Antwoord aan ir. H. Plomp
1. Gaarne volg ik ir. Plomp op de voet om enkele kanttekeningen te maken. De inhoud van de lezing: Verbond en Prediking (1956) neem ik nog voor mijn rekening. Alles wat ir. Plomp schrijft over verbond en kerk is waar, mits over beiden regeert de sana et pura doctrina (de gezonde en zuivere leer). In de door ir. Plomp bedoelde lezing was dit de grote veronderstelling. Verbond en kerk krijgen alleen hun rechte vulling uit het Woord Gods en de prediking. Verbond en kerk zijn geen op zichzelfstaande grootheden. Wanneer de gezonde en zuivere leer wordt beschadigd of geheel ontbreekt, vreet de ontkerstening voort, treedt de wraak des verbonds in werking en is verstening en verharding of zelfs het wegnemen van de kandelaar (Openb. 3) het gevolg. Daarmee dient gerekend te worden bij de vraag naar de grenzen van de katholiciteit van de kerk en van het verbond.
Christus trekt de grenzen in Zijn beweging met Zijn Kerk over de aarde. Er staat nergens in de Bijbel, dat de kerk in een bepaald land tot de jongste dag blijft (Klein-Azië en Noord-Afrika).
2. Niemand onzer ontkent dat de Gereformeerde Kerken op het erf van het verbond zijn. De erkenning van de doop van andere kerken houdt nog geen gebod in om zich met deze kerken te verenigen. In dat geval zouden wij vereniging moeten zoeken met de Rooms Katholieke Kerk. 'k Kan mij niet voorstellen, dat ir. Plomp dat begeert. Toch erkennen zowel Calvijn als Groen van Prinsterer, dat er sporen of ruïnen van het kerk-zijn in de Rooms Katholieke Kerk worden gevonden. Tegelijk beweren zij, dat er antichristelijke trekken bij Rome worden aangetroffen (Institutie, boek IV).
3. Wanneer ir. Plomp schrijft: reformatie op grond van het verbond, en hij bedoelt daarmee: op grond van de eis van het verbond, dan beaam ik dat van harte. Maar.... de vraag is, of er na vereniging van de kinderen des verbonds de rechte prediking aanwezig is. Is het te verwachten, dat er reformatie doorbreekt in een kerk, die begint met meer of minder essentiële punten uit te wissen? Ir. Plomp zegt: eerst vereniging en dan reformatie. Maar geldt hier niet veeleer omgekeerd: vereniging door reformatie?
Zijn er tekenen van een reformatie te bespeuren, die dringen tot een vereniging? Wanneer deze reformatie uitblijft, wat schiet er dan over van het gereformeerd karakter van een verenigde kerk? Mag dat onze houding niet bepalen tegenover dit of een ander eenheidsstreven? Is — zonder hartgrondige reformatie — een reductie van de belijdenis in dit eenheidsstreven te ontgaan?
Eenwording kan een beginpunt van reformatie zijn. Maar dan moet de eenwording vrucht zijn van het zich stellen onder hetzelfde Woord Gods. Dan gaat deze gepaard met verootmoediging, berouw en wederkeer tot God!
Daarom speelt bij een eventuele vereniging van beide kerken niet alleen de vraag over het behoren tot het verbond, maar ook de vraag naar de gehoorzaamheid des geloofs mee.
Nu deze gescheidenheid er eenmaal is, mag en moet terdege de vraag gesteld worden in hoeverre een vereniging het gereformeerd karakter van de kerk ten goede komt. Dat is niet in strijd met de leer van het verbond, maar een poging om de inhoud (en daarmee ook de vorm) van het verbond te bewaren voor ons nageslacht.
Wat de hervormd-gereformeerden betreft, zij zijn steeds tegen afscheiding van de kerk geweest. De Gereformeerde Kerken zijn die weg gegaan terwille van de waarheid, terwijl zij zo de eenheid van de ware kerk dachten te bevorderen. Nu het zicht op waarheid en eenheid in deze kerken verandert, mag op zijn minst gevraagd worden, dat zij bij de vereniging van beide kerken ook nu voor dezelfde gereformeerde belijdenis staan.
4. Het aanspreken van de kerken op het kerk-zijn zoals dat in de Heilige Schrift wordt gesteld, is geen speciale bezigheid van mij, maar van Calvijn en de andere reformatoren. Ook al erken ik, dat de kerkelijke situatie van nu veel moeilijker is dan die in de tijd van de reformatie, daarmee is niet gezegd, dat wij daarom moeten nalaten elke kerk (de onze voorop!) te doorlichten op het kerkzijn in de Heilige Schrift. Daarbij stond het bij de reformatoren (Calvijn, Institutie, boek IV en zijn brief aan Sadoletus) helemaal niet van tevoren vast, dat alle kerken ware kerken zijn.
