KRONIEK
De 51e Zendingsdag van de G.Z.B. — Van de agenda der e.k. classisvergaderingen — Iets uit de historie — Afzijdig blijven of zijn bijdrage leveren? — „Bezinningsdag" te Wassenaar.
De 51e Zendingsdag van onze G.Z.B. is dit jaar onder zeer gunstig weer en veel belangsteUing gehouden. Naar men mij meedeelde waren er ca. 9000 bezoekers. Heel wat meer dan de laatste jaren wel het geval was. Dat is om zeer dankbaar voor te zijn aan onze God. Dat is iets om weer moed te grijpen in een tijd, waarin het meeleven met het „grote werk" eer af- dan toeneemt.
Zelf ben ik niet geweest. Een slecht voorbeeld kan men zeggen. Inderdaad, mits er geen gewettigde redenen waren. En die had ik. Dus héb ik om 2 uur 's middags de radio aangezet en geluisterd naar het goede en bezielende woord van ds. S. Meijers. Mij trof daarin o.m. wat hij zeide van de letterHjke betekenis van het Hebreeuwse woord voor „goede boodschap", n.l. zorgen-plooien in het gelaat wegstrijken en zo van zorgen ontslaan.
Zo kon ik dus toch iets meemaken van wat in Driebergen was te genieten. Ja, dan is er dankbaarheid voor het radio-contact, in tegensteUing met wat ook wel eens via de aethergolven ons bereikt en waaiibij men dan maar snel afdraait.
Evenwel, al dergeHjke contacten — kerktelefoon, bandrecorder — hoezeer ook te waarderen, zijn toch niet dat wat men, met de söharen optrekkend, doorleeft. Dit geeft zo een gevoel van er ook bij te horen; het „één in geest en streven, één in lofaccoord". Ik kan begrijpen, hoe het vroeger, de mensen was, die om het EvangeHe van Gods genade in Christus te horen, eigen kerk voorbijgingen, waar de liberale verHohting de kansels verdonkerde, om in naburige plaatsen voedsel en lafenis te ontvangen. Ds. Hoek, em. predikant te Rheden, haalde dat in het Rhedense kerkblad onlangs in een artikel nog aan, en vertelde hoe bHjmoedig ook kinderen aan vaders hand de lange tochten meemaakten. Het aanheffen van psalmen en geesteHjke Hederen kortte de weg. Het was als een opgang met een der Hederen Hamaoloth in het hart en op de lippen. Het gaf 'kinderen vaak een onuitwisbare indruk. Zelf heb ik er wel eens iets van meegemaakt, als wij met vader ook de moderne prediking in eigen plaats ontweken. Het was een goede tijd.
Zullen we dat verleden ideaHseren en wrang zijn tegen het heden? Dat mag niet, dacht ik. God de Heere gaf dat verleden en het heden. Met Zijn goede gaven. Die zijn toch ook vandaag er nog? Wel mogen we wensen en bidden, dat het begeren naar het water des levens, dat toen sterk leefde, meer thans ons deel zij en stimulere tot mee-aAeiden in het grote werk, en Gods Rijk dieper onze nood en verlustiging zij.
Wat 2 augustus j.l. in Driebergen werd gegeven, in de verkondiging van de zendingsboodschap, in meeleven met het werk in Kenya, — ook via een bandopname — zij een middel, een prikkel, om voor dat machtige werk ons meer in te zetten. Paulus zegt ergens: , Jkff zoek niet het uwe, maar u". Zou de Heere dit ook niet bedoelen met onze Zendingsdag? Daartoe zij 2 augustus voor ons, onder de aandrift des Geestes, een gezegende dag. En het gebed voor aUe werkers op het wijde terrein zij er te inniger door!
Op de najaarsclasses onzer kerk zal met meerdere zaken, ook het advies der vergadering over de Nüeuwfe Psalmberijming, welke aan de kerkeraden ter kennismaiking en „beproeving" werd toegezonden, aan de orde moeten komen. Er zijn classes, die met de behandeling dier „proeve" reeds een aanvang maakten. Andere waren minder „diligent". Er zuilen er welHcht zijn, die dit advies |" en de hele zaak een beproeving vinden, beproeving dan in de gangbare betekenis., Ik kan daar in komen, en een ieder verstaan, die bij zich zelf en hardop zegt; „Was dit nu het eerst nodige? Had de Synode niet beter urgenter zaken kunnen aanvatten? " Ik had gaarne gezien, dat men met de zaak van het „kerkHed" had gewacht, om die van de BeHjdenis, en de leertucht te laten praevaleren. Maar dat is niet geschied.
