KRONIEK
Oecumenische activiteiten in verleden en heden — Uit een oecumenische correspondentie — Lessen voor nu — Herdenking of Jubileum?
Oecumenische activiteiten zijn er in onze tijd vele en in velerlei vorm. Niemand mene echter, dat de oecumenische wensen en strevingen uitsluitend een verschijnsel zijn van onze aera. Zeker, ze hebben in de periode, welke wij doormaken een eigen verschijningsvorm, nauw verband houdend met de huidige ontwikkeling op kerkelijk en staatkundig terrein. Doch het oecumenisch heimwee, waarin ook doortrekt begeerte naar heling van de breuk tussen Rome en de Reformatie, valt ook in vorige eeuwen te ontdekken. In „Gereformeerd Weekblad" — uitgave J. H. Kok — van 4 en 18 augustus 1961, schrijft prof. A. R. D. Polman in een artikel: „Op het appèl aantreden", dat Calvijn „het bijwonen van een concilie waar de Paus presidieert en de bisschoppen keurstem hebben, niet weigert, als de afgevaardigden der Reformatie in alles het vrije woord gelaten en gegund wordt". Het verband, waarin Calvijn zo zou geadviseerd hebben, gaf prof. Polman in het nr. van 4 augustus 1961, dat ik niet meer kon achterhalen, zodat ik de vindplaats in Calvijn's werken niet kan aangeven.
Er zijn meerderen, die in oecumenische bewogenheid gepoogd hebben een weg te banen voor hereniging van Reformatie en Rome. In dit verband denk ik aan de grote denker Leibniz, een Lutheraan, wiens ster glansde in het laatst der 17e en het begin der 18e eeuw. Zijn wijsgerig stelsel heeft meerderen in later tijden zo gegrepen, dat zijn invloed in hun leven en werk onmiskenbaar sporen heeft getrokken. Hier is met name Bilderdijk te noemen, die mede onder zijn (Leibniz) invloed niet los was van de mogelijkheid ener hereniging tussen Rome en het Protestantisme en dienaangaande meerdere suggesties heeft gedaan.
Ook prof. H. Visscher heeft tijdens zijn professoraat in Utrecht o.m. Leibniz gedoceerd, op een wijze, welke Het blijken, dat ook hem de denkkracht van die wijsgeer niet onberoerd heeft gelaten. Ik meen, dat toen na de Ie wereldoorlog in de kerkelijke wereld hier, in Engeland en Zweden, het oecumenisch klimaat, in beginstadium nog, kwam heersen, prof. Visscher een doctorandus het onderwerp voor een dissertatie aan de hand deed over Leibniz' oecumenische idealen. De dissertatie is niet geschreven. Jammer, want ze zou, vooral toen, ad rem, zeer ter zake geweest zijn. Ik zeide: toen vooral. Maar Leibniz is ook thans nog in dezen actueel. Dat blijkt wel uit een artikel in „Kerk en Theologie", d.d. juli 1962, van de hand van prof. Th. L. Haitjema, met als titel: „Rome—Reformatie als oecumenisch probleem in Leibniz' correspondentie met Bossuet". Het oriënteert voortreffelijk en geeft enkele „lessen" voor het heden, waarom ik er hier iets van wil doorgeven.
De achtergronden van de correspondentie tussen Leibniz — „de ongekend-universalistische filosoof, die steeds op harmonie en synthese uit was" gelijk Haitjema hem typeert — en Bossuet, de 'bisschop van Meaux „vertrouwensman van zijn koniug, Lodewijk XIV", die hem waardeerde om zijn „nationalistisch-gallicaanse" sympathieën, waren „politieke drijfveren". De toenmalige Keizer Leopold I meende, dat hij als „Christenvorst zich beijveren moest" om „de spanningen die de religieverschillen in zijn grote rijk met zich mede brachten" tot oplossing te brengen. Daartoe nam hij initiatieven om te komen tot vereniging van het Rooms-Katholicisme en het Protestantisme. Welke die initiatieven nu alle waren doet hier minder ter zake. Leibniz werd er in betrokken. Dit was voor de gevolmachtigde van de Keizer te gemakkelijker, omdat deze (L.) hofraad, bibliothecaris en historiograaf was van de hertog van Brunswijk-Luneburg, waar het klimaat voor 's Keizers plannen gunstig was — evenals in genabuurde vorstendommen — en een hereniging als Leopold I begeerde, wel in de lijn lag van de synthetische idealen op religieus terrein, die de grote wijsgeer koesterde.
In 1667 — hij was toen 23 jaar — had Leibniz een verhandeling geschreven, waarin hij het ideaal'ontvouwt, dat alle staten van West-Europa eigenlijk één rijk moesten vormen, waarvan de paus het geestelijk, en de keizer het wereldlijk hoofd zou zijn. Daar kwam nog bij, dat wat keizer Leopold I voor ogen stond, de instemming had van de Internuntius te Weenen, en ook van Pauselijke zijde niet werd afgewezen. Het ging er nu om, een zo gezaghebbend prelaat uit Frankrijk, als de bisschop van Meaux was, voor het plan te winnen. Vandaar de correspondentie tussen Leibniz en Bossuet. Deze strekte zich met een onderbreking van 5 jaren uit over de periode tussen 1691-1701 en was van de zijde van Leibniz er telkens op gericht de bisschop van Meaux om het grote belang der zaak te bewegen tot bepaalde concessies.
