OVER DE NIEUWE PSALMBERIJMING
De belangstelling voor de nieuwe psalmberijming is in onze kring niet groot.
Enerzijds is dat zeer begrijpelijk, want het is te schraal, als men zegt, dat de psalmen bij ons zeer geliefd zijn. Het zit dieper. Het gereformeerde volk leeft bij de psalmen. Het leeft het leven der psalmen als het leven van Gods Kerk. En nu is het wel waar, dat de bekende en veel gezongen psalmen slechts een deel van de 150 uitmaken, terwijl een ander deel onbekend is gebleven en zelden of nooit wordt gezongen. Dat doet echter niets af van het feit, dat de bundel van 1773, ondanks de zwakheden en bezwaren, die er ongetwijfeld aan kleven, althans wat die bekende en veel gezongen psalmen betreft, een vertolking van de tekst geven, welke historisch bewezen heeft het geestelijk leven, waaraan de psalmen zijn ontsproten, te verstaan en daaraan expressie te geven. Daarin schuilt naar onze overtuiging het geheim, dat toch iedereen, die daarvoor aandacht en waardering kan opbrengen, moet opmerken, dat het „bekende en veel gezongen" psalterium bij wijze van spreken niet dood gezongen wordt.
Wij hebben hierin niet van doen met een dode en versleten traditie, maar met de werking van een levende profetische kracht, die Gods Kerk in stand houdt.
Bij de voorbereiding en samenstelling van een nieuwe berijming had men mogen verwachten, dat meer rekening ware gehouden met de in het geding zijnde geestelijke belangen. Het ware daarmede beter overeen gekomen, indien men — althans ten aanzien van het door ons bedoelde deel der psalmen — had besloten de oude berijming te houden. In ieder geval zich te richten op restauratie meer dan op vernieuwing.
Wij denken in zonderheid aan plaatsen, waar het achttiende-eeuwse moralisme door de vensters gluurt. Dat lijkt ons van meer belang dan een ongewone samentrekking, of een verouderd woordgebruik.
Het is waar, dat de oude berijming soms verouderde uitdrukkingen bevat: die slechten wijsheid leert. Er zullen wel meer mensen zijn, die aanstoot nemen aan de „gloênde kolen", en aan de uitdrukking „van liefde dronken" en zo zou men meer kunnen noemen.
Waar echter blijft de kracht van het argument voor de wenselijkheid van een nieuwe berijming wegens dergelijke zwarigheden als verouderde spreekwijzen en ongewone saamtrekkingen, als blijkt, dat de nieuwe berijming klaarblijkelijk geen kans heeft gezien om vrij te blijven van zulke euvelen?
Doch ook overigens kan men over het argument van de verouderde taal verschillend denken, met name als het slechts over een beperkt aantal woorden en uitdrukkingen of zegswijzen gaat.
We zijn trouwens van oordeel, dat de nieuwe berijming, welke dan in de hedendaagse taal zou geschreven zijn, op menig punt een taalkundige toelichting van de leermeester in school, op catechisatie en thuis vraagt, welke van hem niet minder tijd en toewijding zal vragen dan de verklaring van de oude tekst.
Voorts kan men nog delibereren over de vormende waarde van het een of het ander. En tenslotte is er geen enkel bezwaar tegen, dat men de oude berijming, waar nodig of gewenst, indien dat ten minste zonder schade voor het boven omschreven Schriftuurlijk-geestelijk karakter kan geschieden, verbetert.
Wij matigen ons geen oordeel aan over de dichterlijke waarde van de nieuwe berijming, doch bij vergelijking van het oude en het nieuwe kunnen we toch niet ontkomen aan het gevoel, dat de nieuwe berijming, wat geestelijk klimaat , en sfeer betreft, in het algemeen ver achter blijft bij die van 1773. We zijn ons daarbij bewust, dat die vergelijking uit de aard der zaak de weegschaal gemakkelijk doet overslaan in de richting van het oude bekende en vertrouwde. Dit mede in rekening nemende en zo objectief mogelijk ons instellende tegenover de nieuwe berijming kunnen we toch met de beste wil deze nieuwe niet voortreffelijker achten dan de oude. De oude heeft haar zwakke punten, doch de nieuwe berijming heeft ze ook en niet in mindere mate. Men komt ook in de nieuwe berijming wel eens een treffende strofe tegen, maar men stoot zich daartegenover telkens weer aan taalwendingen, die op en voor zichzelf ook op de kinderen van onze tijd een vreemde indruk moeten maken: „met zware wijn hebt ge ons gelaafd" (60 : 2). Zwijmelwijn moge geen gebruikelijk Hollands woord zijn, maar het zegt duidelijk, wat het bedoeld. Drenken met zwijmelwijn: gij hebt ons doen handelen als degenen, die in zwijm vallen, in hun verstand zijn beneveld. Laven met zware wijn is toch eigenlijk geen Hollands. Laven geeft verkwikking, helpt en steunt, en zou dus het tegengestelde moeten betekenen dan „met zwijmelwijn drenken", wat het bedoelt te vervangen.
„Overvloed van levenstijd" (61 : 4), is geen vertolking van de tekst: „van geslacht tot geslacht, eeuwiglijk". De oude berijming (61 : 5) is ook niet schoon, maar staat er dichter bij.
