HET KOMENDE CONCILIE 1
Toen op 28 oktober 1958 op 'het balkon van het Vaticaan voor een grote menigte — die reeds voor de vierde dag in grote spanning de keus van een nieuwe paus afwachtte — de al bijna 77-jarige kardinaal Roncalli verscheen om als paus Johannes XXIII zijn eerste officiële daad naar buiten te verrichten, namelijk het geven van de zegen, kon niemand — behoudens wellicht de ingewijden — vermoeden, dat deze nieuwe paus op zijn oude dag nog zulk een activiteit aan de dag zou leggen als hij gedaan heeft.
Terstond gingen er stemmen op die beweerden dat met opzet een hoogbejaarde tot paus gekozen was. Het college der kardinalen zou het namelijk nog niet eens zijn geweest over de gedragslijn die gevolgd zou moeten worden ten aanzien van de problemen waarvoor ook de r.k.-kerk in deze moderne zich gesteld ziet. Johannes XXIII zou volgens deze redenering naar de bedoeling der kardinalen dus hébben moeten dienst doen als „interim-paus". Mede op grond van zijn leeftijd zou men juist hém gekozen hebben, opdat over niet al te lange tijd, namelijk na zijn overlijden weer een andere nieuwe paus zou kunnen gekozen worden, die dan mogelijk de aangewezen figuur zou zijn om in het huidig tijdsgewricht de richting van de r.k.-kerk voor de toekomst te bepalen.
Het is ons niet mogelijk met enige zekerheid te zeggen of deze overwegingen bij de keus van Johannes XXIII inderdaad een rol hebben gespeeld. De verkiezing van een paus vindt immers onder strikte geheimhouding plaats. Maar al zouden genoemde overwegingen van betekenis zijn geweest — wat niet vast staat! — dan zal toch thans, nu we enige jaren verder zijn, achteraf gezegd moeten worden, dat de nieuwe paus van meetaf zich allerminst als een interim-paus, dus als een overgangsfiguur ontpopt heeft.
De taak van een overgangsfiguur is alles zoveel mogelijk bij het oude te houden, het bestaande te continueren, geen radicaal nieuwe wegen te gaan.
Maar Johannes XXIII deed al kort na zijn kroning (4 november 1958) een paar zeer opmerkelijke dingen, die van grote zelfstandigheid getuigden. Zo breidde hij het college der kardinalen uit door een hele reeks nieuwe kardinalen te benoemen. Maar wat nog meer indruk heeft gemaakt, ook buiten de r.k.-kerk zelf, is dat hij op 25 januari 1959 een komende gebeurtenis afkondigde die niet zo heel vaak pleegt plaats te vinden, We bedoelen een algemeen concilie.
In de 19 eeuwen kerkgeschiedenis — waar de r.k.-kerk zich gaarne op beroept - zijn tot heden nog maar 20 van zulke algemene concilies gehouden. Het laatste was dat van 1870, dat in het Vaticaan (te Rome) gehouden is en daarom de naam Vaticaans concilie draagt. Het komend algemeen concilie zal dus het 21ste worden.
In verband met dit feit, dat algemene concilies zeer zeldzaam zijn, is na de aankondiging van het komend concilie van r.k.zijde al herhaaldelijk beweerd, dat het de gebeurtenis van onze eeuw zal worden.
Ook wordt er van die kant graag op gewezen, dat volgens de eigen woorden van Johannes XXIII het plan om dit nieuw concilie samen te roepen niet na lang beraad, maar plotseling bij hem opgekomen is, volgens hem zelf ais een bloem van een onverwachte lente.
Toch mag, dunkt ons, worden geconstateerd, dat al sinds geruime tijd binnen de r.k.-kerk een dringende behoefte aan vernieuwing, modernisering is gevoeld en dat een nieuw concilie wel de meest geschikte gelegenheid biedt om tot deze vernieuwing te komen — in die zin kwam de aankondiging van de paus dan ook niet onverwachts. Bovendien, in aanmerking moet worden genomen, dat reeds onder zijn voorganger, Pius XII in Vaticaanse kringen ernstig aan zulk een concilie gedacht is, en dat zelfs al voorbereidende werkzaamheden daarvoor verricht werden, iets wat ons bekend is geworden door een mededeling van de inmiddels overleden pauselijke staatssecretaris, kardinaal Tardini op een persconferentie te Rome.
