De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het Nieuwe Testament

8 minuten leestijd

38

HET CHILIASME

De vorige maal schreven wij, dat de opvattingen van het Chihasme in de Kerk naar de achtergrond werden gedrongen, omdat een geheel andere opvatting omtrent en uitleg van Openbaring 20 de overheersende werden.

Hier moet eerst nog genoemd worden de naam van Hieronymus (±400 n. Chr.) een groot geleerde uit: de oude kerk, bewerker van de Vulgaat, de Latijnse vertaling van de Heilige Schrift, de officiële Bijbel in de Rooms-Katholieke Kerk.

Hieronymus verwerpt het Chiliasme, hoewel hij erkent, dat vele oude leraren der Kerk het aanhingen. Opmerkelijk is, dat hij wél een bekering van Israël nog aanneemt en dit b.v. leest in Rom. 11.

Van geheel enige betekenis voor de opvattingen omtrent en de uitleg van Openbaring 20, in de oude christelijke kerk, is de grote 'kerkvader Augustinus (±400 n.-Chr) geworden.

Deze grote kerkvader leefde immers in een voor de kerk en voor de volkeren van zijn dagen bewogen tijd. Het eens zo machtige Romeinse wereldrijk ging ten onder. 'Het oude Rome viel in handen van de koning der West-Gothen, Alarik. Dit had voor de tijdgenoten van Augustinus een catastrofale betekenis. Het Romeinse wereldrijk was toch in hun ogen onoverwinnelijk. Wat moest er van de wereld worden, nu dit Rijk toch niet onoverwinnelijk bleek te zijn? Zelfs de christenen zaten met deze vraag.

En dan schrijft Augustinus zijn grote (werk „De Civitate Deï Over de Staat Gods). Hierin zet hij uiteen, hoe er steeds in de wereld twee machtige rijken met elkaar worstelen, het Koninkrijk Gods en het rijk der duisternis. En, dat het Koninkrijk Gods in de geschiedenis haar loop volbrengt en zeker triomfeert, terwijl het éne aardse rijk na het andere ineenstort.

Opmerkelijk is, hoe ook bij Augustinus gedachten uit het oude Jodendom terugkeren, nl., dat de geschiedenis, naar het aantal scheppingsdagen, in zes verschillende perioden uiteenvalt. De zesde pe­riode is volgens hem de periode van de kerk, vanaf Pinksteren.

Augustinus wil echter niet wéten van een zevende tijdvak, als een Sabbath, in deze geschiedenis nog, voor de voleinding der eeuwen. De eeuwige heerlijkheid, welke na die voleinding zal aanbreken, zal voor alle gezaligden een Sabbath zijn, zonder einde. 

Volgens deze kerkvader zal er dus voor de voleinding der eeuwen geen bijzonder vrederijk in de geschiedenis meer komen; Evenmin wil hij weten van een bijzondere bevoorrechting van Israël in de toekomst nog: Israël heeft - volgens hem, naar het plan Gods, haar rol gespeeld. Deze was een tijdelijke in de ontwikkeling van het Koninkrijk Gods op aarde. De plaats, welke dit volk daarbij innam, was een symbolische, haar geschiedenis was een afbeelding van de historie der kerk later, en allerlei dingen, aan Israël gegeven, waren typen van wat in 'het Rijk der heerlijkheid éénmaal zijn zal! De profetieën, met name ook die spreken van een bekering en herstel van Israël, moeten louter geestelijk opgevat worden. Die profetieën zien op het ware Israël en dat is hel volk Gods, de kerk, van alle eeuwen en uit alle volkeren. Wel zullen er uit Israël nog velen kunnen worden toegebracht, doch van een bekering en herstel van dit volk als zodanig leest Augustinus in de Schrift niet.

En wat nu Openbaring 20 betreft? Ook van dit hoofdstuk geeft Augustinus zijn verklaring.

Volgens hem is het onmogelijk, dat in dit hoofdstuk ons eigenlijk twee wederkomsten van Christus zouden worden geleerd. Evenzo geen dubbele opstanding in lichamelijke zin, eerst één van de uitverkorenen en later één van allen.

Augustinus ziet het zo, dat de binding van Satan, waarvan in de verzen 1—3 sprake is, begonnen is bij de eerste komst van Christus in het vlees. Christus' opstanding betekent Satans binding. De macht van de Boze is sindsdien een ge- 'boeide; hij is niet meer in staat de volkeren te verleiden. Vanaf de opstanding is dat regeren, waarvan Openbaring 20 verder spreekt, aan de gang. En dit is het Duizendjarig Rijk.

De duizend jaren moeten dus niet letterlijk worden genomen en nog minder naar de eindtijd verschoven. Ze moeten in overdrachtelijke zin worden opgevat en zijn nu aan de gang. Ze zijn de tijd van de Christelijke kerk op aarde, waarin het Koninkrijk Gods met macht haar loop volbrengt.

