De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

HOOFDSTUK III/IV, ARTIKEL, 16

10 minuten leestijd

Doch gelijk de mens door de val niet heeft opgehouden een mens te zijn, begaafd met verstand en wil, en gelijk de zonde, die het ganse menselijk geslacht heeft doordrongen, de natuur des mensen niet heeft weggenomen, maar verdorven en geestelijker wijze gedood; alzo werkt ook deze Goddelijke genade der wedergeboorte in de mensen niet als in stokken en blokken, en vernietigt de wil en zijn eigenschappen niet en dwingt die niet met geweld zijns ondanks, maar maakt hem geestelijk levend, heelt hem, verbetert hem, en buigt hem tegelijk liefelijk en krachtiglijk; alzo dat, waar de wederspannigheid en tegenstand des vleses tevoren ten enenmale de overhand had, daar nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes de overhand begint te krijgen; waarin de waarachtige en geestelijke wederoprichting en vrijheid van onze wil gelegen is. En ten ware dat die wonderbaarlijke Werkmeester alles goeds in dezer voege met ons handelde, de mens zou ganselijk geen hoop meer hebben van uit deval te kunnen opstaan door zijn vrije wil, waardoor hij zichzelf, toen hij nog stond, in het verderf heeft gestort.

God maakt de dode zondaar levend.

Dat de zondaar van nature dood is leert ons de Schrift. Maar wordt dit door de predikers van deze tijd nog voldoende beseft? Ieder begrijpt, dat deze vraag van groot gewicht is. Het maakt een groot verschil of een prediker weet, dat er aan elk van zijn hoorders een wonder Gods moet gebeuren, wil hij de prediking verstaan en er uit leven dan wel of een prediker deze bijbelse leer verwerpt of er praktisch geen rekening mee houdt. Wellicht zegt iemand: waar haalt een dominee de moed en de volharding vandaan om tot doden te preken? Die moed haalt de prediker uit het geloof, - dat God machtig is doden te doen horen. Hoe meer hij dat gelooft, hoe krachtiger zijn prediking wordt. Want dit is inderdaad de verschrikkelijke toestand, waarin elk mens van nature verkeert: hij is dood voor God, gelijk de verloren zoon dood was voor zijn vader (Luc. 15 : 24). Dan kan er in een belijdend lidmaat of in een hele gemeente nog wel een schijn van leven zijn, maar in wezen is er de dood. De Heere Jezus getuigt dit van Sardis: „Ik weet luw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood". (Openb. 3:1) Sommigen zeggen, dat een prediker heel z'n gemeente voor kinderen Gods moet houden. Dat zou het N. Testament ook doen, zegt men.

Dat klopt echter niet met deze tekst. „Uitwendig was er bij de gemeente in Sardis wel geloofsschijn. Het was, of het kerkelijk leven er bloeide, zodat er zelfs een „naam", een roep, van uitging. Het heeft, wat de uiterlijke daad betreft, bij de gemeente niet geheel ontbroken aan wat b.v. 2 : 19 noemt. Maar het innerlijk wezen, het geloof des harten, ware liefde, de ziel werd er uit gemist, het leven des Geestes; vgl. 2 Tim. 3 : 5: „hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van dezen." Innerlijk, geestelijk was er een dood zijn; vgl. Jac. 2 : 17, 26. De gemeente was in het wereldse leven teruggevallen, vgl. VS. 4. Wat te Pergamus en te Phyatira slechts van een kleiner deel der gemeente gold, was te Sardis waar van schier de ganse gemeente. Uiterlijke vormelijkheid van kerkelijk leven en van geloofswerkzaamheid werd wel bijgehouden, maar wezenlijk en innerlijk was er slechts, enkele beteren uitgezonderd, wereldsgezindheid, vleses- en zondedienst, geloofsverzaking, Godsverlating". (Greijdanus) zover kan het dus met een gemeente komen, volgens de Schrift. En dan helpt het niet, als we het er voor houden, dat die uiterlijke godsdienstigheid uit het ware geloof opkomt. Dan moeten we weten, dat er bij God nog raad voor is. Wij moeten de toestand van onszelf en onze gemeenten niet bedekken onder de schijn van mooie woorden, maar openleggen zoals de Heere Jezus dat deed. Buiten het waarachtig geloof in Christus zijn we allen dood, al hebben we nog zoveel godsdienst. De Schrift noemt de christenen voordat zij tot het geloof kwamen: „dood in de misdaden". En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden en in de voorhuid uws vlezes, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende" (Coll. 2 : 13). Het is dus in de Schrift gegrond als de Leerregels spreken van een levendmakende daad Gods. Jezus noemt allen, die Hem niet volgen doden (Mt. 8 : 22) „Laat de doden hun doden begraven". Alle mensen zijn dood totdat Jezus hen roept (Joh. 5 : 25) „Daarom zegt Hij: Ontwaak gij die slaapt en staat op uit de doden, en Christus zal over u lichten". (Ef. 5 : 14)

