KRONIEK
Naar opheffing van de binding aan een geografische wijk? — Over modaliteiten en richtingen — Een trieste geschiedenis — Groet of zegen? — Een rectificatie.
Van de zomerzitting onzer Synode — ze vergaderde van 25—28 juni jl. — heb ik nog geen officieel verslag onder ogen gehad. Ik ben voor weergave van het ter Synode behandelde alzo nog aangewezen op wat mijn dagblad „Trouw" mij meldde. In het nummer van vrijdag 29 juni lil. werd mijn aandacht getroffen door het opschrift „Nota over modaliteiten in hervormde synode".
De synode had de generale visitatie om een dergelijke nota verzocht. Zo was ze ter tafel en werd toegelicht door de preases van de generale visitatie ds. Groenenberg van Utrecht.
Wat heeft de synode aanleiding gegeven tot het verzoek om deze nota? Het feit, dat de termijn, gesteld voor het van kracht zijn der overgangsbepalingen 238 a-h, over enkele jaren verloopt? Bedoelde overgangsbepalingen zullen — zo is bij haar instelling vastgesteld — ten hoogste voor 10 jaar gelden. Deze termijn loopt januari 1965 af. In het slot van de nota staat te lezen: „overgangsbepaling 238 zal voorlopig moeten blijven functioneren". Dit is voor niemand, die enigszins met de kerkelijke situatie op de hoogte is, een verrassing. Toen eenmaal die overgangsbepaling er was, hebben velen gedacht en meerderen het uitgesproken: „die gaat niet meer verdwijnen.
Bij de bespreking van de nota der visitatoren-generaal is de suggestie gedaan. „de binding aan een geografische wijk op te heffen" („Trouw"). Wie daarvoor pleitten stond niet in het verslag. „Zij, die als weldoeners der mensheid kunnen worden gezien, leven veelal naamloos voort", heeft wijlen ds. J. J. Knap eens gezegd. Zo zou het hier ook kunnen zijn „mutatis mutundis". Hoe dan ook ik zou het een weldaad voor ons kerkelijk leven achten, indien in de gemeenten met een „noodvoorziening" en die met „minderheidsgroepering" — de suggestie sloeg dacht ik, op beide — de „geografische binding" kon vervallen. Onlangs toch stond onder „Vragenbus" in „Hervormd Weekblad" vermeld, dat in gemeenten met een „noodvoorziening" meermalen de kerkeraad ingekomen attestaties, namen van kinderen die gedoopt zijn, en degenen, die in 't huwelijk bevestigd zijn niet inschrijft. In zulke gemeenten is dan 'n soort „dubbele boekhouding". Genoemden, ingekomenen etc. worden wel ingebracht in de registers der „noodgemeente" doch vaak niet in de officiële registers. Deze absentie in de officiële lidmatenboeken heeft alzo tengevolge, dat de namen der ingekomenen niet op de lijst van stemgerechtigde lidmaten voorkomen, dezen niet kunnen stemmen en zo niet mee kunnen bewerken, dat een gemeente „om" gaat. Er werd bij geschreven, dat zuIks over de hele linie voorkomt en dus niet een methode van een bepaalde modaliteit is. Ze wordt bewust of onbewust toegepast. Ik neem dat gaarne aan, want bij een boekhouding maakt men wel eens fouten. Doch dit terloops. Zulke fouten of... der euvelen zouden bij „opheffing der geografische binding" niet meer kunnen voorkomen, alsmede zou de toeleg de gemeente „om" te zetten niet meer kunnen functioneren. Zo ware reeds veel in de vaak gespannen verhoudingen gewonnen. Ik hoop, dat de Synode ertoe besluit.
Is het in het zicht komen van de fatale datum (1 januari 1965) voor het functioneren van overgangsbepaling 238 de reden geweest, welke de Synode drong de generale visitatie te vragen om het hiervóór vermelde rapport? Ik weet het niet. Synodale motieven werden trouwens in het verslag van „Trouw" niet met zoveel woorden genoemd. Wel, dat het probleem der „modaliteiten" breedvoerig aan de orde kwam. Het verslag vermeldt wel, dat op voorstel van ds. Groenenberg de Synode besloot, „dat het moderamen zo spoedig mogelijk een nota zal voorbereiden om de kerk bij het probleem der modaliteiten te betrekken".
