KRONIEK
Kuyper en Hoedemaker — Ontmoeting in de huidige kerkgeschiedenis? — Reacties op het Congres der „18" — Maak modaliteiten niet te belangrijk!
Kuyper en Hoedemaker waren de laatste weken meermalen in het kerkelijk nieuws. In verband met de actie der „18"? Inderdaad. Maar dat niet alleen. In de reeks „Zij trokken een spoor", verschenen in „Woord en Dienst", respectievelijk van 28 april en 23 juni jl., werd over beiden geschreven.
Het eerste artikel, handelend over Abraham Kuyper, is van de hand van de onlangs overleden Dr. C. Ph. Scheers. Over Philippus Jacobus Hoedemaker schreef in genoemde reeks Dr. P. F. Th. Aalders.
Twee artikelen, die boeien. In opzet en uitwerking heel verschillend. Dat van Dr. Scheers heeft een zekere strakheid, is zeer beheerst. Dr. Aalders is uitvoeriger en minder strak en beheerst. Dat treft vooral, wijl Aalders zich niet beperkt tot Hoedemaker, doch hem telkens confronteert met Kuyper en in synthese met Gunning. Daardoor is zijn artikel van groter omvang dan dat van Scheers, die zich voornamelijk tot Kuyper beperkte.
Ter typering van het verschil tussen de prediking van Kuyper en die van Hoedemaker zegt Aalders: „Bij Kuyper is de prediking een kaars in de kerk. Bij Hoedemaker is zij een vuurtoren in de wereld". Die vergelijking spreekt wel aan. Maar ik vraag mij af, of ze juist is. Gezien heel 't bedoelen van Kuyper, dat toch niets minder op het oog had dan door de V.U. mede te arbeiden aan heb behoud van de invloed van het reformatorisch belijden in ons volksleven, ja in heel de westerse cultuur, lijkt me de vergelijking niet billijk. Geen wonder, dat Dr. J. T. Bakker in het Gereformeerd Weekblad (uitgave Kek) hierop inhaakte en er een gepeperde kritiek op gaf, met als slot: „Daarom ten diepste vinden wij deze beoordeling van Kuyper's intentie door Dr. Aalders misleidend en onjuist".
Dr. Scheers beëindigde zijn schets met de woorden: „Zij trokken een spoor". Dat van Kuyper is wel heel scherp gemarkeerd. We kruisen het nog telkens. Soms aarzelen we: moeten we hem op dat punt toch maar volgen? Vaker slaan we bewust — dikwijls misschien nog te geëmotioneerd — een andere weg in. Klaar zijn we, ook als hervormden, met Kuyper in ieder geval nog lang niet".
Het is jammer, dat wij van Dr. Scheers niet meer bet „dik boek" over Kuyper en Hoedemaker kunnen krijgen, waarvoor hij, naar Dr. Aalders ergens in zijn artikel schrijft, — en ik stem daarmee volkomen in — „de man was".
Kuyper en Hoedemaker zijn ook genoemd in verband met de actie en het congres der „18". Ds. Gerssen schreef over hen in Wapenveld van juni 1962, in een artikel, dat als opschrift draagt: „Tot ziens in de Kerkgeschiedenis.".
Hij vangt zijn opstel als volgt aan: „Met dit woord nam Hoedemaker afscheid van Kuyper. Wij gaan uit elkaar, maar eens zullen wij elkaar weer tegenkomen. Dan zal het gesprek worden voortgezet en dan zullen beslissingen vallen, die van gewicht zijn voor de hele protestantse natie van Nederland". En na opgemerkt te hébben, dat „het erop lijkt, dat onze generatie die ontmoeting gaat beleven", geeft hij een samenvatting van het gesprek, dat Ds. Volten en Dr. Nijenhuis de eerste helft van dit jaar hielden in „Woord en Dienst". Aan het slot van zijn artikel betrekt hij dan ook de „18" in zijn gezichtsveld. Hij beperkt dus de titel van zijn opstel niet maar tot het congres van 26 mei jl., doch betrekt die op al de activiteiten van de laatste tijd inzake de vereniging van hervormden en gereformeerden. In het slot concludeert hij dan, dat Kuyper en Hoedemaker elkaar nog niet ontmoet hebben, maar dat er wel iets gaande is".
