DE MENTALE WIJKGEMEENTE
In de Kroniek van ons blad werd melding gemaakt van de behandeling ter synode van een nota over de modaliteiten in de Hervormde Kerk (wat wij dus richtingen noemen). Bij die behandeling waren er, die pleitten voor opheffing van de binding (van de lidmaten) aan een geografische wijk, aan een wijk dus, begrensd door de zus-en-zo-straat en de die-en-die-singel, waar men toe 'behoort om de eenvoudige reden dat men binnen de grenzen van die wijk woont. Opheffen van die binding houdt dan in, dat de mogelijkheid wordt geopend zich aan te sluiten bij een andere wijk, van een predikant van de eigen richting of kleur.
De kroniekschrijver sluit zich bij deze synodale sprekers aan. Hij zou het een weldaad achten als de geografische binding voor gemeenten met een noodvoorziening naar art. 238, en voor die met een minderheidsgroepering, zou vervallen.
Zijn argumentatie is niet geheel duidelijk. Een van de duistere punten is, dat in gemeenten waar art. 238 is toegepast geen „officiële kerkeraadspredikanten" zijn, bij wiens wijk de „noodgemeente"-mensen zich zouden willen aansluiten.
Afgezien daarvan zijn er onder ons ongetwijfeld velen, die voor gemeenten waarin wèl predikanten van verschillende kleur of richting naast elkaar staan, het bijzonder nuttig zouden achten als bijv. alle gereformeerden zich konden voegen bij de wijkgemeente van de hervormd-gereformeerde predikant. En ook zouden omgekeerd vanzelf andersdenkenden in die wijkgemeente zich bij een niet-gereformeerde wijkgemeente moeten kunnen aansluiten. Zo zouden gereformeerden en niet-gereformeerden in de verschillende wijken van zon gemeente wat meer langs elkaar heen kunnen leven, en door het mindere contact zou de onderlinge wrijving verminderen. Zo ongeveer is deze gedachtengang te beschrijven.
Het zou niet juist zijn, aan te nemen dat dit gevoelen door alle hervormd-gereformeerden wordt gedeeld.
Praktische bezwaren zijn er direct al genoeg.
De opheffing zou enkel en alleen enig effect hebben in gemeenten, waar meerdere predikanten van verschillende richting naast elkaar staan. Tenzij binding niet alleen zou worden toegestaan aan een andere wijk, maar ook aan een heel andere gemeente dan aan die waarin men woont; maar zulk een ordeloosheid zal toch door maar heel weinigen worden voorgestaan.
Bovendien wordt de „wijkgemeente" van bijvoorbeeld een hervormd-'gereformeerd predikant een tamelijk irreëel geval, als daar allerlei mensen „van buiten" wèl bij aangesloten zijn, en een misschien groot deel van de mensen die erin wonen, niet. Men kan wel een „mentale" wijkgemeente (gemeente van gelijkgezinden) organiseren, maar men zit toch altijd aan zeer concrete geografische kerken en wijkhuizen vast, waardoor zon mentale gemeente een wat hybridisch (tweeslachtig) karakter krijgt.
Dan is de hele gedachte van de mentale wijkgemeente wel erg opgehangen aan de meelevenden. Hoe moet het dan met randkerkelijken e.d.? Komt er nu niet een onverkwikkelijke run op reedsaanwezige en nieuw-ingekomen weinig belangstellenden om ze voor eigen standje in te rekenen? Dat zal hun belangstelling bepaald niet aanwakkeren. Men kan zich de mentale wijkgemeente voorstellen als bedenksel uit de tijd toen er nog (in gemeenten van zulk type) aardig wat meelevenden waren, maar voor het heden lijkt het minder op zijn plaats, terwille van een handjevol meelevenden zon verwarrende, onoverzichtelijke constructie op de been-te gaan brengen. Had dit misschien vijftig jaar geleden nog enige (praktische) zin, nu bepaald niet meer.
Behalve praktische bedenkingen kan tegen de mentale wijkgemeente ook een principieel bezwaar worden ingebracht. De strekking van dat bezwaar is, dat de mentale wijkgemeente slechts past in een kerkelijke denkwijze, waarvan kan worden betwijfeld of die de discrepantie tussen (het uiteenwijken van) wat de Kerk is en wat zij behoort te zijn wel op de juiste wijze verwerkt.