Het is tegenwoordig geen geheim meer, dat ook de r.k.-kerk — evenals alle andere kerken — gedurende een reeks van jaren met speciale moeilijkheden te kampen heeft. De ingrijpende tijdsveranderingen vanaf, laten we zeggen: het midden van de vorige eeuw zijn ook niet aan haar voorbijgegaan. Een verjonging, een vernieuwing of hoe men het noemen wil, is ook voor haar nodig.
En dit is nog niet alles. Aangezien de r.k.-kerk in haar zichtbare eenheid een wereldkerk is en dat ook welbewust wil zijn, heeft ze meer nog dan andere kerken haar problemen, nu in onze eeuw, die de eeuw van de zending, van de missie heet, de kerk zich over alle werelddelen heeft uitgebreid. Er zijn tal van jonge kerken ontstaan, eerst in Azië maar tegenwoordig ook in Afrika. Ze stellen de door Rome zo hoog geroemde „katholiciteit" op een zware proef. De omstandigheden immers waarin deze jonge kerken verkeren zijn doorgaans geheel andere dan die waaronder de r.k.kerk in de oude westerse landen verkeert. Deze kerken hebben nog geen of slechts een zeer korte nationale geschiedenis en staan daardoor als vanzelf veel vrijer tegenover de westerse kerkelijke tradities, die trouwens niet wortelen in hun eigen cultuur — voorzover daar sprake van is —, maar die overgenomen zijn uit de missie. Kortom, het hele cultuurpatroon waarin deze kerken ontstaan zijn en nog steeds leven verschilt zozeer van het europees-amerikaanse dat de r.k.kerk wel gedwongen is zich bezig te houden met de vraag of ze van haar tot dusver gehandhaafde uniformiteit niet wat zal moeten prijsgeven, wil ze tenminste in de werelddelen buiten Westeuropa en Noordamerika werkelijk wortel schieten. Hoewel de missiekerken in Azië en Afrika eigenlijk nog maar weinig stem hébben, is er toch al vanuit deze kerken vrij scherpe kritiek geleverd op de huidige te westerse gedaante van de r.k.-kerk als moederkerk. Men vraagt hier om meer ruimte voor het eigene, dus meer vrijheid, ook meer aanpassing en vernieuwing. Het komend algemeen concilie zal tot taak hebben deze problemen onder ogen te zien.
Naast de veranderde tijdsomstandigheden en de groei van de r.k.-kerk in de landen buiten Europa, is er als derde factor die een concilie gewenst, zoal niet nodig maakt de secularisatie in de „oude" landen waar de r.k.-kerk al een heel lange geschiedenis heeft, en waar ze in verleden tijden soms gedurende eeuwen het hele leven heeft beheerst. Hier doet zich voor haar de noodzaak gelden van een „diepgaande herziening van zielzorg en prediking" — aldus dr. P. Smulders s.j. (in „Het komende concilie" Hilversum 1961, blz. 36). De vervlakking en uitholling van het godsdienstig leven der massa's moet zo mogelijk een halt worden toegeroepen. Maar.daarvoor zal de r.k.-kerk haar pastoraat en verkondiging aan een grondige revisie moeten onderwerpen. Men verwacht stellig dat dit op het komend concilie het geval zal zijn. Johannes XXIII heeft er in allerlei toespraken al herhaaldelijk op gezinspeeld.