Uit alles maak ik op, dat het vraagstuk der modaliteit en modaliteiten, de Synode en ook de kerk wat zwaar drukt. Men zit met het probleem der verscheidenheid, der differentiatie. De differentiatie werkt door in heel ons sociale leven. Op schoolgebied is de „Mammouth-wet er een symptoom van. We zouden er meer kunnen noemen. Doch we blijven bij het kerkelijk leven onzer dagen.
Krachtens de oplossing van het kerkelijk vraagstuk welke de huidige kerkorde creëerde, heeft men de illusie gehad, dat met de aanvaarding van deze richtingen verdwijnen zouden. Er bleven hoogstens modaliteiten. „De rijkdom der kerk" noemde ds. Groenenberg ze, in dat deel der nota, waarin hij de betekenis van 't woord modaliteit uiteenzette. Vanuit de Synode werd die „rijkdom" betwijfeld. Dat is begrijpelijk. Want, die deze twijfel uitspraken hadden het oog natuurlijk op de wrijving en spanning door modaliteiten in het kerkelijk leven veroorzaakt, modaliteiten, die eigenlijk „richtingen" zijn, in de zin van voorheen. „Richtingen" in die zin verschijnen in het kerkelijke leven, wanneer er groeperingen ontstaan, welke leringen aanhangen tegen de belijdenis der kerk ingaande. Nu mag ds. Groenenberg zeggen, „dat het in het kerkelijk gesprek met een minderheid duidelijk moet zijn, dat het niet gaat om een andere waarheid, maar om de waarheid anders" (curs. van mij) — op zichzelf niet onverdienstelijk uitgedrukt — maar daarmede zijn we er niet. Want wie durft zeggen, dat alle modaliteiten de ene "waarheid hébben, die allen bindt? Dat is een illusie. Er huizen er onder de „modaliteiten", die het Evangelie der verzoening helaas niet aanvaarden.
Van dat Evangelie zegt Paulus in Galaten 1: „dat er geen ander is". Wie zo tegen Paulus' woord ingaan horen in de kerk der belijdenis niet thuis. Zeker, modaliteiten kunnen rijkdom openbaren. Paulus, Petrus, Johannes, Jacobus, hoezeer een eigen accent hebbend, vertolken samen de rijkdom van het Evangelie, iets van zijn veelkleurige wijsheid. Maar dat is op de „modaliteiten" zoals wij die kennen, niet zonder meer van toepassing.
Wil de Synode de kerk in al haar heterogeniteit bijeenhouden — en dat schijnt ze te willen, gezien de tendens, dat het tuchtvraagstuk wel besproken is, doch in de praktijk verschoven wordt — dan zal ze de weg op moeten van een administratieve eenheid. Daarvan sprak op het congres der 18 (26 mei |1.) Prof De Gaay Fortman, toen hij dr. Kuyper's begeerte naar een zekere kerkelijke eenheid illustreerde met diens laatste beroep op het geweten der „Algemene Synode". Prof. De Gaay Fortman memoreerde dit om „Kuyper's begeerte naar kerkelijke eenheid te onderstrepen".
Ik zie geen andere mogelijkheid. Daarom zou er m.i. al iets gewonnen zijn als „de geografische binding" werd opgeheven. Maar misschien weet de Synode een derde weg. We wachten af, opdat er licht dage in de duisternissen.
In de geref. kerken (vrijgemaakt) is de laatste weken deining en verontrusting rondom de schorsing van ds. v. d. Schaft, predikant van genoemde kerken in Friesland. Hij dient de gemeente van Murmerwoude en Oenkerk. Omdat hij van oordeel is, dat het tot samenspreking en verzoening met de geref. kerken (synodaal) moet komen en van dit zijn gevoelen in het openbaar niet zwijgt, heeft de kerkeraad van Murmerwoude hem geschorst, terwijl de kerkeraad van Oenkerk, hoewel met de kerkeraad van Murmerwoude en Dokkum vergaderd hebbende over een eventuele schorsing, van oordeel is dat ds. v. d. Schaft niet behoeft geschorst te worden en hem dus ongehinderd en met vrijmoedigheid laat prediken. Ook in andere geref. kerken (vrijgemaakt) wordt ds. v. d. Schaft uitgenodigd in de dienst des woords voor te gaan, ondanks het bericht van Murmerwoude aan alle kerkeraden (vrijgemaakt). „Met droefheid geven wij kennis". .. Een en ander is te lezen in een artikel van ds. Telder uit Breda in zijn Kerkblad, waaruit „Trouw" d.d. 3.7.62, een stuk overnam, waaraan ik hier ontleen.