Leibniz is ondanks dit alles als positief Lutheraan, die vasthield aan de Augsburgse confessie, naar voren gekomen. Hij wilde niet weten van water in de wijn te doen, waar het de elementaire geloofswaarheden van het Protestantisme — het Luthers Protestantisme uiteraard - betrof.
De correspondentie, die van de zijde van Bossuet waarlijk niet met enthousiasme werd gevoerd — vaak stroef en met tegenzin — is tenslotte vastgelopen. Wat telkens een struikelblok bleek te zijn, was het concilie van Trente en dan met name de „anathema's" — de vervloekingen — van de reformatorische christenen. Bossuet wilde van geen mogelijkheid van herroeping of terzijdestellen weten. Ook overweging van intrekking van het besluit, dat de Apocryf e boeken gelijkstelde met de Heilige Schrift, kon bij Bossuet geen genade vinden. Hij brak natuurlijk niet botweg af, doch gaf de wens te kennen „nog eens met een echte lutherse theoloog van het vak in contact te mogen komen over het oecumenisch probleem". Hierop antwoordde Leibniz, dat „hij hiervan bitter weinig heil verwacht, nadat Bossuet reeds in gesprek geweest is met de allerbeste theoloog van Brunswijk-Hannover". Dit was een zekere Molanus, abt van Lokkum, die met anderen ook zijn aandeel had gehad in het tot stand komen van de correspondentie tussen Leibniz en Bossuet.
Leibniz heeft hierna zich in zijn oecunomische activiteiten vooral beperkt tot het protestantisme, van mening, dat in eigen kring eerst maar de harmonie moest tot stand gebracht worden, alvorens zich verder voor die tussen Rome en de Reformatie in te zetten.
Na de zeer gedocumenteerde uiteenzetting, welke prof. Haitjema van de oecumenische activiteiten van Leibniz gaf, met als doel, zeker de eenheid der christenen te bevorderen, doch mede „een Pan-europeïsme onder keizerlijke Oostenrijks-Duitse suprematie", dat „een Christelijk gemenebest zou moeten zijn", trekt hij daaruit enige „lessen" voor het heden.
„In de eerste plaats", zo schrijft Haitjema dan „is er wel reden om ons door deze oecumenische pogingen uit een ver verleden te laten waarschuwen tegen het grote gevaar van aan politieke drijfveren de eerste rechten toe te kennen bij oecumenische activiteiten tot kerkelijke eenwording. Uit de briefwisseling tussen Leibniz en Bossuet blijkt slag op slag, hoe onheilzwanger hier keizer en koning, hertogen en prinsessen in het vóórfront staan bij deze worsteling om de eenheid der West-Europese Christenheid". Of dit gevaar nu nog in onze tijden dient onderstreept te worden, waar de politieke situatie thans toch heel anders is? We zijn toch in de tijden, waarin door de scheiding van kerk en staat „een invloed als Leibniz — en met instemming! — aan de vorsten, met name aan de koning van Frankrijk, toeschrijft, om het gewenste doel te bereiken, fictief moet worden geacht? "
Hoor wat prof. Haitjema aan het slot van deze „eerste les" opmerkt: „Is men er wel van doordrongen, dat ook de oecumenische beweging, welke tot formatie van de World Concil of Churches in 1948 leidde, nog altijd gevaar loopt onderhorig te worden aan politieke drijfveren, nadat structuur en apparatuur van deze Wereldraad een onmiskenbaar parallilisme met de organen en instanties van de wereldbeweging der Verenigde Naties ten toon spreiden ging? "
Ik zou hier de vraag aan toe willen voegen, of de oecumenische activiteiten, die zich na de eerste wereldoorlog begonnen af te tekenen en doorzetten, geen direct verband — indirect was het er zeer zeker — hielden met de verlangens, welke in de „Volkenbond" gestalte aannamen. Ja, het gevaar van de „onderhorigheid", waarop prof. Haitjema wees, is zeker niet denkbeeldig.
Ik attendeer nog op een-andere „les". Wijzend op de hardnekkigheid, waarmede Bossuet telkens weer de suggestie van zijn gesprekspartner, de mogelijkheid van voorlopige opschorting van de besluiten van Trente afwees, en accentuerend Bossuet's afwijzing van een gezamenlijk concilie van R.K. en Protestanten om zonder aanvaarding van Trente, zich over de geschillen te beraden, wijst prof. Haitjema op de gesloten gemeenschap, die Rome is en wil handhaven ook in het heden. En hij herinnert daarbij aan de reactie van ds. Pop, die van de conferentie in Nijmegen terugkerend, sprak „daar een 'koude douche" te hebben gekregen. Prof. Haitjema zegt, dan „eerlijk te willen bekennen, dat ds. Pop's verzuchtingen over Rome's afgeslotenheid tegenover reformatorische posities, van waaruit men slechts aanbotsen kan tegen de starre onwrikbaarheid van z.g. waarheidsbeslissingen in dogma en goddelijke traditie, hem diep hebben getroffen".