Met deze doodstaat moet een zondaar bekend gemaakt worden. De ouden noemden dat het voorbereidende genadewerk. Comrie schrijft ervan in de verklaring van Zondag 7, dat vele uitverkorenen, die tot jaren van onderscheid komen onder de tucht van de vurige wet gesteld worden „om hen daar voor te doen vallen en om in hen ten onder te brengen al de hoogten van eigen werk, die zich tegen de vrije genade verheffen en om zijn weg voor Christus en de vrije genade te banen, zodat de Heiland, als Hij hen levend maakt, hen gestaltelijk dood bij hemzelf vindt; de dingen die hen gewin waren, schade en drek achtende en onder een gevoelen, dat zij zo geheel dood zijn, dat als de zaligheid om een zucht of zoveel als een schrapsel van een nagel moest bekomen worden, zij dan eeuwig zouden moeten verloren gaan". Iets verderop zegt Comrie, dat God „een ieder Zijner uitverkorenen daardoor zo in de dood doet vallen, dat zij door werkzaamheden van hun zijde niet tot de genade kunnen opklimmen, maar zo gestaltelijk dood worden hij en in zichzelf, en dus blijven, langer of korter, totdat de vrijmachtige God door Zijn wedenbarende kracht hen levend maakt". Wat is nu de kern van dit nieuwe leven? Waaruit ontstaat het en waarin bestaat het? Het ontstaat en bestaat uit Christus. Wanneer en waar de Heere Jezus door een waar geloof in het hart woont, daar is het nieuwe leven. Comrie voegt twee zaken aan een nl. dat de vrijmachtige God door Zijn wederbarende kracht hen, die hun doodstaat bevindelijk hebben leren kennen door Gods Geest, levend maakt door Zijn wederbarende kracht en door de werking Zijns Heiligen Geestes Zijn Zoon in hun zielen openbaart. God maakt dus de dode zondaar levend door hem in Christus in te planten. „Zo dan indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel" (2 Cor. 5 : 17). Daar is een nieuw schepsel als er een band gelegd is tussen Christus en de uitverkoren zondaar. Calvijn schrijft bij Ef. 2:1: „Wij worden allen als doden geboren en wij leven als doden, totdat wij deelgenoten zijn gemaakt van het leven van Christus.

En vandaar komt het, dat Christus zegt: „De ure komt en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem van de Zoon Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven". (Joh. 5 : 25)... Laten wij dus hieraan vasthouden, dat de verbinding van onze ziel met God, is haar ware en enige leven. Bijgevolg zijn wij volstrekt dood buiten Christus, omdat de zonde (die de grondstof van de dood is) in ons regeert. Dus al is er nog zoveel beroering en vrees en ontzetting aan onze zonde in ons, dan is daarmee het leven er nog niet. Velen komen in grote beroeringen, zonder tot Christus te komen. Van hen zegt Comrie: „Velen komen in de kuil van hun ellende; bij enigen gaan de indrukken over, maar bij velen is het zo gelegen, dat zij met hun gestalten en werkzaamheden daaruit klauteren en zijn en blijven dieven en moordenaars, die over de muur klimmen en niets hébben, waarop zij hun zaligheid bouwen, dan alleen enige werkzaamheden van hun zijde". Het nieuwe leven is alzo de gemeenschap met Christus. Calvijn schrijft in Inst. III, 14, 6, dat wij allen te samen dodelijke en openbare vijanden Gods zijn, totdat wij, gerechtvaardigd zijnde worden aangenomen in Zijn vriendschap. Ook in de uitverkorene, zo lang hij buiten Christus is, heerst de dood.