De twijfel mijnerzijds of alle kerken ware kerken zijn, is niet geopperd met het oog op de Gereformeerde Kerken, maar met het zicht op de ontwikkeling van een oecumenisch kerkbegrip in Lund enz. Dit oecumenisch kerkbegrip in wording speelt ook bij de huidige , pogingen tot eenwording van de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken een grote rol. Men kan daarvoor de ogen sluiten of dit niet belangrijk achten, maar men zal er vroeg of laat hardhandig mee geconfronteerd worden. Verbond, belijdenis en kerkbegrip hebben diepere samenhangen dan ir. Plomp wil erkennen.
Wat het geduld en de lankmoedigheid Gods betreft, die zijn groot. Daarvan zijn wij en onze Hervormde Kerk treffende voorbeelden. Maar deze zijn voor ons doen en laten in de kerk niet alleen maatstaf, omdat zij ons nooit ontheffen van de eis en de roeping Gods. Wij hebben op het terrein van het verbond naar de Schrift te leven.
5. De gedachtengang van ir. Plomp is mij niet helemaal vreemd. Mijn bezwaar is, dat hij bij het thema: éénwording maar één snaar op zijn viool heeft, namelijk het verbond. In de Bijbel is het verbond steeds verweven met het geheel van de inzettingen en rechten, de geboden en beloften van God. Om dat geheel ging het mij in de beoordeling van het Boekje van de achttien.
Dat ir. Plomp de eenwording van de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in de huidige situatie wil bepleiten, is zijn recht. Wij hebben de éénwording van deze kerken allen te bepleiten/maar niet zo, als de 18 deden en doen. Daarom is het onbillijk van ir. Plomp, wanneer hij onder 7 veronderstelt, dat wij de vereniging van deze beide reformatorische kerken niet willen bevorderen. Wij willen dit zeker, maar niet op deze wijze. Dat dit „niet willen verenigen" zou betekenen, dat wij de andere kerken onder de ban laten vallen, is een slag in de lucht. Immers deze gedachte gaat er van uit, dat de Hervormde Kerk de enige openbaring van het Lichaam van Christus zou zijn. Wie onzer beweert dit? Hoewel ik niet per beslissing — ingegeven door een verbondsbeschouwing of door de ruimte van de kerk of de ruimte van het verbond, zoals ir. Plomp over zichzelf schrijft — lidmaat van de Hervormde Kerk ben geworden, maar in deze kerk geboren ben en daarom deze kerk liefheb tot in de diepste vezelen van mijn ziel, ben ik van huis uit te bekend gemaakt met de schuld en de nood van eigen kerk ook tegenover de kerken van de afscheiding, dan dat ik ooit de Hervormde Kerk als de openbaring van het Lichaam van Christus zonder meer zou erkennen. Het vanuit de geslachten verweven zijn met de Hervormde Kerk is geen prerogatief boven anderen, die op latere leeftijd tot de Hervormde Kerk toetreden, maar geeft een andere instelling tegenover deze vragen en wellicht ook een ander gezicht op het verval van de Hervormde Kerk. Dat deze zienswijze opbotst tegen de gescheurdheid van dit Lichaam is duidelijk. Maar ik weiger het denkschema van ir. Plomp te aanvaarden en lijd liever nieuwe pijn dan deze uitweg, waarin ik de diepten van de Schrift en — in onderschikking daaraan — ook de diepten van Calvijn mis, te accepteren, 't Gaat ten diepste om de bronnen, waaruit deze verenigingsdrang opkomt.
Tenslotte, wanneer ir. Plomp wijst naar een discussie over het voor en tegen van een mentale wijkgemeente, en van daaruit de vraag stelt, of ik dan geen „mentale" kerk voorsta, antwoord ik hem, dat de tegenstanders van een mentale wijkgemeente ronduit verklaren, dat zij daar tegen zijn, omdat zij de gehele wijkgemeente gereformeerd willen bearbeiden en niet een stuk daarvan. Dat willen zij klaarblijkelijk ook voor de gehele kerk.
Datzelfde wil ik ook. 'k Kan mij niet voorstellen, dat ir. Plomp dat niet wil. Deze poging n.l. om het reformatorisch karakter van de kerk te handhaven, te karakteriseren als mentaal, is en vertekening van de reformatie in het verleden en het heden.
Hierbij laat ik het. Er is nog wel meer. Bijvoorbeeld onder 6 maakt ir. Plomp geen onderscheid tussen autonomie en zelfstandigheid van de gemeente. Voor het laatste hield ik een pleidooi, voor het eerste niet (independentisme).
Hiermee is deze discussie tot een voorlopig slot gebracht. Voorlopig, omdat ik gaarne wil bevorderen, dat er een commissie van geïnteresseerden komt, die deze zaken breed en diep aan de orde stelt. Wellicht heeft deze discussie dan enig voorwerk gedaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's