Antwoord aan ds. G. Boer inzake eenheid met de Gereformeerde Kerken
In een drietal artikelen is ds. G. Boer ingegaan op hetgeen ik in de rubriek „Uit de kerk" in het laatste nummer van „Theologia Reformata" schreef over de noodzaak tot samengaan van de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, alsmede over de houding van de Gereformeerde Bond hiertegenover. Daar het mij allerminst ging om een polemiek hierover uit te lokken, beperk ik mij tot een aantal noten bij de artikelen van ds. Boer in de hoop hiermede enige misvattingen te kunnen wegnemen en duidelijker te kunnen maken waarom ik zo uitdrukkelijk vóór eenwording meende te moeten pleiten.
1. Mijn hoofdbezwaar tegen hetgeen ds. Boer in zijn in druk verschenen lezing „Van kerken tot kerk" en zijn hierboven genoemde artikelen in dit blad schreef, is, dat hij hierin zo weinig verbondsmatig over de kerk handelt. In mijn stuk in „Theologia Reformata" besteedde ik aan de relatie tussen kerk en verbond slechts een enkele alinea. Het feit, dat ds. Boer hieraan in zijn bespreking voorbijgaat, alsmede het feit, dat hij in zijn lezing en artikelen slechts een enkele keer terloops het verbond noemt, geeft mij de indruk, dat hij het vraagstuk van de kerkelijke eenheid buiten het verbond om meent te moeten benaderen. Ik betreur dit ten zeerste, temeer daar ds. Boer in een in 1956 voor de Bond van Hervormd-gereformeerde Mannenverenigingen gehouden lezing (bij J. Bout te Huizen in druk verschenen) op een zo bijbelse en reformatorische wijze het verbond en zijn betekenis voor de prediking en de benadering van de gemeente aan de orde heeft gesteld., In dit verbond ziet hij terecht heel de gemeente opgenomen en deze gehele gemeente wil hij op haar verbondsbetrekking aangesproken hebben.
Zoals ik enkele jaren geleden in een zestal artikelen in het blad „Eenigheid des Geloofs" (nrs. 1—6 van jaargang 14, 2 oktober—18 december 1959) uitvoerig heb uiteengezet, meen ik, dat de leer des verbonds van grote betekenis is voor het vraagstuk der kerkelijke eenheid. Ik kan hiervan nu slechts enkele punten aanstippen. Mocht de redactie hierop prijs stellen, dan ben ik gaarne bereid in enkele artikelen uitgebreider hierop in te gaan. Er zij slechts op gewezen, dat de reformatie verbond en kerk nauw op elkaar betrokken heeft gezien. In het verbond begrepen te zijn, betekent tot de kerk te behoren (zie antwoord 74 der Heid. Catechismus, artikel 34 der Ned. Geloofsbelijdenis en vraag 1 van het Doopsformulier). Wanneer we op deze relatie letten, gaan we beseffen, dat de kerk zich even ver uitstrekt als het verbond zich uitstrekt en dat onze kerkelijke horizon niet mag samenvallen met de grenzen van de eigen kerk, maar met de grenzen van het verbond. Slechts hierin vindt de katholiciteit van de kerk zijn werkelijke begrenzing.
2. Op grond van het verbond meen ik met kracht voor eenwording met de Gereformeerde Kerken te moeten pleiten. Niemand onzer ontkent, dat ook die kerken op het erf des verbonds staan. Uit het feit, dat wij zonder enig bezwaar de door Gereformeerde predikanten bediende Doop erkennen, blijkt zelfs de aanvaarding van hun ambt. Daarom zie ik in de onwil om kerkelijk met hen samen te leven een ongehoorzaamheid van zeer ernstige aard. Ook hier is m.i. het Bijbelwoord van toepassing: wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. De breuk zou slechts verantwoord zijn, als de fundamenten van het heil in het geding zouden zijn en in dat geval zouden we ons moeten afvragen of de Gereformeerde Kerken nog wel tot het verbond behoren en of we hun ambten mogen herkennen. Een vredig laten voortbestaan van de huidige situatie kan ik niet anders waarderen dan als een aanvaarding van Kuyper's pluriformiteitsidee, hetgeen ik niet van hervormden verwacht.