Ik vind het jammer dat Ds. Gerssen niet vermeldde, waar hij vond, wat hij in de eerste regels van zijn opstel vermeldt. Ik trof nl. een dergelijke uiting van Hoedemaker aan in het artikel van Dr. Aalders in „Woord en Dienst". Het is ontleend aan een brochure, door Hoedemaker gepubliceerd in zijn polemiek met Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, evenals Hoedemaker een van de eerste professoren aan de V.U. Ik geef dat citaat hier door: „Uw stelling: „De invloed, die de Christenen op de wetgeving en dientengevolge op de handelingen der overheid uitoefenen ziedaar de eenige gezonde verbinding tusschen Kerk en Staat", behelst voor mij, ingewikkeld de ontkenning, dat Jezus Christus de Koning van de koningen der aarde is, de verloochening van de Geref. belijdenis als politiek beginsel. En met
dat beginsel sta ik desnoods alleen voor de Christelijke en onchristelijke overheden om te eischen, dat de Overheid zich stelle in den dienst van haren Heer. Niet wij misschien, maar de vertegenwoordigers van de beginselen, die gij en ik belijden, spreken elkander hierover, als wij ter ruste zijn, over twintig, vijftig, honderd jaar, indien het strijden zoolang moet duren, met of zonder herinnering aan dit uw zeggen, nader". (Eene belijdenis? pg. 26/27).
Dit stuk uit de brochure tendeert wel in dezelfde richting als de uitlating waarmede Ds. Gerssen aanving. Het geeft eveneens aan wat ik gemakshalve noem de „Kuyperiaanse en de Hoedemakeriaanse lijn." Die twee zijn ook wel in de actie der „18" op te maken, evenals in de diverse activiteiten rondom het eenheidsstreven van hervormden en gereformeerden.
In het verband met dat alles een vraag. Vergeten degenen, die de sanering van de kerkelijke situatie in de lijn van Hoedemaker voorstaan niet, dat deze tegenspeler van Kuyper driemaal — eenmaal toen de doleantie reeds dreigde en tweemaal daarna — gekomen is met een modus vivendi-voorstel? In Dr. Scheers' dissertatie kan men het vinden. Inconsequentie of ontrouw aan zijn zo bezielend uitgedragen boodschap? Of een afbuigen vanwege zich opstapelende moeilijkheden? Hoe het ook zij, men vergete vooral niet dat Hoedemaker aan zijn ijveren voor reorganisatie altijd heeft verbonden de eis van reformatie. Dit is vóór alles nodig, ook nu!
De actie der „18", heeft de nodige reacties opgeroepen. Ook de oecumenische beweging voor zoveel zij hier in ons land georganiseerd is. Dr. Goltermann die in deze organisatie een leidende functie heeft is wel dankbaar voor het Congres in Utrecht gehouden. Maar ducht, indien het tot vereniging zou komen, voor de doorwerking der oecumenische gedachte gevaar. Hij memoreert, dat in de Geref. Kerken een sterke stroming is tegen aansluiting bij de Wereldraad van Kerken. Zal niet, zo vraagt hij, een eventuele hereniging, samenbinding met de oeoumenische beweging bemoeilijken? Hij gaf van deze vrees blijk in een artikel, waarvan „Trouw" kortgeleden — de juiste datum kan ik niet meer achterhalen — een fragment overnam. Zo zou z.i. een landelijke eenwording nog niet het eenheidsstreven van de Wereldraad bevorderen.
Een andere reactie kwam van Ds. Volten in een „aanvulling" gevoegd bij het boek: „Rondom het belijden der Kerk", dat pas verschenen is bij Kok in Kampen en waaraan Dr. Nijenhuis in „Trouw" dd. 21 juli een bespreking wijdde.
