De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DIENEND EN VASTEND

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DIENEND EN VASTEND

10 minuten leestijd

Wanneer Lukas aan het begin van Handelingen 13 gewag maakt van de vijf profeten en leraars, die op een zeker ogenblik in de gemeente van Antiochië aangetroffen werden, dan heeft hij ons omtrent hen meer mede te delen dan alleen hun namen en enkele bijzonderheden betreffende hun persoon. Het komt, naar ons oordeel, duidelijk naar voren, dat het er Lukas om te doen is, dat wij al onze aandacht geven zullen aan een zeer merkwaardige gebeurtenis, die er op een niet nader overgeleverde datum plaats gevonden heeft: dat de heilige Geest gesproken heeft en de profeten en leraars een bevel heeft doen toekomen, waarop Hij geen tegenspraak dulden kon. Dat spreken des Geestes en dat gebod, dat Hij in hun midden heeft doen uitgaan — zij vormen de centrale gedachte van hetgeen Lukas in Handelingen 13 vers 2 ons prediken moet. En wij doen er wijs aan, indien wij deze gegevens centraal laten staan. De tekst gebiedt het ons. En wij zullen daar niet straffeloos van kunnen afdwalen. Juist als wij ons niet onder het dwingend gezag van de tekst stellen, lopen wij gevaar in allerlei beschouwingen te vallen, die de kruitdamp die er rond Handelingen 13 vers 1—3 hangt alleen nog maar erger maken kunnen. Voorzichtigheid is hier dubbel geboden.

Nu moet het ons wel opvallen, dat Lukas datgene, waar het in Handelingen 13 vers 2 op aan komt — het eigen getuigenis van de Geest des Heeren —, in een bepaald kader geplaatst heeft. Hij wijst er ons met nadruk op, dat de Geest Zijn bevel gegeven heeft, „als zij de Heere dienden, en vastten". Van die aard waren dus de omstandigheden, waarin de heilige Geest Zijn opdracht openbaarde.

Een vraag, die zich echter terstond aan ons opdringt, is, wie het nu geweest zijn, die de Heere dienden en vastten. Het is heel goed te verdedigen, dat dit niet van de vijf profeten en leraars geldt, maar van de leden van de gemeente van Antiochië. Sommigen hébben deze opvatting met hand en tand vastgehouden. En het kan niet ontkend worden dat zij hun opvatting even goed op de grondtekst kunnen funderen als wij, die een andere mening zijn toegedaan. Het komt ons namelijk voor, dat Lukas in Handelingen 13 vers 1 de lijst van profeten en leraars niet alleen maar geeft, opdat wij daaruit weten zouden, uit wie er twee zendingsarbeiders gekozen werden, maar ook opdat wij daarmede diegenen vóór ons zouden hébben, tot wie het bevel des Geestes gekomen is. Anders zou er veel te weinig verband bestaan tussen het eerste en het tweede vers. Dit impliceert derhalve, dat wij menen, dat de Geest gesproken heeft, terwijl de profeten en leraars de Heere dienden en vastten.

Als Lukas van hen getuigt, dat zij „de Heere dienden", drukt hij zich heel karakterestiek uit. Voor „dienen" gebruikt hij namelijk een werkwoord, waaruit zich ons woord „liturgie" ontwikkeld heeft. En het leent dan ook de moeite even iets van dit werkwoord te weten, opdat wij een recht begrip mogen krijgen van de bezigheid, waarbij de leiders van de gemeente te Antiochië betrokken waren, toen het woord des Geestes hen bereikte.

„Dienen" (leiturgein) was iets, dat ook de klassieke Grieken niet onbekend was. Eén die „diende", was bij hen een man die een openbaar ambt bekleedde, en die zijn krachten gaf in het belang van zijn volk. Ieder was op zijn beurt geroepen tot „dienen". Elke burger, die drie of meer talenten bezat, was er wettelijk toe verplicht. Hij moest zich op de een of andere wijze nuttig maken voor de staat. Niet ten onrechte is wel eens opgemerkt, dat „dienen" bij de oude Grieken een sociaal-politieke betekenis had. Het ging om dienst aan de gemeenschap. De een kweet zich daarom van zijn taak door de opvoering van een tragedie te bekostigen; de ander door een jaar lang het onderhoud van een gymnasium voor zijn rekening te nemen of door de middelen te verschaffen die nodig waren voor de uitrusting en de bemanning van een zogenaamd drieriemschip — een soort galei met drie dekken voor roeiers. 