De Synode heeft nu eenmaal deze nieuwe berijming aan de orde gesteld. Wij hebben daarmede te rekenen. En odk met het feit, dat ze vroeger of later wel zal worden ingevoerd, zeer zeker niet ongewijzigd. Tot die wijziging aHas veit)etering moeten de classes meewerken. Er zijn er, welker moderamen aan de kerkeraden één of meerdere psalmen ter bestudering hebben opgegeven. Dat is een weg om de kerkeraden er met hun neus op te drukken. Andere classes heibben een commissie voor bestudering benoemd, met bedoeHng rapport uit te brengen. Zo is het meen ik in de classis Gorinchem. Ook Harderwijk wil de
zaak serieus aanvatten. Hoor wat ds. W. Vroegindeweij er over schrijft in een Synodeverslag in het Geref. Weekfblad, d.d. 7-7-62:
„Daar wordt in deze tijd veel overhoop gehaald, sommigen gaat het mis-' schien wel in een te snel tempo. Er wordt gesproken van een dynamische tijd. Toch zullen we op een of andere manier onze houding dienen te bepalen tegenover deze 'berijming. We mogen zöker niet aan de kant gaan staan en roepen, dat we er op tegen zijn, we zullen deze berijming toch zeker dienen te onderzoeken. Komt dit onderzoek wel op gang onder ons? De classis Harderwijk wil zich er intens mee bezig gaan houden. Er is ook een commissie benoemd door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Artikelen van ds. Spilt, de assessor van onze synode, zijn verschenen in de Waarheidsvriend. We zullen er met elkaar aan dienen te werken, want het moet toch zeker ons aan het hart gaan, op welke wijze, in welke bewoordingen, we de Psalmen zingen, die onze kerkhederen zijn. Alle traaglieid in deze zij verre van ons!"
' De classes moeten dus aan het werk. Zij, de grondvergaderingen, mogen spreken. Er mag kritiek gegeven worden, Ze moet opbouwend zijn. Dat geldt alle leden. Met name wie uit onze kring zijn, juist omdat de psalmen ons lief zijn, en wij ze wel het beste kleed moeten gunnen.
Sinds de Reformatie in ons land haar beslag kreeg heeft men zijn zorg gewijd aan de berijming en de zingbaarheid van de psalmen. Juist om verschillende moeiHjkheden van rhythmische aard, moeiHjkheden dus met het zingen, schijnt men zich neergelegd te hebben bij een beperkt aantal. Langzamerhand althans, want aanvankelijk moet men de psalmen in volgorde gezongen hebben. Ze werden dus niet gehjk thans, als passend bij de predikatie opgegeven.
De „pauzes" in de bundel aangebracht zouden daar dan op wijzen. Zo KeB'^'ik 'het, naai- ik me herinner, in Kuyper's „Eredienst" gelezen. Die.methode, heeft bij al de bezwaren, welke er tegen in te brengen zijn, dit voor, dat de gemeente de hele bundel zong en niet een bepaald deel, zoals nu. Want waar is het, dat een groot deel van ons tegenwoordig psalmboek „terra incognita", onbekend land is voor heel velen onder het kerkvolk. Natuurlijk bedoel ik de berijmde psalmen. ' ^
Bovenvermeld gebruik schijnt niet al te lang stand gehouden te heibben. Ik leid zulks af uit de artikelen „De lofzang khmt uit Sions zalen" van de hand van prof. Kremer uit Apeldoorn, verschenen in „De Wekker", orgaan van de Chr. Geref. Kerken. Hij vertelt daarin, dat men moeiHjkheden had om bepaalde gedeelten van Petrus Dathenus' berijming te zingen. Dat lag aan het feit, dat Datheen zijn berijming bewerlkt had naar het Eranse psalmboek, het in Ge neve gebruikte. Hij, Datheen, hield vast aan de voor de Franse berijming gemaakte melodieën en daarvoor leenden de verzen van Datheen's vertahng zich niet altijd. Het haakte wel vaak: het volk kon ze maar moeihjk zingen. Dat kwam mede doordat de orgel-begeieidlng ontibr^k.
In de stadskerken waren prachtorgels, en soms prima organisten. Doch die mochten het orgel slechts vóór en na de godsdienstoefening bespelen. Later is dat wel anders geworden.
