De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

HOOFDSTUK III/IV, ARTIKEL 16

9 minuten leestijd

Doch gelijk de mens door de val niet heeft opgehouden een mens te zijn, begaafd met verstand en wil, en gelijk de zonde, die het ganse menselijk geslacht heeft doordrongen, de natuur des mensen niet heeft weggenomen, maar verdorven en geestelijker wijze gedood; alzo werkt ook deze Goddelijke genade der wedergeboorte in de mensen niet als in stokken en blokken, en vernietigt de wil en zijn eigenschappen niet en dwingt die niet met geweld zijns ondanks, maar maakt hem geestelijk levend, heelt hem, verbetert hem, en buigt hem tegelijk liefelijk en krachtiglijk; alzo dat, waar de wederspannigheid en tegenstand des vleses tevoren ten enenmale de overhand had, daar nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes de overhand begint te krijgen; waarin de waarachtige en geestelijke wederoprichting en vrijheid van onze wil gelegen is. En ten ware dat die wonderbaarlijke Werkmeester alles goeds in dezer voege met ons handelde, de mens zou ganselijk geen hoop meer hebben van uit de val te kunnen opstaan door zijn vrije wil, waardoor hij zichzelf, toen hij nog stond, in het verderf heeft gestort.

Boven Hoofdstuk III/IV staat als opschrift: „Van des mensen verdorvenheid en bekering tot God en de manier van deze". Over de manier dezer bekering belijdt dan artikel 11, dat God aan de uitverkorenen het Evangelie uiterlijk doet prediken en hun verstand krachtiglijk door de Heilige Geest verlicht". Vroeger, en misschien nog wel, plachten confessionele ouderlingen te zeggen, dat er niets meer in of aan de mens hoefde te gebeuren. Alles is op Golgotha gebeurd, zegt men dan. Ik meen, dat deze veronderstelling de prediking op een verkeerde weg brengt. Daar moet een groot werk, een werk van de Geest van Christus aan elk mens gebeuren.

Men mene niet, dat de opstellers van de Dordtse Leerregels dit als eersten in de Heilige Schrift gevonden hebben. De aanhef van ons gereformeerde Doopsformulier hield het van het begin af de doopouders en de gemeente voor „dat wij in het Rijk van God niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren worden". Deze ware bekering wordt niet alleen door de krachtige verlichting gewerkt, zegt artikel 11 verder, doch de Geest werkt ook krachtig op hart en wil van de uitverkorene. Dat werk is als een levendmaking uit de doden en de vrucht is, zegt art. 12, „dat al diegenen, in wier harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar en krachtiglijk wedergeboren worden en daadwerkelijk geloven. In artikel 16 komt de Synode op de bekering van de wil terug. Er zijn twee lezingen van dit artikel. De ene spreekt van een levendmaken, helen, verbeteren en buigen van de mensen; de andere betrekt dit op de wil. In het vorige toelichtende artikel heb ik over de levendmaking van de mens gesproken, ik bepaal me dan dit keer maar tot de genezing enz. van de wil.

God geneest de wil.

Een Latijnse zegswijze luidt: natura sanat, de natuur geneest. Datzelfde woord „sanat" is in ons artikel vertaalt met „heelt". Ook goed, maar allicht spreekt „geneest" ons meer aan. De wedergeboorte is dus geen nieuwe schepping doch een herschepping. De gevallen mens heeft nog een wil. Deze wil is echter bedorven, d.w.z. hij wil altijd het kwade en kan zonder wederbarende genade het goede niet willen. Laat God deze wil nu zo? Dat zij verre. De mens wordt niet behandelt als een stok of blok. Hij wordt in de wedergeboorte gewillig gemaakt. Zijn zieke wil wordt genezen. Jeremia bad reeds: „Genees mij, Heere, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want gij zijt mijn lof" (Jer. 17.: 14). In deze tekst gaat het om genezing van twijfel en ongeloof, waardoor de profeet bevangen is. Maar is dit niet de ziekte van 's mensen wil, dat hij zon groot wantrouwen koestert tegenover God en Zijn Woord? De genezing van de wil bestaat in een wegnemen van het wantrouwen. Als de wedergeboorte alleen bestond ia een verlichting van ons verstand, bleven we nog met de brokken zitten. Een lamme wil is niet in staat de voorgestelde genade aan te nemen. Hier wordt soms in de prediking een dubbele fout gemaakt. Ten eerste wordt het, al of niet stilzwijgend, voorgesteld alsof de prediking op zichzelf de verlichting van het verstand is of deze in de regel meebrengt. Weliswaar bidt men officieel om deze verlichting, maar men acht dan soms dit gebed een waarborg dat zij nu ook voor elk en aan elk geschonken is. Men is niet doordrongen van het wonder, dat het werkelijk zou gebeuren, dat het gepredikte Woord inslaat.