Het wonderlijke is, dat degenen die in de derde eeuw vóór Christus het Oude Testament uit het Hebreeuws ia het Grieks overgezet hebben, „dienen" welhaast uitsluitend gekozen hebben ter vertaling van die Hebreeuwse uitdrukkingen, die de ambtelijke dienst van de priesters en levieten in het heiligdom wilden aanduiden. Zo bijvoorbeeld in Exodus 28 vers 43: „Aaron nu en zijn zonen zullen die aanhebben, als zij in de tent der samenkomst gaan, of als zij tot het heiligdom treden zullen om in het heilige te dienen". En wanneer in 1 Makkabeeën 10 verhaald wordt, hoe de veldheer Demetrius aan de Joden geschreven heeft: „En boven deze, de vijfduizend sikkelen zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten, gelijk in de eerste jaren van de jaarlijkse rekeningen des heiligdoms, die werden ook kwijtgescholden, omdat ze de priesters toebehoren, die de dienst doen dan is het zó, dat in het Grieks van dit apocriefe boek wederom „Ieiturgein" gebezigd wordt om de ambtelijke functies van de priesterschap aan te geven. Bij Flavius Josephus treft ons dezelfde stand van zaken. Ook hij spreekt van „dienen" als hij het heeft over de plichten der priesters en levieten. 

Het is zodoende geheel in de lijn van het Oude Testament, dat er in Hebreeën 10 vers 11 gezegd wordt: „En een iegelijk priester stond wel allen dag, dienende, en dezelfde slachtoffers dikwijls offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen....". Wij kunnen dus wel de gevolgtrekking maken, dat „dienen" een stereotype uitdrukking is geweest voor de ambtelijke dienst jegens de Heere.

Van hieruit gezien, valt er een verhelderend licht op de uitspraak van Lukas, dat de sprake des Geestes vernomen werd, terwijl de profeten en leraars van Antiochië „de Heere dienden". Daar heeft hij ons mee willen laten zien, in welke omstandigheden de leiding van de Antiocheense gemeente verkeerde, toen het gebod des Geestes weerklonk: zij was bezig met de ambtelijke dienst in de gemeente Gods, die te Antiochië was.

Buitengewoon zinvol is ook het tweede werkwoord, dat Lukas neerschrijft ter omschrijving van datgene, waarmede men doende was op dat gewichtige moment. Hij zegt ons immers, dat zij aan het vasten waren.

Wat het „vasten" betreft, reeds onder het Oude Verbond was dit een welbekende instelling. Van de kinderen Israels weten wij, dat zij ieder jaar opnieuw verplicht waren op de Grote Verzoendag te vasten. Na de ballingschap in Babel bestonden er in het Jodendom vier, jaarlijks terugkerende, vastendagen, die door het ganse, volk in acht genomen werden. De profeet Zacharia spreekt in dit verband over „het vasten der vierde en het vasten der vijfde en het vasten der zevende en het vasten der tiende maand". Ook dient nog verwezen te worden naar Esther 9 vers 31, waar ons bericht wordt, dat aan het Purimfeest eveneens een vasten verbonden was. Op al deze vastendagen gaf men, door zich te onthouden van spijze en drank, uiting aan zijn smart, en deed men boete voor het aangezicht Gods door zich voor Hem te vernederen.