Door, de moeiHjkheden, veroorzaakt door het niet harmoniëren van melodie en berijming, ging het zingen op hele en halve noten allengs over in het statisch rhythme, onder ons veelal nog ingeiburgerd. Dit gebeurde om de wanklanken, waarover ook Voetius heeft geklaagd, te verminderen.
Er zijn echter ook meerdere pogingen beproefd om de berijtning van Datheen te verbeteren, en de euvelen, die meer en meer aan het licht kwamen, weg te nemen. Verschillende predikanten, o.a. ook Trommius, de vervaardiger van de bekende Concordantie, hebben er hun bijdrage voor geleverd. Maar het heeft in de gouden eeuw ook niet ontJbroken aan proeven van nieuwe berijming. Provinciale synoden en de overheid kwamen er aan te pas.
Prof. Kremer, uit wiens artikelen ik met mijn eigen woorden iets mededeelde, zegt dan, dat het gezag van een Nationale Synode in dezen pijnHjk gemist werd.
In 1773 is het gekomen tot invoering van de bundel, die wij thans nog gebruiken. Hij is, men kan het in de „Voorrede" lezen, samengesteld uit het werk van meerdere dichters. De invoering is met moeiHjkheden gepaard gegaan. Geen wonder, want het volk hing ondanks aanklevende ge'breken — welk mensenwerk is feilloos? — aan Datheen's werk. Zijn psalmen zijn bij brandstapels en schavotten gezongen! Dat heeft doorgewerkt. Vandaar, dat de overheid op sommige plaatsen moest ingrijpen en doorzetten.
Zulk een gezag ontbreekt ons. Wij zullen het ook niet wensen. Wel het „gezag" waarover prof. Kremer het had, dat toen gemist werd, n.l. dat van een Synode Nationaal. Die ontbreekt ons, niet formeel, wel in deze zin, dat de kerk, die thans de Generale Synode kiest, een andere is, dan die, welke de eeuwen na Dordt de „Synode Nationaal" niet meer zag bijeenkomen, hoezeer zulks urgent wias en door meerderen gewenst. Doch bovenal ontbreekt in de kerk het ontzag dat rondom Dordt haar deel was.
Daarom zijn „vernieuwingen" zo moeiHjk tot stand te brengen en wordt er gewerkt met „proeven". Dat duidt op onfibreken van vertrouwen en ontzag, waarmede de Synode heeft te rekenen en, bHjkens genoemde proeven inderdaad rekent. Ik ga hier niet verder op in. Want het ging om de psalmberijming en de moeiHjkheden dienaangaande in het verleden. Iets uit de historie alzo.
De nieuwe psahnberijming zal als punt van behandeHng op de agenda der herfstclasses compareren. Men zal, zo is uit onze kring het advies aan wie uit ons ter classis gaan, geen houding van afzijdigheid mogen aannemen, maar zijn „bijdrage" dienen te leveren. Het gaat om het „zangboek" dat God in Zijn Woord de Kerk aller eeuwen gaf. Het gaat om de beste vertolking daarvan in dichtmaat. Er zullen vetbeteiingen moeten worden aangebracht. Ook moet aangedrongen worden meerdere verzen uit de huidige bundel over te nemen dan tot nu toe geschiedde! Ds. Spilt heeft ons gediend door daarop te wijzen en minder gelukkige versies aan te vdjzen. Ook ds. V. Galen gaf zijn zienswijze, waarvan men goede nota neme.
Hebben wij, vooral de ouderen, belang bij deze „proeve"? Ik ben het volkomen eens met de predikant die, om zijn meniag gevraagd, zei, dat hij zelf, die nieuwe berijming noch nodig had noch begeerde. Zie, wij ouderen zijn bij de oude bundel groot geworden, hij is ons Hef geworden in vele verzen, waarin wij ons leven vonden, getroost en gesterkt werden. Vele verzen Hggen vast in ons hart. , Wij hebben in dezen iets van BarziUai (2 Sam. 19 : 32 v. v.), die op Davids vraag niet nog een nieuwe levenswijze wilde aanvaarden, doch op zijn zoon wees. Voor deze was, wat David de vader aanbood. Ook deze vergeHjking voldoet niet in alle opzichten. Maar ze wijst naar een geslacht, dat er al is en nog zal komen. Dat heeft andere vragen, andere behoeften, vraagt andere vormen. Dat geslacht krijgt op zijn scholen straks deze bundel als hij ..wordt ingevoerd. En, ik herhaal het, dat geschiedt, voor zover wij kxmnen zien. De school is in menig opzicht de kerk voor. Zo is het veeltijds geweest. Zo is het nog. Ook in onze gemeenten. Er zullen wei-
nige scholen met de Bijlbel zijn, waar de Nieuwe Vertaling niet gelezen en gebruikt wordt. De taal is anders, dan in de Staten-Bijbel, die trouwens ook wel in vele uitgaven ietwat gemoderniseerd is. Maar het is dezelfde Bijbel. En als onze kinderen en kleinkinderen de Bijbel maar leren lezen, dat is het grote, waar het om gaat.