3. Uitdrukkelijk wil ik vaststellen, dat ik hiermede de noodzaak van een grondige reformatie der kerk (van de héle kerk!) niet op losse schroeven zet, zoals ds. Boer schijnt te vrezen. Het lijkt me, dat hij mij hier hetzelfde verwijt als waartegen hij zich in zijn lezing over „Verbond en prediking" zo krachtig verzet. Evenals ds. Boer juist op grond van het verbond de eis van bekering en geloof in alle scherpte gesteld wil zien, krijgt de oproep tot reformatie bij het rechte zicht op de gehele verbondsgemeente zijn juiste plaats. Als we verbondsmatig over de kerk gaan spreken, blijven alle woorden van ds. Boer in zijn lezing over het verbond van toepassing op de kinderen des verbonds, dat is de gehele kerk. Wanneer ds. Boer mij in één van zijn artikelen meent te moeten verwijten, dat ik wel de spanning van het gereformeerd-zijn in de katholiciteit van de kerk signaleer, maar er geen weg voor wijs, dan zeg ik: hier is de weg, nl. reformatie en bekering op grond van het verbond. Evenals de profeten en Jezus Christus zich tot héél het verbondsvolk hebben gericht, kunnen wij niet met minder toe en moeten wij héél de kerk binnen onze gezichtskring betrekken. Dit is veel méér dan een schoorvoetend aanvaarden, dat de kerkelijk-gereformeerden hier ook bij horen, het is eenvoudig een erkenning van het feit, dat zij er krachtens het verbond onbetwist bij horen.
Wij zijn helaas door de kerkelijke ontwikkeling van de laatste anderhalve eeuw zó met de situatie vertrouwd geraakt, dat de kinderen van hetzelfde verbond in gescheidenheid dezelfde God menen te kunnen dienen, dat we niet meer beseffen, dat een enigszins vergelijkbare toestand in de H. Schrift zelfs niet voorkomt. Daarentegen laat de Bijbel wel zien, dat zowel Israël als de nieuw-testamentische gemeente vele afdwalingen van het rechte verstaan van het heil heeft gekend en door de profeten en apostelen voortdurend opgeroepen werd tot bekering en gehoorzaamheid. Ontrouw, voorzover zij niet volledige afval van God inhoudt, vraagt volgens de H. Schrift nooit om een afscheiding van het trouwe deel (overigens: wie is getrouw? ), maar om vernieuwing en bekering. Dit moet ons leren de breuken tussen de kinderen des verbonds weg te nemen en samen te luisteren naar wat God wil, dat we doen zullen. Kerkelijke eenwording is daarom geen erkenning, dat we alleen zo dicht bij Christus leven, maar een erkenning, dat we allen door hetzelfde Woord aangesproken worden. Het is geen eindpunt na reformatie, maar een beginpunt van reformatie.
4. Alleen vanuit het verbond kan de door ds. Boer gestelde vraag beantwoord worden in hoeverre groepen, die zich met de naam van kerk noemen, nu ook inderdaad delen van het lichaam van Christus zijn. De Bijbel kan ons leren hoe lankmoedig de Heere God is en hoe lang Hij Zijn volk op het verbond blijft aanspreken en deze lankmoedigheid zullen ook wij moeten opbrengen. We ontkomen dan tevens aan de m.i. merkwaardige opvatting van ds. Boer, dat hij alle kerken op het kerk-zijn van de H. Schrift wil aanspreken, maar daarbij tegelijk in twijfel trekt of hier eigenlijk wel van kerken sprake is.
5. Eerst nu, na het voorgaande, zou ik iets willen zeggen over de benadering van de poging tot eenwording, zoals ds. Boer deze in zijn lezing heeft gegeven. Dat ik uit deze lezing in mijn stukje in „Theologia Reformata" slechts een enkele zinsnede overnam, kwam omdat ik innerlijk vreemd sta tegenover zijn gedachtengang. Ongetwijfeld is het boeiend om na te gaan hoe het kerkbegrip, zoals dat in de laatste tientallen jaren gegroeid en z.i. vergroeid is onder invloed van Lund e.a. vergaderingen van de Wereldraad van Kerken, zich verhoudt tot de kerk, die beleden wordt in de artikelen 28—33 van de Ned. Geloofsbelijdenis, zoals hij doet. Zijn uitnodiging om deze analyse kritisch onder de loep te nemen, moet ik echter in dit verband afwijzen. Naar ik meen, mogen uiteenzettingen over vigerende kerkbegrippen en eventuele tendenties naar een meer episcopale kerkregering het zicht op het bijbelse gegeven van de eenheid des verbonds en de eenheid van de kerk niet belemmeren. Naar ik oprecht vrees, is ds. Boer niet aan dit gevaar ontkomen. Bovendien lijken mij deze zaken juist nu van minder belang, omdat de Gereformeerde Kerken ongetwijfeld verder van de Wereldraad van Kerken afstaan en minder neiging tot hoogkerkelijkheid hebben dan de Hervormde Kerk. Dat het boekje van de 18 wellicht aanleiding tot deze beschouwingen heeft gegeven, is voor mij geen richtlijn. De noodzaak van kerkelijke eenheid interesseert mij vele malen meer dan de wijze waarop deze mensen gemeend hebben hierover te moeten schrijven.