Soms ook werd er een vasten uitgeschreven om zich van de leiding en hulp van God in speciale gevallen te vergewissen. Dat was o.a. het geval met Mozes, die veertig dagen en veertig nachten miet dé Heere op de berg Sinaï was zonder brood te eten of water te drinken (Ex. 34 vers 28); met David, die een vasten vastte en nederlag op de aarde, toen het kind, hem uit zijn zonde met Bathseba geboren, ernstig ziek werd (2 Sam. 12 vers 16-23); met koning Josafat, die in grote nood geraakte toen de Moabieten, de Ammonieten en andere stammen uit het Oosten tegen hem opgetrokken waren (2 Kron. 20 vers 3v.); en met Ezra, die een vasten uitriep aan de rivier Ahava, opdat het volk zich voor God zou verootmoedigen om van Hem een „rechte weg" naar Jeruzalem te verzoeken (Ezra 8 vers 21 v.v.).

Het Nieuwe Testament brengt het vasten evenzeer ter sprake als het Oude. Wij herinneren slechts aan Christus bij de verzoeking in de woestijn (Matth. 4 vers 1-4), en aan hetgeen Hij gezegd heeft over deze materie in Matth. 6 vers 16-18 (niet als een huichelaar vasten) en Matth. 9 vers 14-17 (eerst als de bruidegom is weggenomen zullen de bruiloftskinderen kunnen vasten). Verder is daar nog het getuigenis van de Farizeeër in de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar, die niet misverstaan kan worden en die ons informeert aangaande de gewoonten van 't Farizeïsme in Jezus' dagen: „Ik vast tweemaal per week" (Lukas 18 vers 12). Vervolgens ook nog het oordeel, dat over Anna, de dochter Fanuëls, uit de stam van Aser gegeven wordt: „dewelke niet week uit de tempel, met vasten en bidden God dienende nacht en dag". En tenslotte nog de opmerking in Handelingen 27, waar gewaagd wordt van de vasten, die „nu voorbij was" — waarmede dan gedoeld is op de vastentijd, die verband houdt met de Grote Verzoendag. Er zou nog meer te noemen zijn. Dat lijkt ons echter overbodig te zijn. De aangehaalde schriftplaatsen zijn ruim voldoende om enigszins een indruk te bekomen van de betekenis van het vasten in beide delen der Schrift.

Uitgaande van de veronderstelling, dat het vasten, dat door de profeten en leraars van Antiochië in de practijk beoefend werd wel niets zal hebben uit te staan gehad met een van de specifiek- Joodse gelegenheden, waarop gevast werd, moeten wij concluderen, dat naar alle waarschijnlijkheid het vasten van Handelingen 13 vers 2 veroorzaakt zal zijn door de een of andere omstandigheid, die ons niet met zoveel woorden wordt aangewezen. Allerlei gissingen zijn mogelijk. Wij noemen er maar enkele: Was er smart die voor God moest worden neergelegd? Waren er redenen tot boete-doening en tot verootmoediging voor het aangezicht des Heeren? Of had men soms bijzondere behoefte aan leiding en bijstand van Boven met het oog op een niet met name genoemde kwestie?

Het valt te overwegen, of niet wellicht de zendingsgedachte zó zeer de hoofden en harten van de Antiocheense leiders vervuld heeft, dat zij gevast hebben teneinde op die wijze de Heere om licht en leiding te vragen over dit punt. Er zijn uitleggers, - die daar inderdaad voor voelen. O.a. ook prof. J. H. Bavinck in zijn populaire studie: „Alzo wies het Woord". Volle zekerheid zullen wij hiervan nooit krijgen. Maar het is een aanlokkelijke hypothese. Juist als wij aannemen, dat het zendingswerk de geesten zó onder zijn beslag had, wordt het opeens voor ons opgehelderd, waarom men gevast heeft. Daar was dan een stellige aanleiding toe. Dat er gevast werd zonder enige bijzondere reden, is een zaak, waar wij niet zo gauw aan willen en die te veel tegen zich heeft.

Om kort te gaan: terwijl de situatie zó was, dat de vijf profeten en leraars samen de Heere dienden in hun ambt in het midden der gemeente van Antiochië, en zij vastten om de wil Gods te mogen leren kennen, — kwam het bevel van de Geest Gods, waardoor hun opgedragen werd ogenblikkelijk Barnabas en Paulus af te zonderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DIENEND EN VASTEND

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's