RONDOM DE NIEUWE PSALMBERIJMING (7)
Toch (en ik hoop dan ook nog op een herziening, die een verbetering zal zijn), mijn conclusie is: een grote vooruitgang vergelijken bij 1773 en daarmee een mogelijkheid om de „verstening" van de psalmen in onze kerk en ons volk niet verder voort te laten gaan. Een van onze lezers, die al 37 jaar organist is in de kerk, schrijft mij, dat nog lang niet de helft van de psalmen in de kerk gebruikt worden. Willen wij de psalmen zingbaar doorgeven aan het komende geslacht, dan moeten wij deze mogelijkheid positief waarderen.
Veel, nu onbekende, ongebruikte, psalmen zullen weer gaan functioneren en zouden wij daar niet blij om zijn?
Zelfs als wij daarvoor een aantal oude, vertrouwde verzen moeten opofferen?
Dit laatste is intussen een teer punt in deze zaak. Ik heb in mijn eerste artikel hier al op gewezen.
Voor wie bij de huidige psalmberijming (zij het dan ook bij een gedeelte, dat moeten we eerlijk toegeven) is opgegroeid, betekent de overgang naar een nieuwe berijming inderdaad een offer, zeker als in ons geloofsleven talrijke verzen uit deze berijming bijzondere betekenis hébben gekregen.
Dit moet tot grote voorzichtigheid brengen in deze zaak.
Daarom acht ik overhaaste „invoering' zoals blijkbaar allerwege gebeurt, voorbarig en opgelegd, vooruitgrijpend ook op de kerkelijke procedure.
Men bewijst trouwens deze nieuwe berijming een slechte dienst, vind ik, wanneer men ze exclusief voor de eredienst verplicht stelt, zoals ook hier en daar gebeurt.
Dan keert de onzalige geschiedenis van de invoering van de gezangenbundel terug in de vorige eeuw, zij het dan nu op het plaatselijk vlak.
Elke dwang kan hier alleen maar schaden. Want dat zal velen eenvoudig vastzetten in hun afweer van de nieuwe berijming.
„Beproeven" is een zaak van wijs beleid van elke kerkeraad: men make de schooljeugd, de catechisanten en leden van de verenigingen met deze berijming bekend en introducere de proefbundel op gemeenteavonden (zangavonden!) en kringen en incidenteel in samenkomsten in de kerk en in de eredienst (óók daar af en toe naar plaatselijke mogelijkheid, want daar moet de bundel allereerst gaan functioneren).
Natuurlijk veronderstelt dit, dat de kerkeraden verplicht zijn zélf nauwkeurig de nieuwe berijming te toetsen aan de bijbeltekst en lettend op de melodieën (door ze te zingen op de kerkeraadsvergaderingen, waarom niet? )
De procedure, waardoor deze berijming éérst door de kerkelijke vergaderingen heengaat, is in ieder geval de weg van het gereformeerde kerkrecht.
De gehechtheid, van de oudere generatie vooral, aan de berijming-1773 zal ons de komende jaren het niet gemakkelijk maken. Maar deze gehechtheid kan toch niet betekenen; dat er geen sterk gewijzigde nieuwe berijming zou moeten komen. Want dan zou een psalmberijming nooit vervangen kunnen worden en dat zal alleen vanwege de taal al, moeten te eniger tijd.
En als er dan naast de meer en meer knellende gezangenkwestie ook nog een psalmenkwestie komt?
Ik moet zeggen: toen ik mij opnieuw verdiepte in de berijming-1773 (voor een groot gedeelte buiten gebruik gesteld!) heb ik mij afgevraagd, waarom er niet allang een psalmenkwestie is gekomen, namelijk van de kant van de gereformeerde gezindte in Nederland, die steeds minder is gaan protesteren tegen de theologisch aanvechtbare taal van de huidige berijming en heeft toegezien, dat hoe langer hoe meer psalmen ongebruikt en onbekend werden.
De jeugd in de steden kent de psalmen nauwelijks meer en dat wordt met de voortgaande verstedelijking van ons volk steeds erger.
Onze voorkeur voor de liturgische aanwijzingen van de Dordtse kerkorde moet ons het onrustig gevoel geven, dat wij hoe langer hoe meer ontrouw zijn geworden aan het daar gestelde: „In de kerken zal men zingen de 150 Psalmen Davids".