Zo moet, volgens de kerkvader, ook die eerste opstanding (Openbaring 20: 5) overdrachtelijk worden opgevat. Ze is niet een lichamelijke, doch een geestelijke, eigenlijk de wedergeboorte, de levendmaking der ziel, welke hij nauw bindt aan het ontvangen van de Doop. Dit laatste herinnert ons weer even aan het feit, dat wij 'bij deze grote kerkvader ook gedachtengangen aantreffen, die in de Rooms-Katholieke Theologie in een bepaalde richting zijn uitgewerkt. Intussen, deze eerste opstanding, naar de opvatting van Augustinus, is dus niet iets, dat zich op één bepaald moment in de geschiedenis voltrekken zal, nl. in de eindtijd, doch iets, dat zich voortdurend in de historie herhaalt. Telkens, wanneer een mens deel krijgt aan de geestelijke levendmaking.

Ook volgens Augustinus zullen er dus mét Christus gedurende heel die periode van „de duizend jaren", regeren. En dat zijn dus zij, die deel hebben aan de eerste opstanding. Eigenlijk is dat de kerk van alle eeuwen. Die ziet Augustinus dus sterk als een steeds al triomferende kerk, hoewel de strijd haar niet bespaard blijft. Wel zal er, naar Openbaring 20:7 vv aan het einde van deze langgerekte periode nog een tijd komen, waarin de Satan weer ontbonden zal zijn. In die tijd zal de laatste, geweldige eindstrijd gestreden worden. Doch ook deze laatste manifestatie van de macht en haat van de vijand zal eindigen in diens volkomen nederlaag.

Dan zullen volgen de opstanding des vleses en de wederkomst van Christus ten oordeel. Satan en diens aanhang zullen geworpen worden in de poel van het eeuwige vuur (Openbaring 20 : 10 vv); deze aarde zal worden gelouterd en gereinigd, en het eeuwige Koninkrijk in haar volkomen heerlijkheid zal een aanvang nemen. In tal van profetieën in het Oude Testament wordt dit eeuwige Koninkrijk voorzegd en in Openbaring 21 en 22 wordt het voorgesteld onder het beeld van het Nieuwe Jeruzalem.

Samenvattend, — van belang is dus, dat volgens Augustinus het getal duizend symbolische betekenis heeft en eigenlijk een aanduiding is van de gehele periode der geschiedenis tussen Jezus' opstanding en Zijn wederkomst. En dat het regeren van Christus en van de Zijnen in deze zelfde periode valt. En de zielen, die heersen zijn eigenlijk te zoeken in de kerk, hier op aarde nog, en onder hen, die reeds zijn ontslapen.

Met opzet hebben wij deze opvatting en uitleg van Augustinus enigszins uitvoerig weergegeven. Omdat deze vanwege de grote invloed, welke deze kerkvader gehad heeft op de verdere ontwikkeling van de theologie en het kerkelijk leven in de oude kerk en in de Middeleeuwen, ja tot in en na de Reformatie, de overheersende zijn geworden. Wij hopen later nog op deze opvatting en uitleg van Openbaring 20 terug te komen.

Prof. Dijk schrijft in zijn bovengenoemd werk in dit verband over Augustinus, dat deze grote kerkvader, die van God verkoren was om op meerdere terreinen de fakkel der waarheid helder te doen branden, dit ook op dit moeilijke punt heeft mogen doen. Persoonlijk houden wij bij deze opvatting en uitleg van Augustinus toch nog wel enkele vragen.

Wordt werkelijk aan alle gegevens der Heilige Schrift recht gedaan, wanneer het zó gesteld wordt, dat Israël volgens Gods plan geen bijzondere betekenis meer heeft in de loop van het Koninkrijk Gods in deze wereld? En zijn werkelijk bij deze opvatting en uitleg alle exegetische vragen, die bij Openbaring 20 rijzen, bevredigend beantwoord? Bovendien rijst de vraag, of niet mede een bepaalde, te idealistisch gekleurde visie op de kerk, zoals zij reilt en zeilt in de loop der eeuwen, op heel deze opvatting en uitleg haar stempel gezet heeft?

In elk geval vinden wij de opvatting en uitleg van Augustinus sindsdien telkens weer terug in de kerk. Zo in de Middeleeuwen bv. ook bij de grote Theoloog en Dogmaticus, Thomas van Aquino. Wat deze Middeleeuwen betreft, — in deze jaren treedt in de officiële kerk een grote verwereldlijking in. De geestelijkheid met name voelde zich almeer in een verkeerde zin in een duizendjarig rijk, omgeven door de heerlijkheid van een kerk, welke zelfs over koningen en keizers triomfeerde. En al minder kreeg men oog voor het feit, dat het Koninkrijk Gods naar haar wezen niet van deze wereld is en zich pas in haar volle glorie zal openbaren in de voleinding der eeuwen. De eschatologische spanning raakte almeer weg uit het kerkelijk denken en leven. Die vinden wij ook in die jaren bij de secten, waar dan eveneens de chiliastische gedachten voortleven.

Hoe de feiten in dit opzicht liggen bij en na de Reformatie, daarover een volgend keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uit het Nieuwe Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's