De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE GEREFORMEERDE BOND EN DE EENHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE GEREFORMEERDE BOND EN DE EENHEID

8 minuten leestijd

(1)

Dit opschrift komt voor in de rubriek: Uit de kerk, in Theologia Reformata, jaargang V, no. 2. Deze rubriek is voor dit nummer verzorgd door ir. R. Plomp uit Zeist, Daarin staan lezenswaardige dingen over waarheid en eenheid, de 18 en hun doel én de 18 en wie zij zijn.

Bij het punt waarheid en eenheid tekent ir. Plomp aan, dat èn waarheid èn eenheid vandaag aan de orde zijn. Velen opereren met de zin: de waarheid gaat voor de eenheid, maar dat is niet juist. De eenheid is een wezenlijk deel van de waarheid. Wij belijden niet voor niets elke zondag: Ik geloof een heilige, algemene (katholieke) christelijke kerk. De spanning tussen de eenheid en de waarheid is die tussen de breedte en diepte van het heil.

Bij het punt: de 18 en hun doel komt de vraag naar de eenheid van de algemene (de katholiciteit) Christelijke Kerk wel bijzonder aan de orde. (Zoals de lezers weten, betekent katholiek: algemeen.)

Deze katholiciteit van de kerk kan tot oplossing worden gebracht door kortweg eigen kerk voor de katholieke kerk te verklaren (de vrijgemaakten), maar dit wordt in de Hervormde Kerk en in de Gereformeerde Kerken niet gedaan. In deze beide kerken beseft men, dat eigen kerk wel openbaring, maar niet de openbaring van het lichaam van Christus is.

Daarmee is gezegd, dat beide kerken erkennen, dat het lichaam van Christus gescheurd is.

Hoeveel begrip men ook voor de motieven, die tot afscheiding en doleantie geleid hebben, moge hebben, de situatie is zowel in de Gereformeerde Kerken (ook zij zijn „volkskerk" geworden) als in de Hervormde Kerk (er is een wending ten goede gekomen) gewijzigd. Op grond van principiële noodzaak wil ir. Plomp de scheur geheeld zien.

Bij het punt: de 18 — wie zij zijn, merkt ir. Plomp op, dat de hervormden uit de 18 grotendeels tot de middengroep behoren. De gereformeerde leden blijken onder de indruk te zijn van het denken en handelen van de middengroep uit onze kerk.

De belijdenis krijgt niet zo'n accent als vele anderen, zowel in de Hervormde Kerk als in de Gereformeerde Kerken dit wensen en noodzakelijk achten. Vragendei-wijs stelt ir. Plomp dat dit mindere accent op de belijdenis de noodzaak van de eenwording niet in de weg mag staan. Het blijkt, dat de gereformeerden in de 18 door velen in eigen kerk als een vooruitstrevende groep worden beschouwd. In de Hervormde Kerk zijn er, die menen, dat het feit dat de middengroep met deze vooruitstrevende gereformeerden samenwerkt, gezien mag worden als een bewijs, dat het met de gereformeerden tegenwoordig niet veel zaaks is. Daarom: niet meewerken, maar een kritisch standpunt innemen!

De bezwaarden, zowel in de Gereformeerde Kerken als in de Hervormde Kerk die het nauwst met de belijdenis verbonden zijn, dringen het minst op kerkelijke hereniging aan. Hoe komt dit? Ligt dat aan de belijdenis? Neen, zegt ir. Plomp. Zie de Ned. Gel. Bel. (27-29) waar èn de heiligheid èn de eenheid der kerk een bijzondere nadruk ontvangen. Het is niet óf—óf, maar èn—èn. Art. 27 leert de zuiverheid; art. 28 leert de eenheid. Dat is dezelfde kerk.

Nu komt het opschrift: De Gereformeerde Bond en de eenheid.

Daarin verklaart hij, dat hij bijzonder pijnlijk getroffen is door de negatieve stemmen binnen de Gereformeerde Bond inzake deze eenheidspoging. Hij is er een illusie armer door geworden. Tot nu toe meende ir. Plomp, dat ons blijven in de Hervormde Kerk gebaseerd was op de overtuiging, dat de kerk algemeen (katholiek) was, maar deze mening heeft een geduchte knauw gekregen.

Bewijs? Zie de inleiding van ondergetekende, gehouden op de jaarvergadering van de Gereformeerde Bond van 10 mei j.l. Uit deze inleiding komt niet meer dan de opmerking, dat de kerkeraden een samenspreking met de kerkeraad van de Gereformeerde Kerk niet hebben te weigeren.

Ir. Plomp vindt hier het èn—èn van de belijdenis niet terug.

De Kritiek op ds. A. Vroegindeweij over zijn rede op de Mannenbond laat ik liggen, omdat deze zijn jaren heeft en voor zichzelf kan spreken!

Ir. Plomp concludeert, dat de vereniging met de Gereformeerde Kerken van onze zijde niet wordt toegejuicht en als een kwestie van ondergeschikt belang wordt geacht, zo wij er niet tegen zijn.