Ds. Telder constateert met grote droefheid, dat de kerkelijke tucht in zijn kerkgemeenschap zo lichtvaardig wordt toegepast en vraagt of hij en de zijnen daarvoor „inde dagen der kerkelijke vrijmaking zoveel leed hebben moeten verduren, omdat men het toen aandurfde ambtsdragers uit hun dienst te ontzetten die in alles heilig naar Gods Woord wilden leven!" Hij zegt tenslotte: „Ik weet langzamerhand niet meer welke vrijgemaakte driften bezig zijn in sommige gemeenten en kerkeraden te gaan heersen. Men is bljkens het geval-v. d, Schaft — er zijn er meerdere dergelijke — in de geref. kerken (vrijgemaakt) doende van de tucht een ordemaatregel te maken. Dat is heel erg. Want men hanteert in dergehjke gevallen een „ordemaatregel" voluit als tucht. Ds. Telder vraagt of, als ds. V. d. Schaft in zijn mening volhardt, dat een reden is om hem buiten het Koninkrijk Gods te plaatsen". Of Kerkeraad en Classis in het Noorden zover zullen gaan, is, hoop ik, nog de vraag. Gelukkig voor ds. v. d. Schaft, is God er ook nog. Die naar een dergelijk besluit, wijl niet naar het „getuigenis van het Evangelie" zeker niet zal oordelen.
Op dit alles zou men kunnen toepassen: „corruptio optimi pessima, bederf van het beste is het slechtste". Wee de kerk, die tucht hanteert als ordemaatregel. Men zie er uit, hoe omzichtig en teer men met de tucht heeft om te gaan. Ze is, naar Calvijn's woord, als 't zenuwstelsel van het lichaam. En zenuwen zijn teer. Evenwel ook hier geldt: „het misbruik heft niet het gebruik op".
Na het trieste verhaal van zo pas, iets waarin meer evangelie-licht straalt. Want ook al is er in ons goede vaderland heel wat kerkelijke narigheid, er zijn ook nog goede dingen in ons kerkelijk leven.
Prof. v. Itterzon schrijft in „Herv. Weekblad" d.d. 20-6, '62, over „Groet of Zegen". Zulks op een vraag hem gesteld door iemand, die wel eens wil weten, of de woorden die een predikant na het votum spreekt, een groet of een zegen zijn. Ik 'geef, wat prof. v. Itterzon op deze vraag onder „Vragenbus" zegt met mijn eigen woorden en wat verkort weer. Sommige predikanten gaan er van uit, dat de formule na het votum een groet is. Ze steken ten teken daarvan één hand omhoog, omdat men in het gewone leven soms bij wijze van groet een hand opsteekt. Anderen, eveneens van oordeel, dat bedoelde woorden een groet zijn, maken helemaal geen handgebaar, houden de ogen open, omdat volgens hen men niet groet met opsteken van een hand en met de ogen dicht. De schrijver merkt dan op: „In deze lijn zie ik het er nog van komen, dat de predikant bij de groet zijn baret afneemt. Want we groeten in de beschaafde wereld toch ook met het even oplichten van de hoed? " Ik zou terloops willen opmerken, dat prof. V. Itterzon ervan uitgaat, dat ieder predikant, die in toga preekt, zijn baret gebruikt en aan de daarvoor in de kansel aangebrachte knop ophangt. Maar eilieve, er zijn nogal eens predikanten die helemaal de baret niet gebruiken. Men zou hier kunnen spreken van „stijlverlies". De kerkdienst vraagt toch een zeker decorum?