Een theoloog uit de vrijgemaakte Ger. Kerken komt tot de krasse uitspraak: „Sinds 1773 hebben wij geen psalmen meer gezongen, alleen maar verbasteringen van de psalmen". Dat moge overdreven zijn, wij moeten eerlijk toegeven, dat wij aan de berijming van de psalmen niet de zorg hebben besteed, die van ons verwacht mocht worden krachtens onze voorliefde voor de psalmen in de eredienst.
Ook de laatste jaren niet, nu wij er toch echt wel bij bepaald zijn. Er komt zelfs een zeker onbehagen in onze kring openbaar, dat we niet voldoende tijd zouden hebben gekregen tot beoordeling, dat het wat overhaast gaat allemaal. Maar is dat wel terecht?
In 1952 (tien jaar geleden) werden de eerste psalmberijmingen, zij het onder voorbehoud, openbaar.
In 1958 werden 110 psalmen in nieuwe berijming gepubliceerd en in juni 1961 de resterende 40.
Dat betekent toch dat elk gemeentelid, elke ambtsdrager en elke ambtelijke vergadering, elke theoloog, Hebraïcus, Neerlandicus, ruimschoots de tijd heeft gekregen om het resultaat te beoordelen. Daar was het voor aangeboden.
Dat is ook nodig, want de functie van het psalmboek is zo belangrijk, dat een grondige beoordeling, theologisch, literair en muzikologisch vereist is.
Nu worden de Classicale Vergaderingen vóór 1 januari 1963 om hun oordeel gevraagd.
Dat betekent toch, dat men 4 jaar de tijd heeft gehad om 110 psalmen te beoordelen en 1,5 jaar voor de overige 40, terwijl men zich over de opzet 10 jaar heeft kunnen beraden.
De aanmerking „op veel te korte termijn" lijkt me dan ook ongegrond.
Wel was het helaas zo, dat slechts een enkeling uit onze kring zich voor deze zaak bleek te interesseren.
Reeds in 1955 (7 jaar geleden) heb ik er op gewezen, dat met name de Geref. Bond deze zaak ernstig in studie moest nemen.
Drie jaar geleden (maart 1959), heeft ds. Gerssen in „Theologia Reformata" hetzelfde bepleit.
Ik was blij te vernemen, dat 't Hoofdbestuur van de Geref. Bond reeds geruime tijd geleden een commissie voor deze zaak heeft benoemd en ik hoop uiteraard op een spoedige rapportering van deze commissie. *)
Wanneer onzerzijds de beoordeling niet grondig genoeg zal blijken te zijn, kan dit moeilijk aan de procedure verweten worden.
We hebben dan eenvoudig de tijd voorbij laten gaan, terwijl er ons toch bijzonder veel aan gelegen is.
Als immers de psalmen door deze berijming weer meer zouden gaan functioneren, ook bij hen, die nog slechts enkele verzen kennen; als onze kinderen het liederenboek van de bijbel weer meer zullen gaan kennen en zingen, zou ons dat niet veel waard moeten zijn, zelfs het offer, dat wij een aantal vertrouwde verzen in de eredienst op de duur moeten prijsgeven?
We krijgen er trouwens veel meer zingbare verzen voor terug. En — veel psalmen zullen wij weer als één geheel kunnen zingen. (We hebben het psalmboek ook al te veel gebruikt als een grote voorraad coupletten, waaruit we bijeen zochten, wat ons te pas kwam, zo zijn er ook heel wat verzen, uit hun verband op drift geraakt, al zeggen we dan in de préék ook gedurig, dat een tekst nooit uit zijn verband moet worden gehaald!)
Al met al wilde ik u in deze artikelen ter overweging geven, of we de mogelijkheden die de nieuwe berijming ons biedt, niet positief moeten waarderen en er aan méé moeten helpen, dat de Proeve nog verbeterd wordt, opdat de psalmen gezongen kunnen worden in de taal waarin onze kinderen geboren zijn en niet in de taal blijven staan waar onze over-over-grootouders zijn geboren.
Opdat ons jonge geslacht kan zeggen (als de mensen op het Pinksterfeest in Handelingen 2):
Wij horen hen in onze eigen taal de liederen van God zingen.
*) De heer Kesting, hulpprediker in Dirksland, geeft in De Zaaier, het kerkblad voor Goeree en Overvlakkee, een systematische behandeling van de Proeve. Maar hij is een witte raaf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's