Daardoor is er een kans gemist. Immers bij waardering van deze hereniging, zou de eis, dat van alle kansels alles wordt geweerd, wat het grondbelijden van de kerk weerspreekt, extra klem hebben gekregen. Als grensbewakers van het belijden van de kerk zouden de gereformeerden zeer te begeren zijn.

Tot zover ir. Plomp. Ik meen, dat ik zijn standpunt zo zuiver mogelijk heb

Alvorens nu op deze zaak in te gaan, vraag ik mij af, waarom ir. Plomp deze opmerkingen niet gemaakt heeft in de discussie na de inleiding op de jaarvergadering? Zo hij verhinderd was, blijft de vraag waarom niet één van hen, die gelijk denken, daar het woord gevraagd heeft. Waar waren zij? En zo zij er waren, waarom spraken zij dan niet?

In de tweede plaats wil ik opmerken, dat mijn inleiding tot titel had: „Van kerken tot kerk", zodat iedereen begreep dat het ging over het boekje van de 18.

Daarom verwart ir. Plomp de vereniging van Christus' Kerk, die altijd en overal aan de orde is en deze vereniging, die door deze mensen in deze situatie aan de orde is gesteld.

Natuurlijk is het mogelijk om naar aanleiding van deze poging de poging, die altijd en overal geboden is, aan de orde te stellen. Dat is dan ook gebeurd, zowel vanuit de Schrift als de belijdenis (blz. 7—11 van mijn inleiding). Uiteraard is dit veel diepgaander vanuit de Schrift, de belijdenis en de kerkgeschiedenis te behandelen. Deze eenheidspoging is doorlicht vanuit de achtergronden in de oecumene, vanuit de schets van Berkhof en de situatie in eigen kerk en organisatie.

Nu kan ir. Plomp wel schrijven, dat het hem om al déze dingen niet gaat, maar dat is onwezenlijk. Want het gehele eenheidsstreven, zoals dit een mond 'krijgt in de Wereldraad van Kerken en zoals dit in de poging van de 18 oplicht, staat niet los van elkaar, maar is ten nauwste met elkaar vervlochten. Het is mij een lief ding waard, wanneer ir. Plomp aantoont, dat mijn analyse van het kerkbegrip, zoals dat in de laatste tientallen van jaren gegroeid en m.i. vergroeid is onder invloed van Lund e.a. vergaderingen van de Wereldraad, onjuist is. Het zou mij eveneens een hef ding waard zijn, wanneer hij aantoonde, dat de kerk, die beleden wordt in de artikelen 28-33 van de Ned. Gel. Bel. dezelfde is als bijvoorbeeld in de oecumenische studies aan de orde wordt gesteld en ook door de 18 wordt voorgestaan (zie blz. 4—7 van mijn inleiding).

Op bladzijde 6 van deze inleiding héb ik beweerd: „Men neemt zijn uitgangspunt in de situatie van nu, in de kerken zoals deze geworden en verworden zijn en spreekt over de ene Heere van de Kerk, als zou het min of meer vanzelfsprekend zijn, dat al deze groepen, die zich met die naam van kerk noemen, nu ook inderdaad delen van het lichaam van Christus zijn. Dat zij vanuit het Woord op het bijbelse kerk-zijn worden aangesproken is iets anders dan voetstoots te aanvaarden, dat zij door de Heere van de Kerk zonder meer gezegend zijn met heilsgoederen, waarmede anderen gezegend kunnen worden".

Hier ligt het grondverschil met het oecumenisch kerkbegrip, het grondverschil met het kerkbegrip van de 18 en blijkbaar ook met ir. Plomp. Daarom is het ook zon ernstige vergissing van ir. Plomp, wanneer hij mij verwijt, dat ik gesteld heb, dat de Schrift uitgaat van de gemeente Gods te Corinthe, Efeze, enz. en daaraan de vraag vastknoopt: Wat is nu de gemeente Gods te Utrecht, te Zeist, te Huizen? Is er in de bijbel maar enige ruimte voor een gescheiden bestaan van christelijke gemeenten in een plaats?

Wanneer ir. Plomp het verfband naleest, zal hij zien, dat hij niet goed gelezen heeft. Immers dit verband wijst uit, dat niet de gescheidenheid van de kerken ter plaatse aan de orde was, maar de ontwikkeling van de instituten, die een m.i. onbijbelse ontwikkeling hebben doorgemaakt. Het liep uit op een waarschuwing tegen de roep in deze tijd naar bisschoppen, presidenten enz.

Deze gedachtenontwikkeling heeft dus niets te maken met de door ir. Plomp gesignaleerde plaatselijke verscheurdheid, maar het zien, dat wij niet zo argeloos over de bestaande instituten moeten schrijven zonder duidelijke confrontatie met de Schrift.

Het kerk-zijn van de kerk in de bijbel is een andere dan het kerk-zijn van de instituten van nu.

Dit alles roept om nadere toelichting, die t.z.t. zeker zal komen, maar is een grondgegeven, dat niet straffeloos veronachtzaamd kan worden.

Dit neemt niet weg, dat alle kerken op het kerk-zijn van de Heilige Schrift moeten worden aangesproken. Daarover is geen verschil van mening.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE GEREFORMEERDE BOND EN DE EENHEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's