In deze „aanvulling" vertelt Ds. V., dat hij het Congres in Utrecht heeft bijgewoond, doch dat daardoor zijn enthousiasme voor de actie der „18" heel wat is „geluwd". Vooral toen aan het slot de bekende „Oproep" werd voorgelezen. Hoor wat hij dan verder mededeelt: „Wij kregen een bedrukt papier in onze handen dat wij binnen vijf minuten te beamen hadden door op te staan. Dat lijkt volksdemagogie. Dat leek op een overrompeling. Misschien zou men willen antwoorden, maar wij wilden een spontaan getuigenis; daarom ging alles zo vlug. Dat verwerpen wij echter. Want „de 18" zelf hebben eerst over deze oproep gedokterd, naar men ons zei; en handelden dus zelf helemaal niet „spontaan". Als „de 18" zich op een stuk bezinnen, moeten zij ons in de zaal die bezinning ook gunnen".
Ds. V. verhaalt dan verder, dat hij door de „overrompeling" bleef zitten. Voor zijn gevoel was er in de „Oproep" iets niet in orde. Daarvan geeft hij in het vervolg van zijn „aanvulling" reken schap. Het manco is z.i. dat „de 18" de „Waarheidsvraag" aan de „eenheid" hebben opgeofferd. Er is geen klaarheid over het fundament waarop verder gebouwd moet worden. Hij neemt het de 9 gereformeerden onder „de 18" kwalijk, dat zij niet handelen naar de aanwijzing hun door hun synode in augustus 1961 gegeven, nl. dat in de van de betrokken predikanten uitgegane oproep had moeten worden aangegeven op welke grondslag de ondertekenaren zich stellen. Die grondslag moest volgens de Synode zijn de Waarheid Gods of gelijk Ds. Volten omschrijft: „Jezus Christus de voor ons gestorven en opgestane Heer".
Een klaar getuigenis in deze zin wordt in de „Oproep" gemist. Want de tekst 2 Kor. 5: 19, „God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende hunne zonden hun niet toerekenende" is Z.I. beslist ontoereikend.
Niet, natuurlijk dat de tekst niet goed zou zijn, maar hij is de eeuwen door een twistappel geweest in de 'kwestie van de „algemene verzoening". „Wil men verder komen", zo vervolgt hij, „dan moet minstens worden uitgegaan van de algemene verlorenheid van het menselijk geslacht in zichzelf, van Gods vrije genade in Christus, die de wereld kwam redden door voor onze zonden te boeten en die op een concreet historisch ogenblik opstond uit de doden en van de noodzakelijkheid van geloof en bekering". Gaarne had ik bij deze omschrijving ook nog gezien het onmisbare van het werk, des Heiligen Geestes. Ik mis die accentuering wel meer in wat van geref. zijde geschreven wordt.
Maar nu verder. Men ziet, dat Ds. V. zich wel duidelijk rekenschap geeft aan zijn niet ondertekening van de „Oproep". Om de dingen tenslotte nog even scherp te stellen, zegt hij: „Het is opzienbarend, dat iemand als Dr. de Wilde uit Zaandijk nu ook de oproep beaamde. Dat zou aan Dr. de Wilde kunnen liggen, maar het ligt niet aan hem. Als Dr. de Wilde een oproep als deze kan beamen, dan moet ik haar niet meer kunnen beamen, anders zit er iets scheef. En dat komt niet, omdat Dr. de Wïlde geen uitnemender mens zou kunnen zijn dan alle gereformeerden, maar dat ligt aan het apostolische fundament der Kerk".
Dit deel van het geschrift sluit alsvolgt: „Ik ga met het ideaal van „de 18" mee, maar zij zullen als waakhonden moeten blijven liggen bij het kruis van Christus, wil er van een hereniging naar Gods wil ooit sprake kunnen zijn".
Dr. Nijenhuis moge in zijn bespreking van Ds. V.'s boek — ik vermeide die reeds — zeggen, „dat de auteur te individualistisch denkt en daardoor te weinig bereid is zich in een groter geheel te voegen als het op zakendoen aankomt en dat daarvan z.i. V.'s kritiek op de „Oproep" een bewijs is, m.i. is wat de auteur van „Rondom het belijden der Kerk", over het gemis in dat stuk opmerkte ter zake en ter snede.