Schreef prof. Haitjema zijn artikel ook niet met het oog op het komende 2e Vaticaanse concilie? Volgt uit het voorgaande wellicht ook, dat uit protestantse kringen (kerken) geen „waarnemers" naar deze kerkvergadering moeten gaan? Deze vraag stelt het artikel niet. Ik zou zeggen: „in dubiis abstine, " wie twijfelt onthoude zich. En voorts, voor men beslisse, overwege men ter dege, wat Calvijn, volgens prof. Polman, zou gezegd hebben over het beding van vrije meningsuiting. Prof. Haitjema verdient onze dank voor zijn uitnemend artikel.
In januari 1963 zal het 400 jaar geleden zijn, dat de Heidelberger Catechismus in het licht verscheen. Het spreekt wel vanzelf, dat dit feit zal herdacht worden. De generale synode onzer kerk heeft dienaangaande reeds enige suggesties gedaan.
Zal de herdenking een jubileum zijn? Ik bezigde het woord „jubileum" in verband met een uitlating van ds. Groenenberg, naar ik dacht door hem gedaan in het officiële orgaan van de Utrechtse Hervormde Gemeente. Hij merkte in bedoeld stuk op, dat een jubileum alleen maar met een levende kan worden gevierd en stelde de vraag of werkelijk de Heidelberger Catechismus nog wel onder ons en in onze kerk leeft. Als ik hier tegenover plaatst de titel, die wijlen dr. Oorthuys zijn catechismus-verklaring gaf n.l. „De eeuwige jeugd van Heidelberg", dan is Groenenerg's vraag er naast. Maar dat is ze toch niet. Ze heeft wel degelijk zin. Ds. Groenenberg dacht aan de situatie in verschillende gemeenten, waar de Catechismus-prediking ter ziele is gegaan of aan het feit, dat in andere — o.m. stadsgemeenten — sommige predikanten de Catechismus niet meer preken, doch daarvoor tot „vrije stof" hun toevlucht hébben genomen. Veelal zijn ze dan bezweken voor de aandrang uit de gemeente op hen uitgeoefend. Ds. Groenenberg beleed, dat zulks hem zelf was gebeurd. Hij had — in Amsterdam — toegegeven aan het verzoek in de „namiddagse" diensten de Heidelberger gesloten te laten. Het bezorgde hem enige toename van zijn auditorium, tenminste in het begin. Of de gemeente er verder op gereageerd heeft, door in meerder getal op te komen, weet ik niet. Het zal wel niet. Dat is het gewone verschijnsel. Het trager opkomen ligt niet aan de Catechismus, doch aan de verslapping in de trouw aan wat zondag 38 zegt over het „inzonderheid op de Sabbat, dat is op de rustdag, naarstig komen tot de gemeente Gods". Ik weet niet, of de schrijver nu, in Utrecht, wel weer de Catechismus preekt. Daar ik in zijn stukje zo iets van schuldgevoel meende te speuren, zal hij zich wel weer onder het voorschrift hebben gesteld, want in de Domstad is onderwijs uit het leerboek der kerk nog voorgeschreven, dacht ik. Zal de komende herdenking van de verschijning van de Catechismus ook in onze gemeenten een jubileumviering zijn? Ds. Batenburg gaat er in zijn stuk „Ernst en humor rondom de Catechismus" in „Hervormd Weekblad" d.d. 16 augustus 1962 van uit, dat in de , Bondsgemeenten" geregeld de Catechismus gepreekt wordt. Doch naar wat ik uit de praktijk weet, is dit te apodictisch; het klopt niet met de feiten. Zulke apodictische beweringen zijn - er trouwens meer in genoemd artikel. Ik ga daar echter thans niet op in.
Prof. dr. K. Dijk merkte onlangs met betrekking tot de herdenking van het 4e eeuwgetijde der Ned. Geloofsbelijdenis op, dat die herdenking wel met veel plechtigheid was gevierd, doch , dat de Belijdenis zelve hoe langer hoe meer een museumstuk begint te worden. Bij die uitlating — scherp maar waar — moest ik onwillekeurig denken aan het woord van de Heere Jezus over het bouwen van de graven der profeten, welke zelve gestenigd werden (Lucas 11 : 47 en 48). Zo zij of worde het niet onder ons. Dan zou het hier gaan, naar wat ik jaren geleden reeds in Heidelberg moest constateren: men had onder de protestanten geen heugenis meer van het leerboek, daar tot stand gekomen. De komende herdenking prikkele tot dieper kennisname en inniger liefde van en voor het klassiek-gereformeerd leerboek. En zijn hernieuwde of geregelder prediking werke onder de beademing van de Heilige Geest iets van eeuwige jeugd. Dan zal de herdenking een jubileum-viering zijn!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's