Maar terzake. Prof. v. Itterzon komt dan te spreken over de zegen, en vestigt de aandacht op begin en einde van de 1e en 2e brief aan de Korinthiërs, tussen welk begin en einde hij geen wezenlijk verschil ziet. „Waarom", zo vraagt hij, „zou het eerste een groet, en het tweede een zegen zijn? " Daar komt nog iets bij. Hij legde de zaak aan „een van onze bekwaamste kenners van het Nieuwe Testament" voor.
Die zei hem: „Het Oosten kent nooit 'n groet zonder zegen. Elke groet houdt een zegen in". Het artikel vervolgt dan, „Mijn bekwame zegsman vond zelfs, dat al die wensvormen (zij met u allen) door steviger en pittiger vormen moesten vervangen worden (met u allen, d.i. is met u allen). Geen wens dus maar een positieve zegen". Ik ben erg dankbaar voor deze uiteenzetting. Niet, dat ik voor mijzelf er aan twijfelde, of ik goed had gedaan steeds bij de aanvang van een dienst de zegen op de gemeente te leggen. In het „zij" uit de begin-zegen voelde ik ook niet zozeer een wens. In het Nederlands van de Staten-vertaling heeft het „zij", meen ik, de betekenis van „is". In die zin gebruikt men immers in meerdere streken van ons land het woordje , zij" nog wel. Ik hoorde het zo meermalen in de Betuwe en in het Brabantse.
Ik stem volkomen in met prof. v. Itterzon als hij zegt: dat het „een enorme rijkdom is, als wij geloven, dat ook in de kerkdienst God begint en eindigt met zijn zegen". Dan ligt alles in de samenkomst der gemeente omsloten door de zegenende hand des Heeren. Dan is het genade voor en na, dan gaan wij van zeen tot zegen steeds voort". Gezegend de gemeente, die deze rijkdom begeert en ontvangt en zich buigt onder haar Drieënige Verbondsgod en van Zijnentwege tweemaal een zegen ontvangt. Ondanks alle liturgische nasporingen en vernieuwingen — ik ben heus niet ontoegankelijk voor meerder licht in dezen — zullen wij ons maar houden aan de klassieke stijl en niet experimenteren.
Tenslotte nog een rectificatie. Onlangs schreef ik iets over de toogdag onzer jeugdbonden, 31 mei jl., de Hemelvaartsdag gehouden. Van het Bondsbureau en van ds. Jorissen ontving ik via administratie en redactie van „De Waarheidsvriend" een schrijven waaruit me bleek, dat ik niet in alle opzichten juist over het bezoek die dag was ingelicht. Er waren, zo berichtte men mij, 's morgens 3500 en 's middags 3800 bezoekers. Een verblijdende vooruitgang bij het vorig jaar vergeleken. Dat was zeer moedgevend, vooral waar bij de toogdag der jeugdbonden uit de geref. kerken een teruggang was geconstateerd van 10.000 op 8000 bezoekers.
Ik ben heel dankbaar voor de nadere informatie, maar vooral voor de stijging in belangstelling, gebleken in het drukkere bezoek. Zo behoeft er dus, gezien deze gegevens, van een verflauwing in de liefde, en de verbondenheid niet gesproken te worden.
Ik las pas geleden van de „verveeldheid", welke in Engeland gesignaleerd werd bij de jeugd („Hervormd Nederland", d.d. 29-6-'62). Een blasé-jeugd dus, zonder idealen. Men weet het aan de welvaart, waardoor men meende zich voor niets meer te behoeven in te spannen. Laat het ons, met name onze jongeren tot afschrik zijn. De gevaren, in dat stuk gesignaleerd, bedreigen ook ons.
Gelukkig als onze jongeren de idealen mogen kennen, welke Christus voor Zijn. Rijk ons in het hart geeft. Dan zal het „verveeld" zijn geen kans hebben, dan zullen we danken voor de welstand, die God ons gunt en die gebruiken tot de inzet voor de strijd om eeuwige goederen. En als genadegeschenk des Geestes zal ook in de vaak verlammende invloeden van onze tijden nog waar blijken het oude Schrift woord: „Der jongelingen sieraad is hun kracht".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's