niet merkt, ontdekt de ander. Dat geldt zowel positief als negatief natuurlijk.
Welnu, ik vermeldde al, dat ik Psalm 17:8 uit de oude berijming verkies boven vers 7 van de nieuwe, wat de tekstgetrouwheid betreft. Psalm 20 vind ik te veel aangevuld.
Streepjes staan hier en daar bij verspreide regels, waar ik de commissie wel, maar u niet, mee lastig valt.
In Psalm 32 is de „overtreding" in vers 1 weergegeven met „ontrouw"; ik hecht eigenlijk wel meer aan het concretere woord. Op de tweede helft van vers 3 (vier regels „aanvulling", niet geheel in de toonaard van de psalm, lijkt mij) heb ik al eerder gewezen.
In Psalm 42 in vers 1 een vreemde combinatie:
schreeuwt mijn ziel om God te vinden, die ik ademloos verwacht.
In deze psalm is de aanhef van vers 4 en vers 5 niet mooi, vind ik, maar overigens lijkt mij deze psalm uitstekend berijmd.
Psalm 51 : 3 van de nieuwe berijming is op zichzelf een prachtig vers, maar als berijming van de betreffende tekst is het meer een (niet eens eenvoudige) parafrase dan een „overbrenging" van de tekstwoorden.
De overmacht van bloed en duisternis, Waarin ik ben ontvangen en geboren. Het is een nacht waarin ik ga verloren, Een hard geheim dat onontkoombaar is. Maar Gij maakt in 't verborgen mij bekend Dat ik alleen van trouw en recht kan leven. Als Gij U in uw wijsheid tot mij wendt, Zijn mijn geheimen in uw hand gegeven.
Overigens ben ik blij, dat we in vers 1 kwijt raken: „Zie mijn berouw". Op catechisatie leerde ik al, dat deze woorden in de psalm niet staan en niet thuishoren.
Ik hoop, dat de commissie Psalm 62 nog eens goed bekijkt! In vers 1 vind ik een vondst de regel:
ik wankel niet, want Hij staat vast.
Maar de eerste regel van vers 3 en de slotregel van vers 4 („hun") is onduidelijk. En waarom in vers 4 „Wankel dan niet" in plaats van óók daar, volgens de tekst: ik wankel niet?
Psalm 68 heb ik ook al gememoreerd. Hier noem ik, behalve de uitgedijde verzen 10 en 11, in vers 1 het woord „woede", het begin van vers 2, het slot van vers 3. In de verzen 5 en 6 heeft de dichter ook meer een bewerking dan een berijming gegeven, meer een expressie van wat de tekst bij hem heeft opgeroepen, dan een dichterlijk na-zeggen van de tekst.
In Psalm 73 is men gevallen over het „ik weet het wel" in vers 1. Ten onrechte, het geeft de bedoeling van de tekst goed weer. Bovendien geeft de melodie aan, hoe deze woorden klinken.
Maar in deze psalm vind ik vers 4 onduidelijk in de persoonlijke voornaamwoorden en bij vers 11 („Maar 't is mijn ziel en zaligheid") vraag ik: Kan dat wel?
1 Ja, God is goed voor Israël, Is waarlijk goed, ik weet het wel. Voor 't zuiver hart dat leeft in vrede. Maar ik was bijna uitgegleden. Mijn afgunst groeide met de dag. Daar ik der bozen voorspoed zag, Hoe moeiteloos bun leven is. Zo zonder kwelling en gemis.
4 't Volk weet niet waar het schuilen moet. Men eet zijn vlees, men drinkt zijn bloed. Het schijnt alsof het is vergeten. Zij zeggen: hoe zou God het weten? De Allerhoogste ziet het niet! Zo groeit hun waan, die niets ontziet. Zij leven vrolijk zonder God, Voor hun bezit, hun dwaas genot.
11 Want allen die U verre staan. Zij zullen eens te gronde gaan. Gij stort hen neer in de ellende. Die zich in ontrouw van U wenden. Maar 't is mijn ziel en zaligheid Te zijn bij God, die zelf mij leidt, 'k Vertrouw op Hem geheel en al, Den Heer, wiens werk ik roemen zal.
Psalm 105 : 11 heeft al een zekere vermaardheid gekregen, gezongen krijgt (het een dwaas accent op „met":
Water werd bloed, met witte lijven Kwamen de vissen bovendrijven
In Psalm 91 zijn ook nog enkele plooien te strijken: vers 6 („als op hun handen gaande"); trouwens, is in vers 5 wel juist:
Hij gaf zijn engelen bevel?
Van Psalm 103 zeg ik ook nog niet: dit is het. De aanhef spreekt mij in de oude berijming meer aan; bij de nieuwe berijming zette ik een streepje bij het slot van vers 4.
Ik noem nog (al is er natuurlijk meer): Psalm 110 : 3.
Zie, uit de moederschoot van 't morgengrauwen Brengt u de bloem van heel het volk zijn groet In heil'ge feestdos, ja 't zal om u dauwen Van levenslust en jeugdig' overmoed.
Zou Psalm 130 niet méér van de huidige berijming kunnen overnemen? Dan mag men de slotregel van vers 4 weer terugnemen.
In Psalm 134 is de (vermoede) omstandigheid, waarvoor de psalm in Israël diende, te veel in de berijming gekomen, waardoor de psalm voor ons liturgisch nauwelijks te gebruiken is. Wanneer de berijming zich hier strikter zou houden bij de tekst-alleen, zou dit niet zo zijn.
Psalm 138 moest ook nog maar anders, lijkt me.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's