6. Tegenover hoogkerkelijke tendensen wees ds. Boer er in zijn lezing op, dat de Bijbel uitgaat van de plaatselijke gemeente. De opmerking, die ik hieraan vastknoopte, bedoelde niet enkele zinnen uit hun verband te rukken, maar om duidelijk te maken, dat vanuit deze nadruk op de plaatselijke gemeente de eenheid der kerk juist met des te meer klem naar voren komt, iets dat ds. Boer blijkbaar was ontgaan of waarvoor hij minder belangstelling had. Overigens zou ik wel willen waarschuwen tegen een al te sterke benadrukking van de autonomie van de plaatselijke gemeente. Ik dacht, dat de reformatie een heel wat ongunstiger verloop zou hebben gehad als men alles had laten afhangen van de initiatieven van de plaatselijke gemeenten.
7. Het bovenstaande moge enigermate duidelijk hebben gemaakt, dat de reformatie der kerk mij na aan het hart ligt en dat ik de eenwording van de reformatorische kerken van ons land hierbij van het hoogste belang beschouw. Ik zie niet in hoe ik hier als hervormd-gereformeerde kan aarzelen. Doe ik dit, dan zou ik me in de eerste plaats moeten afvragen waarom ik hervormd ben. Voor mij houdt dit in, dat ik de weg van afscheiding en doleantie principieel als mogelijkheden tot reformatie der kerk afwijs, omdat zij te weinig oog hebben voor de bijbelse dimensies van verbond en kerk en de katholiciteit te veel verwaarlozen. Overigens wil ik met nadruk vaststellen, dat ik heel wat meer begrip heb voor de redenen waarom onze gescheiden broeders zich niet met ons willen verenigen, dan met motieven van hervormden, die niet met hen willen samengaan. Ik ben echter lid van de Hervormde Kerk geworden krachtens verbonds-beschouwing en bepaald niet omdat het er zo bijbels en reformatorisch toegaat. Op grond van de ruimte van het verbond kies ik de ruimte van de kerk, waartoe ik ook de gescheiden kerken reken, al willen deze kerken helaas tot nog toe niet met ons samengaan.
In de tweede plaats, wanneer ik onwillig zou zijn om de eenheid met de Gereformeerde Kerken met alle kracht te bevorderen, zou ik hiermede in feite uitspreken, dat deze kerken onder de christelijke ban vallen. Dan erken ik voor hen geen plaats in de christelijke gemeente en moet hen krachtens het desbetreffende formulier als heidenen en tollenaren beschouwen. Ik huiver zelfs om hieraan te denken.
In de derde plaats zou ik mij bij afwijzing van eenwording wijzer dan Christus verklaren. Die de gemeente van Efeze — die de eerste liefde verlaten had —, de gemeente van Sardes — die de naam had, dat zij leefde, maar dood was —, en de gemeente van Laodicea — die noch koud noch heet was — als Zijn gemeenten beschouwt en juist van hieruit hen oproept tot bekering (Openb. 2 en 3). De kerk kan diep gezonken zijn, maar wij mogen ons daarom niet van haar vervreemden, maar moeten met haar bezig zijn.
Tenslotte zou ik willen wijzen op hetgeen ir. G. B. Smit enkele weken geleden in dit blad schreef over de zgn. mentale wijkgemeente, die hij zowel om praktische als principiële redenen afwijst. Ik ga hiermede gaarne akkoord, maar stel hierbij de vraag: betekent afwijzing van de mentale gemeente op grond van onze roeping om héél de gemeente met het Woord Gods te confronteren niet mede een afwijzing van een „mentale" kerk? Strekt deze verantwoordelijkheid zich dan niet uit tot de werkelijke grenzen van het verbondsvolk en A vallen ook de gescheiden kerken hier niet onder?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's