Maar ze moeten ook de Psalmen kennen, de Psalmen, waaruit Gods volk de eeuwen. door, ontdekking, heil, troost, kracht putte. Wanneer onze jonge generatie, ons nageslacht, de band met de Bijbel kwijt raakt en geen levenskracht uit de Psalmen put, is ze weg!
En als Nieuwe Vertaling en een nieuwe berijming onder de genade des Geestes daarvoor zouden kunnen dienen, hebben wij er dankbaar voor te zijn. Daarom heibben we toe te zien en zorgvuldig na te gaan, of in dit nieuwe gewaad, deze nieuwe versie, de Psalmen beter tot hun recht komen.
Of het grote, waarom het gaat, niet in het oude „aarden vat" ons geslacht en nageslacht kan toekomen? Naar mijn gevoelen zeker wel, zo nodig verbeterd naar „Hasper", die mij meer aanspreekt. Maar daar gaat het niet om. De Synode legde deze „proeve" op de tafel der classes. Niet al het „nieuwe" is goed. De toets van het Woord zal moeten aangelegd worden. Bidt maar veel, dat de Geest dit de classesafgevaardigde schenke.
Ons ouderen zal het tegenwoordige wel bMjven dienen, dat wij gelaafd en gesterkt worden. Wij zingen van Gods zaHgheden en Zijn lof op de wijze ons geleerd. De na ons komenden misschien op een nieuwe wijze. Het gaat om het merg, de kern, de lofzang, die de Heere Jezus zong voor Zijn Kerk, toeti Hij ging naar het Kruis, om voor haar Zijn bloed te geven. Die lofzang blijve klimmen uit Slons zalen, ook onder wie na ons komen, tot de Voleinding.
Ik ving aan met de 51e Zendingsdag in Driebergen. Op 4 juH j.l. was de be zinningsdag van de Hervormde Raad voor de verhouding van Kerk en Israël op het landgoed Ter Veken onder Wassenaar. Die „ibezinningsdag" is een nieuwe vorm van wat voorheen wel een toogdag voor de Zending onder Israël placht te zijn. Maar van „Zendiag onder Israël" mag volgens velen niet meer gesproken worden. Het „gesprek met Israël" is ervoor in de plaats gesteld. Gaat het onder die nieuwe naam om het oude kruisevangehe ook voor Israël? Ik vraag maar. Op die „hezinningssamenkomst sprak ook de Rabbijn J. Soetendorp, 'bekend o.m. uit de N.C.R.V.reeks „Tot ziens in Jeruzalem".
Dr. Soetendorp — hij heeft een theologisch doctoraat in Leiden Ibehaald — kritiseerde de vroegere benaming van Zending onder Israël en waarschuwde, dat het „gesprek" daarin niet mocht ontaarden. Hij kritiseerde het tijdschrift „Licht en Leven". Het suggereert de mening onder Joden, zo ongeveer het verslag in „Trouw" d.d. 5 juK j.l., dat „gesprek" gaat in de lijn van Zending. Wat dr. Soetendorp dan wil leze men in het volgende:
„Wij moeten als het gesprek kans van slagen wil hebben een duidehjk onderscheid maken tussen de vroegere methode van het zendingswerk en de huidige benadering van het vraagstuk: het willen luisteren naar elkaar, het willen begrijpen van elkaar en het uitwisselen van eikaars ervaringen met God."
In de Kroniek van Kerk en Theologie (Ie of 2e afl. 1962), onderstreepte prof. Van Niftrik, ook over deze dingen schrijvend, dat ondanks alle fouten het Zendingswerk onder Israël aanklevend, men niet diende te vergeten, dat ook onder de Joden het Kruis van Christus moet geplant worden. Christus en Dien gekruist moet verkondigd. Ik gaf het weer, gelijk ik het mij nog herinner.
Ik vrees, dat het „gesprek", gelijk dr. Soetendorp het aanprees, aan die eis niet toekomt. Zo gezien, lijkt mij de weg van de „bezinningssamenkomst" geen winst!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's