In mijn vorige Kroniek schreef ik iets over de modaliteiten en de opheffing van de binding aan de geografische wijk. Van bevriende zijde werden tegen het geschrevene, met name, dat ik opheffing van de binding aan de geografische wijk niet onaangenaam zou vinden, enige bedenkingen gemaakt. Ik vond dat wel interessant, vooral omdat we daardoor in een goed theologisch klimaat en gesprek belandden. Dat overkomt je niet elke dag, zelfs niet zo heel vaak. En als het gebeurt is het vaak een zegen. Mi] werd de opmerking gemaakt, dat, ook als de „binding" werd opgeheven we niet een situatie zouden krijgen naar het Gereformeerde Kerkrecht. Daar was en ben ik het volkomen mee eens. Ik wil nog verder gaan. Die situatie zou ver zijn van wat de H.S., in het bijzonder het N.T. ons leert over wezensopenbaring en gestalte van de gemeente Gods in deze wereld. Maar dat is de situatie van onze Kerk, zoals ze zich thans openbaart, evenmin. En ik dacht, en denk nog, dat wat het gereformeerd kerkrecht in wezen wil naar het Evangelie, bij een eventuele opheffing van de „binding", beter te benaderen zou zijn. Ik ga nu nog even verder. Het parochiestelsel, alias wijkindeling, zo als we dat thans kennen, is ook niet naar het Gereformeerd Kerkrecht. Ik vind het in het N.T. niet. Ik kan over dit onderwerp hier niet verder gaan. Mijn vriend was door wat ik hem repliceerde niet overtuigd. Dat behoefde ook niet. Het gesprek was er niet minder prettig om.
Waarom vertelde ik een en ander hier? Om nog eens weer over de modaliteiten en wat er de vorige Kroniek omheen stond, te schrijven? Helemaal niet. Ik sprak daar over een derde weg, die de Synode misschien zou weten. Ik hoopte |die te vinden aangewezen in een stuk van Ds. Landsman over: „Maak de modaliteiten niet te belangrijk". Het staat in „Hervormd Nederland" d.d. 21 juli jl. Dit artikel is, naar aanleiding van het bewuste gesprek daarover in de Synode geschreven. Veel nieuws gaf het m.i. niet. Er staan wel interessante dingen in. Ds. L. schrijft onderhoudend; hij heeft een aangename pen. Maar de zaak heeft hij niet verder gebracht. Hij schreef wel, hoe het eigenlijk moet zijn.
Dan hebben we alleen met — en nu zeg ik het mijn woorden — echte, schriftuurlijke modaliteiten te doen. Merkwaardig is de zin, dat we gelijk nu voorlopig voort moeten gaan — en nu geef ik letterlijk de zin — „tot de Heere God ons opnieuw zo onder Zijn gericht doet doorgaan, dat we weer echt gaan beseffen wat de zaak van Christus in deze wereld ons waard moet zijn". Is dit een zinspeling op de bezetting? Een verlangen naar een nieuwe catastrofe? Ik vraag niet verder. Ik maak ook geen kanttekeningen. Het onderschrift van de titel luidt: „Voorlopig maar verder wroeten en mieren". En in die trant eindigt het artikel ook.
Ds. Landsman is niet de synode. Maar gezien zijn functie — adjunct-secretaris — zegt zijn uitspraak toch wel iets van wat leeft. Iaat mij maar zeggen in het moderamen van Synode. Geen derde weg. „Non liquit" zeiden de oude latijnen: we weten geen weg, we beslissen niet. Jammer.
En nu denk ik aan Hoedemaker's ijveren voor reorganisatie, maar ene, die uit moet lopen op reformatie en de worsteling daarom.
Moet daarmede gewacht worden tot de Heere God ons opnieuw onder Zijn gericht laat doorgaan"? Of zijn we niet midden in Zijn gericht? Wij als kerkvolk, maar ook de Synode hebben de roeping de tekenen der tijden en de tijden zelf te verstaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's