Het staat zo: „ofschoon wij door Christus verlost zijn, dat wij nochtans duisternis en erfgenamen des doods en Gods wederpartijen zijn, totdat wij door de roeping des Vaders in Christus' gemeenschap ingelijfd worden". De Geest Gods moet ons zuiveren en anders is het nog niets. „Indien wij door de Geest besprengd worden met het bloed van Christus tot reinigmaking, laat ons dan niet menen, dat het met ons, eer wij alzo besprengd zijn, anders gesteld is als met een zondaar, die van Christus is afgescheiden. Laat dan dit vast blijven, dat het beginsel van onze zaligheid is gelijk een wederopstanding van de dood tot het leven. Want wanneer ons om Christus wil gegeven is in Hem te geloven, als dan beginnen wij eerst uit de dood te komen in het leven".

Wanneer prof. H. Bavinck over de wedergeboorte handelt als de werkzaamheid Gods, waardoor Hij wederbaart, stelt Bavinck de wedergeboorte gelijk aan de inwendige roeping. God maakt de dode zondaar levend door hem te roepen. Deze roeping is een krachtdadige. Zij is dus meer dan een aanraden. De uitwendige roeping kan er in de ordelijke weg niet bij gemist worden, maar de uitwendige roeping en de zedelijke aanrading door het woord is onvoldoende tot zaligheid. De gereformeerde leer is dat deze dingen gevolgd worden door een gans bijzondere werking in het hart des mensen. Deze werking is een onmiddellijke. Sommige leren, dat Gods Geest wel werkt in de mens, maar dat de vrucht van deze Geesteswerking afhankelijk is van 's mensen toestemming en inwilliging. Tussen de werkzaamheid Gods en de uitwerking daarvan in het hart van de mens (dat is de schepping van het leven) komt dan de vrije wil des mensen in te staan. Die vrije wil kunnen wij in de Schrift en in de mens niet vinden. Als gereformeerden belijden wij, dat Gods Geest rechtstreeks in het hart des mensen binnendringt en daar onfeilbaar zeker, zonder enigszins van de wil des mensen afhankelijk te zijn, de schepping van het nieuwe leven tot stand brengt. Die werkzaamheid Gods is ook meer dan een verlichting van het verstand. Gods Geest buigt ook de wil om naar de gehoorzaamheid aan Christus toe. Zo ontsteekt de Heilige Geest in het hart van de uitverkorene een waar geloof, waardoor hij Christus omhelst. Het geloof is dus heel wat anders dan het aannemen van welke leer ook. De mens, die levend gemaakt is in Christus, gelooft. Het voorwerp van zijn geloof is niet een leer, ook niet eenvoudig een boodschap, maar in de boodschap van het Evangelie omhelst de levendgemaakte de Persoon van Christus en Zijn werk. Door de verlichting van de Heilige Geest ziet hij de noodzakelijkheid, dierbaarheid, algenoegzaamheid en gewilligheid van deze Zaligmaker. Geloven wil zeggen in een persoonlijke betrekking tot de gepredikte Christus staan. Het geloof maakt zalig doordat het ons in Christus inlijft. Aangezien dit geloof een werk van de Heilige Geest is, kunnen we beide zeggen in navolging van Calvijn. We kunnen zeggen, dat het geloof ons met Christus verenigt, maar we kunnen ook zeggen dat de Heilige Geest de band is met Christus. En als die Christus in de ziel is, dan is er een nieuw leven.

Ik heb deze enkele woorden uit de Leerregels „maar maakt hen geestelijk levend" van een breedvoerige toelichting voorzien, opdat het ons allen duidelijk zou zijn, dat dit geen leven is buiten Christus om en ons. Van ons zelf geldt, als we in Christus zijn: „Ik leef niet meer". Een christen is een zondaar, die de dood in zichzelf vindt en het leven in Christus. Voor Calvijn was deze prediking en belijdenis van de vereniging met Christus door de Heilige Geest van zeer fundamentele betekenis. Aan de lezer is het nu om de vraag te overwegen of hij zichzelf heeft leren kennen buiten Christus en of hij in Christus is ingelijfd.

Waaraan zal men het weten? Aan de vruchten kent men de boom. Over die vruchten de volgende keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's