De kerk heeft in de nieuwtestamentische tijd maar heel kort beantwoord aan het ideaal van Handelingen 2 : 42: één in de volharding in de leer der apostelen, één in de gemeenschap, één in de breking des broods, één in de gebeden. De H. Geest werkte toen bijzonder krachtig.
Toch, hoe slordig de Kerk ook in de loop der eeuwen met haar opdracht: het Evangelie te prediken aan alle creaturen, is omgesprongen; in welke duisternis ze daarom door eigen schuld heeft rondgetast, de Heere is naar Zijn belofte in Matth. 28 : 20 niet voorgoed van haar geweken, maar riep haar telkens terug, door haar in Zijn Woord, dat haar altijd heeft begeleid, aan dat ideaalbeeld uit Hand. 2 te spiegelen. Op dat ideaal wordt de Kerk door het Woord steeds weer aangesproken. In die begeleiding door het goddelijk Woord van een tot verval neigende Kerk ligt de spanning tussen ideaal en werkelijkheid besloten.
In dat licht kan de mentale wijkgemeente worden gezien als een instelling waarbij het vermaan Gods over het verval der Kerk wordt ontvlucht. Aan het probleem van de ingezonkenheid der Kerk wordt dan niet getild. Degenen, die de Waarheid in grove of verfijnde vorm aan de dwaalleer willen opofferen, worden aan de kerkontbindende kracht van die dwaalleer uitgeleverd.
Op twee punten blijkt dit. Ten eerste laat de leiding van een kerkelijke gemeente die bij het Woord wil leven, en daarbij ook heeft te bepalen allen die in haar (geografisch begrensde) midden verkeren, diegenen die daar op 19eeeuws-individualistische wijze „niet voor voelen" onbewogen aftrekken. Sympathiseren met mentale wijkgemeenten betekent, in zo'n geval te zeggen: „ga maar". Dat strijdt tegen de verantwoording, die is opgelegd. Ten tweede verliest de eis, dat de Waarheid onverkort worde gepredikt ook van die kansels waar dat nu niet gebeurt, zijn kracht en klem. Gereformeerden kunnen dit verlangen niet meer uitspreken, want dan worden zij naar de wijkgemeente „van eigen kleur" verwezen. Ongetwijfeld worden „losse" gereformeerden in een overwegend anders gezinde gemeente zwaarder „belast" dan wanneer men ze in een gelijkgezinde gemeente onderbrengt. De vraag is echter, of men ze om die reden van hun plaats en taak in zo'n gemeente, al is die nog zo bescheiden, ontheffen mag. Wel zit in de mentale gemeente voor gereformeerden een bewarend element — de verleiding laat hen waarlijk niet ongemoeid — maar dat is ook in onofficiële contacten met een positiever geleide wijkgemeente te verwezenlijken.
Als de kerk in de prediking niet voluit beantwoordt aan haar roeping, is dat een illegale (onwettige) toestand. De mentale gemeente is te zien als een poging, om onder die onwettige toestand een wettige ondergrond te schuiven. Wie dit als gereformeerd mens zó ziet, kan met deze zaak niet gelukkig zijn.
Wat dan wel?
Van gereformeerde zijde zou men de spanning tussen de richtingen, de spanning tussen wat de kerk is en wat ze behoort te zijn, moeten laten wat ze is: een vermanend teken Gods over het ingezonken geestelijk leven van de Kerk.
Men zou alles op alles moeten zetten om de actualiteit aan te tonen van de Reformatie, die de leer der apostelen herontdekte. Men zou in woord en daad zó in de Kerk tussen de anderen moeten leven — zonder zich in mentale gemeente-reservaten terug te trekken — dat die worden ingewonnen voor wat hun vrede, en onze vrede, en de vrede van Jeruzalem dient.
Dat er onder ons maar veel gebed moge zijn om die vrede, èn om kracht, wijsheid en lust om onze taak in dezen te verstaan en uit te voeren. Want zonder de Heere kunnen wij niets doen.
(Arnhem)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's