De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

De ontmoeting met Christus

7 minuten leestijd

. . . .en ziet, daar stond een Man tegenover hem. Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had Johannes 5 : 13m

We vinden hier Christus, in één van Zijn oudtestamentische openbaringen, tegenover Jozua. Christus én Jozua, Jozua mét Christus, Dat zou ons niet bevreemden. Die twee, zouden we haast zeggen, behoren hij elkaar. Jozua, die . nog weet van het bloed van het Lam, waarachter hij veilig was voor de verderfengel; die nog weet van de Rode Zee, voor hem en zijn volk een doorgang ter verlossing, een graf voor zijn vijanden; die gestaan heeft op de berg van Gods heiligheid, gestreden heeft onder zegenende handen, getuigd heeft, als verspieder, van Gods genadige trouw; die zijn volk doorgeleid heeft door de Jordaan, hen wijzende op de ark met het verzoendeksel, dat sprak van de kracht van het vergoten bloed; die nu, bij Gilgal, het Verbond des Heeren vernieuwd had door besnijdenis en pascha; die nu gelegerd was tussen de Jordaan, welks wateren geweken waren bij de nadering van de ark, en Jericho, welks muren wijken zouden bij de nadering van de ark, — ja, Jozua met Christus, dat zou volkomen beantwoorden aan onze verwachtingen.

(Maar we vinden Christus tegenover Jozua. Niet als Verbondsmiddelaar tegenover een dankbaar verbondskind, maar Jozua twijfelt, of Degene, Die tegenover hem staat, ook niet tegen hem is, een vijand. Hij herkent Hem niet als zijn Heere. Christus tegenover Jozua ... hoe is dat mogelijk, juist hier, waar zo kennelijk 's Heeren voetstappen staan; en „waar Hij Zijn voetstap zet, daar druipt het al' van vet".

Och, weet u, Jozua is Christus kwijt. O zeker, hij had alle reden, om de weldaden des Heeren ootmoedig dankbaar te gedenken. Maar zijn mond zwijgt van het goed, en, met een benauwd en bang hart, doolt hij eenzaam en alleen, buiten 't leger, rond. Hij is de Weldoener kwijt. Hij ziet Jericho voor zich, met haar onneembare muren- En hoe meer hij er naar kijkt, hoe hoger worden ze hem. Hij weet niet meer van een God, Die genadig was en trouwe houdt. Hij zwerft, alléén, verlaten, zonder God, zonder Christus. Hij kan niet verder. Hij ziet geen toekomst meer.

Velen zijn deze zwervende Jozua gelijk, veelal echter zonder de levende kennis van Christus ervaren te hebben, als deze. Zij speuren, of ze nog ergens een lichtpuntje, een doorgang vinden kunnen voor zichzelf en hun kinderen. Maar zij vinden het niet: „wat moet het worden!" Zij zoeken een weg, die „toekomst" biedt, maar de enige weg daartoe, de weg der bekering, willen zij niet. En met een „vrome" verontschuldiging zeggen ze dan nog veelal: „Bekering, dat is toch enkel Gods werk!" Ze willen er niet van weten, dat degenen, die daar waarlijk om verlegen zijn, niet tevergeefs bij de Heere aankloppen. Niet de Heere staat ons in de weg, maar wij staan de genade in de weg met al ons tegenspreken en de Heere miskennen in de rechtmatigheid van Zijn eisen.

Maar er zijn ook van die zwervers, als Jozua, wier hart wel eens troost mocht putten uit de daden des Heeren in hun leven. Alleen, er gaat nu geen kracht meer van uit voor hun ziel. Een sterke vijand zien ze slechts vóór zich, rotsblokken van deze of gene zonde, die hen besprong, van een boezemzonde, die weer de overhand kreeg, van aanvechtingen, twijfel of ongeloof, van een kruis, dat hun het voortgaan onmogelijk schijnt te maken. En zij zwerven maar rond, als Jozua, mensen zonder God, zonder Christus. En, Jericho wordt al machtiger in hun ogen.

„En ziet, er stond een Man tegenover hem. Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had". „Ziet", dat wil opmerkzaam maken op Gods wonderdaden. Dat woordje moesten zulke troosteloze zwervers als Jozua eens in hun Bijbel onderstrepen. Zij zouden gewaar worden, dat de Heere tot beschamens toe bezig is hun oog en hart bij vernieuwing te openen voor Zijn wonderen van genade. Maar... het uitgetogen zwaard, klaar om toe te slaan, verschrikt hen slechts te meer! Wie, als Jozua, de Heere kwijt is, ziet overal vijanden. Dan heeft Jakob geen moed meer om verder te gaan bij de Jabbok en ontmoet Christus als een Man, Die met hem worstelt; dan zien de discipelen op het meer slechts de dood voor ogen en Christus is hen „een spooksel"; en dan vindt Jozua Hem tegenover zich als een Man met een uitgetogen zwaard. Dat komt, omdat hun hart.bezwaard en hun oog verduisterd is door... eigen ongeloof en kleingeloof. Dan komt de vraag op: „Zijt Gij van ons, of van onze vijanden"?