„De schutse Gods" (62 : 5). Tegen de uitdrukking zelf hebben wij geen bezwaar, maar de berijmers maken, dacht ik, tegen zulke ouderwetse uitdrukkingen wel bezwaar. Nu we toch dit vers noemen, vergelijke men eens oude en nieuwe berijming. De oude berijming is bijna letterlijke weergave van de tekst (Psalm 62 : 8 en 9 onberijmd) en de nieuwe maakt er paar wat van en zegt zelfs dingen, die er niet staan.
In psalm 65 : 1 laat de nieuwe berijming de stilte God toezingen. Dit is mogelijk wel dichterlijk, maar het is zelfs onwaarschijnlijk, dat in de grondtekst van stilte wordt gerept, terwijl de lofzang bovendien bedoeld is om gezongen en niet om verzwegen te worden doch, indien men in (de grondtekst met de S.V. (in) stilheid leest, verdient de oude berijming voorkeur.
„Omgord met heldenmoed" in vers 4 is een vertaling, die bezwaarlijk kan worden verdedigd.
In psalm 66: stoten we in vers 4 op een soort parafrase van vers 11 en 12 onberijmd, die in een onaanvaardbare beeldspraak tracht te omschrijven, wat er niet staat.
In het eerste vers — overigens een mooi vers — van psalm 68„ stuiten we op de „gloênde kolen", die overigens door „vuur'ge" zouden kunnen worden vervangen.
Het tweede vers van psalm 68 oude berijming is ontegenzeggelijk ook een buitengewoon schone weergave van de onberijmde verzen 4 en 5 en houdt zich nauw, soms letterlijk aan de tekst. Als het gezongen wordt eenvoudig machtig.
Wat hiervoor in de plaats komt bij de nieuwe berijming, valt daarbij in het niet.
Is het nu gerechtvaardigd om deze beide prachtige verzen — om van die „gloênde kolen" af te komen —, in te ruilen tegen wat men daarvoor in de plaats wil stellen?
Zo zijn in de nieuwe berijming meer van zulke voortreffelijke verzen opgeofferd als 8, 9, 10, 14, 16.
We hebben slechts een greep gedaan en enkele opmerkingen geplaatst over wat ons voorkwam. Het is waarlijk niet gezocht of uitgezocht. Men neme zelf de oude en nieuwe berijming ter hand en de Heilige Schrift, om een vergelijking te maken, waarbij men let op:
1e Wie staat het dichtst bij de onberijmde tekst en geeft deze het beste weer in Schriftuurlijke zin;
2e Hoe staat het met de „vulsels", d.w.z. met de aanvullingen wegens rhythme, dichtmaat en versbouw? Passen deze in het verband van de onberijmde tekst en komen ze overeen met het Schriftuurlijk geloofsleven?
Dit zijn de hoofdzaken en als men op deze punten oude en nieuwe berijming vergelijkt, dan zal men ontdekken, dat de nieuwe berijming in het algemeen deze vergelijking niet kan doorstaan en als de minder geslaagde moet worden afgewezen. Niemand kan met vrij geweten beweren, dat deze nieuwe berijming in het geheel genomen beter is, tenzij hij vreemd is aan het geestelijk klimaat der psalmen.
Daarom is het niet alleen voor de oudere generaties een offer, als ze de oude berijming in de Dienst des Woords zouden moeten missen, doch, indien men de nieuwe zou inruilen voor de oude, zou dit een verlies voor de hele kerk betekenen. Telkens weer bij lezing en herlezing hebben we het gevoel, dat de nieuwe berijming over het geheel een andere geest ademt dan de thans gebruikelijke.
We hebben ons bepaald tot de meest bekende en in de Dienst des Woords meest gebruikelijke psalmen.
De nieuwe berijming zou mogelijk, zo is het oordeel van sommigen, bevorderlijk zijn voor de kennis en het kerkelijk gebruik der minder bekende psalmen.
Wat kan de oorzaak zijn van dat zeldzaam gebruik van een deel, terwijl de andere het zo goed doen?
De berijming misschien, de moeilijke melodie wellicht. We denken aan de tijd, toen vele gemeenten nog geen orgels hadden. Hoe het ook zij, de zaak ligt zo.
De nieuwe berijming is er op bedacht de eis der melodieën in aanmerking te nemen, en dat is van betekenis, wanneer men ze zingen wel naar de oorspronkelijke zangwijzen, d.w.z. rhythmisch. Het kan mogelijk voor de jongere generaties tot meerdere kennis van de ongebruikelijke psalmen voeren. Dat willen we niet a priori betwisten en wij zouden het toejuichen, maar zulk een onzekere verwachting kan toch niet opwegen tegen het verlies van hetgeen we in het oude hebben.
Deze overwegingen mogen er toe bijdragen, dat de kerk om haar eigen geestelijke belangen, indien ze besluit de nieuwe berijming na noodzakelijke revisie en behandeling volgens kerkelijke orde in gebruik te nemen, het in de vrijheid der kerken te laten de nieuwe of de oude berijming in de Dienst des Woords te gebruiken en de oude zeker niet aan de kant te zetten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's