We noemen verder de bezinning die er binnen de r.k.-kerk aan de gang is op wat men tegenwoordig wel het „vergeten ambt" der kerk noemt, dat wil zeggen op de plaats die de „leek" in het kerkelijk leven kan en mag innemen. De zeer oecumenisch ingestelde dominicaan Gongar heeft de discussie over dit onderwerp op gang gebracht. Het wordt door vele rooms-katholieken als een der meest brandende problemen van de kerk in deze tijd ervaren. We denken hierbij vooral aan tal van leken zelf. Er is onder hen een groeiend verzet tegen de clericalisering van het leven, d.w.z. de 'beheersing van het hele leven door de geestelijkheid (clerus), die lang niet altijd meer in onze gecompliceerde samenleving voor deskundig kan worden gehouden. Vele r.k.-leken staan tegenwoordig op verantwoordelijke posten, bijvoorbeeld in de politiek, ze zijn uit de aard van hun positie gedwongen veel met „andersdenkenden" om te gaan en dus ook gedwongen zich te verantwoorden omtrent hun geloof. Dat vereist „mondigheid". De r.k.-kerk kan er niet langer onder uit aan deze mondigheid — ook op het eigenlijk kerkelijke terrein —ruimte te geven. Maar daarmee staat ze tevens voor een groot probleem. De structuur van de r.k.-kerk is hiërarchisch, dat wil zeggen er is in deze kerk ten eerste een kwalitatief verschil tussen „geestelijken" en „leken", 'de geestelijken staan boven de leken; en ten tweede onder de geestelijken zelf is een reeks van rangen, zodat de een boven de ander staat, met de paus aan de top. De moeilijkheid is nu, hoe de leken in hun wens naar zeggenschap, althans in hun wens gehoord te worden tegemoet te komen zonder aan de hiërarchische structuur van de kerk ook maar iets af te doen. Het is haast wel zeker dat op dit probleem het aanstaand concilie zich bezinnen zal.
Wij noemen vervolgens ook nog het vraagstuk- van de centralisatie of decentralisatie, en daarmee verbonden het vraagstuk van de verhouding van de bisschoppen tot de paus en omgekeerd. Op het laatstgehouden concilie dat van 1870 is het primaat van de paus erkend en tot dogma verheven. In feite heeft de paus daarmee absolute macht gekregen in de r.k.-kerk. In alle belangrijke zaken is het laatste woord aan hem.
Een der gevolgen hiervan is geweest, dat in heel de r.k.-kerk, meer dan in de eeuwen daarvóór een strenge- centralisatie is doorgevoerd. Rome regeert, meer dan welke bisschop ook maar in zijn diocees.
Velen zijn er tegenwoordig die de bezwaren van deze situatie heel sterk gevoelen. Ze willen meer decentralisatie, en daarmee verbonden meer armslag voor de bisschoppen; ze vragen om een herwaardering en nieuwe vulling van het bisschopsambt. Tot deze voorstanders van een gematigde decentralisatie schijnt nu ook paus Johannes XXIII zelf te behoren; er zijn allerlei gesten van hem die in deze richting wijzen, terwijl hij er ook met zoveel woorden voor gepleit heeft.
In dit verband moeten we er even op wijzen, dat het komend concilie evenals het laatste een Vaticaans concilie zal zijn; de officiële naam die het krijgen zal is Tweede Vaticaans concilie. Johannes XXIII ziet het dus als een zekere voortzetting van het vorige concilie (dat ontijdig werd afgebroken). Terwijl op het Eerste Vaticaans concilie de positie van de paus werd gedefinieerd, zal op het Tweede Vaticaans concilie de positie van de bisschoppen nader gepreciseerd worden — dat is de specifieke relatie die er wezen zal tussen de beide concilies.
We noemen tenslotte nog een probleem waar men in verschillende delen van de r.k.-kerk — doch niet overal — de laatste jaren steeds meer aandacht voor heeft gekregen. We bedoelen de verhouding tot andere kerken, met name de oosters-orthodoxe en protestantse. Johannes XXIII heet een paus te zijn die oecumenisch denkt. Hem zweeft de eenheid van alle christenen, onder de Stoel te Rome voor ogen. Niet dat het komend concilie, naar de bedoeling van de paus, al rechtstreekse stappen zal ondernemen om tot deze eenheid te komen. Het zal geen „herenigingsconcilie" zijn.
Er is geen sprake van dat op dit concilie leden van andere kerken als gelijkwaardige gesprekspartners zullen deelnemen, hoogstens als „waarnemers". Maar wel is het mogelijk, dat met enkele wensen van de niet-roomse christenen rekening zal worden gehouden. Veel valt hier nog niet over te zeggen, we zullen moeten afwachten.
Elk van de boven aangeduide punten hopen we in een paar artikelen breder onder ogen te zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's