Onbegrijpelijk, hoe Jozua, hoe Jakob, hoe de discipelen, hoe Gods kinderen nóg telkens, zó van htm Heere, hun Middelaar konden vervreemden!

Ja, onbegrijpelijk wel, maar onbekend is dit niet voor Gods volk. De gemeenschap met Christus wordt, door eigen afwijken, of, zoals bij Jozua, door een alleen maar zien op de vijanden, niet altijd ervaren, is niet altijd levend, en dan komt er vrees, 't Is waar, het geloof kent slechts een kinderlijke vrees, maar de gelovige leeft niet altijd uit het geloof en, dan is er de vrees: ik zal nog een dezer dagen omkomen.

Maar, als Christus dan Zijn kinderen tegentreedt als een Man met een uitgetogen zwaard, als Eén, Die tegen is, dan vluchten zij niet. In de engte gedreven zoeken zij geen ontkoming, maar willen niet anders dan de beslissing. In een vage „neutraliteit" kunnen ze het niet uithouden; vóór alles moeten en willen zij tot klaarheid komen, hoe de Man met dreigend opgeheven zwaard tegenover hen heel persoonlijk, staat. De vraag: Zijt Gij vriend van ons of onze vijand", is hen een levensvraag. Zij beseffen het, het gaat hier om leven of dood. Zo schemert toch in Jozua's ziel een vaag vermoeden, wie hij voor zich heeft.

Hebt u zó ook Zijn opgeheven hand gezien in de beproevingen van uw leven? En werd het uw levensvraag: Zijt Gij van ons of van onze vijand? Want zou Hij tegen zijn, wie zal Hem keren? Maar, zo Hij vóór u is, wie zal tégen u zijn? Noch wet, noch recht Gods, noch dood, noch leven, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen zullen u dan kunnen scheiden van de liefde Gods, welke immers is in Christus Jezus, deze geharnaste strijder niet Zijn uitgetogen zwaard.

Met hunkerend hart staat Jozua tegenover de „Vreemde", op zijn brandende vraag hopende op een „ja. Ik ben uw vriend". Maar 't antwoord is ... „Neen"! Staat Christus dan niet aan de zijde van Zijn bedrukte en benauwde volk? Is dan Zijn opgeheven zwaard werkelijk voor hen bedoeld? Och neen, maar de werkelijkheid van deze Man met het uitgetogen zwaard is veel heerlijker nog. Hij is niet „van ons", noch van „onze vijanden". Neen, zegt Hij, maar Ik ben de Vorst van het heir des Heeren". Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Alle schepselen, Jozua en zijn volk, maar óók al hun vijanden, zijn alzo in Zijn hand, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

Wat beschamend voor Jozua en allen, die hem na verwant zijn. Moeten zij niet wegzinken aan Zijn voeten? Na al, wat Hij voor hen geweest is, hadden ze Hem geheel uit het oog verloren en zagen ze slechts op de vijanden, en op zichzelf in hun machteloosheid. Ze zagen Jericho, en dat benam hen alle moed, maar Hem, de Vorst van het heir des Heeren, Die de legioenen van engelen gebiedt. Hem waren ze kwijt. Was het dan een wonder geweest, als Hij hen met het ontblote zwaard der gerechtigheid was tegengetreden?

O, wat worden zulke Jozua's dan klein en schuldig en beoordelenswaardig in eigen oog, als ze horen: „Ik ben de Vorst van het heir des Heeren, Ik ben nu gekomen". Dat is het wonder boven alle wonder: Ik ben nu gekomen! Hij komt, Zich haastend tot hun hulp. Hij komt, persoonlijk, van hart tot hart, als een Man tot Zijn vriend. Hij komt tussen Jordaan en Jericho, waar het Verbond vernieuwd is, waar de harten besneden zijn en het  Lam geslacht.is. Daar wordt het, in aanbidding:

De Heere is aan de spits getreden Dergenen, die mij hulpe biên; Ik zal, gered uit zwarigheden Mijn lust aan mijne haat'ren zien.

De Heere is mij tot hulp en sterkte; Hij is mijn lied, mijn psalmgezang; Hij was het, Die mijn heil bewerkte. Dies loof ik Hem mijn leven lang.

(Goedereede)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's