De tweede fout is, dat men geen rekening houdt of onvoldoende rekening houdt met de noodzakelijkheid van een zeer bijzonder werk aan het hart van de hoorder. Zijn wil moet door de Heilige Geest bewerkt worden. Het is niet genoeg, dat de Heilige Geest op het menselijk verstand inwerkt, maar naast deze verlichting is een werking van Gods Geest op het hart nodig, op de zetel van de wil. In de wil moet een genegenheid, een liefde, een hartstocht naar God en Zijn wil en weg ter zaligheid worden gewerkt. Het grootste deel van het geloof is gevoel des harten. Het geloof is voornamelijk een zaak van het hart en niet van het hoofd: „het behoort meer tot het hart dan tot de hersenen, en meer tot de gezindheid en de genegenheid dan tot het verstand" (Inst. III, 2, 8).

God geneest en verbetert de wil.

Ik wil dat woord verbetert nog even nader bekijken. „Verbeteren" is een woord, dat niet wijst op een brengen tot volmaaktheid. Neen, de wedergeboorte maakt de mens en zijn wil niet volmaakt, maar laat hem ook niet onveranderd. De nieuwe mens zal zijn volmaaktheid in de hemel hebben, doch heeft een beginsel van leven hier op aarde. Verbetert wordt het hart des mensen, niet volmaakt. „Gewis, niet zo geschiedt de bekering, dat iemand alle vleselijke begeerten aflegt of op één dag tot Gods beeld vernieuwd wordt, of rein is van alle vlekken. Een zodanige bekering vindt men bij de mensen nimmer. Maar als de Schrift spreekt over „want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren" wordt de oprechtheid der bekering aangewezen, zoals met de uitdrukking „tweeërlei hart" de huichelarij. Ik zoek U met mijn ganse hart, zegt David in Psalm 119 : 10 en bij Mozes lezen we: „Zij zullen mij met hun ganse hart zoeken" (Deut. 4 : 29). Niet, alsof David alles had afgedaan, wat aan zonden in hem was. Hij bekent immers zelf op vele plaatsen, dat hij nog aan vele gebreken leidt. Maar de zin is duidelijk: „God vraagt naar een eerlijk, oprecht hart" (Calvijn bij Jer. 24 : 7). God brengt in de uitverkorenen een beginsel van gehoorzaamheid. Nieuwe neigingen komen op en oude begeerten worden geblust. Maar de volmaaktheid wordt slechts in een zeer bijzondere zin bereikt: „ik meen, dat hij de grootste vorderingen heeft gemaakt, die geleerd heeft het grootste mishagen aan zichzelf te hebben" (Inst. III, 3, 20).

God buigt de wil krachtig.

Wat blijft er heel hun leven in de wedergeborenen? De wederspannigheid en tegenstand van het vlees. Deze heeft in de onbekeerde staat de overhand. Maar dat verandert. Door Gods genade begint een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand te krijgen. Het woordje overhand doet denken aan een slagveld. Dat is het binnenste van een mens dan ook. Wat is het Christenleven. Calvijn schreef: werken, vechten, zuchten. De gelovige is een dubbelmens, waarin twee machten strijden. De oude macht blijft, de nieuwe macht des Geestes breekt in. Deze buigt de wil des mensen om.

De geestelijke wederoprichting.

Hoe gaat het toe bij deze ombuiging? De mens, in wie van nature de zonde de .; overhand heeft, wordt door het geloof in Christus ingelijfd. Hij ontvangt in deze gemeenschap de gerechtigheid van Christus en de Heilige Geest begint in hem de vernieuwing des levens. Dit betekent, dat de mens de ene koning afzweert en de andere koning inhuldigt. Tot nu toe heeft de zonde in hem geregeerd. Zij had de overhand. De goede wil lag verdorven, de kwade wil boog zich voor de duivel (Joh. 8 : 44). Doch duivel en zonde worden nu onttroond en de Geest van Christus, die als Koning alle macht ontving, neemt de regering over. De wil Gods krijgt de overhand. Niet dat de zonde niet meer in de gelovige woont, maar zij regeert niet meer in hem. Machtig werkt de zonde in David en Petrus en alle gelovigen, maar zij knecht het kind Gods niet meer blijvend. Zij brengt bittere verzoekingen voort, maar moet altijd opnieuw de strijd verliezen. De gelovige mag duizend keer onderliggen, God brengt hém in de weg van schuldbelijdenis en berouw altijd weer terug. De gehoorzaamheid des Geestes heeft de overhand. „Het is wel zeker, dat de zonde in de kinderen Gods woont, zolang zij in deze wereld zijn, maar zij voert er geen heerschappij" (Calvijn, 7, 204).

Geschiedt dit nu door dwang, dat de mens de leiding des Geestes begeert te volgen? Hier is het wonder van 's-Heeren genade. Door de verlichting van het verstand en de overbuiging van de wil bewerkt Gods Geest, dat de mens een verlangen krijgt om naar al Gods geboden te leven, werken, strijden, zuchten: zo bHjft het ons hele leven. De gelovigen hebben een christelijke strijd, een christenstrijd te voeren, doch zij voeren die met de grootste gewilligheid. Het zijn geen huursoldaten. Zij strijden voor hun hemels vaderland.

Toen Christus in hun leven kwam en zij Hem door het geloof omhelsden, begon de heerschappij van de Geest des Heeren. Maar nu gaat het er om, dat deze Geest Zijn heerschappij doorzet. Het vlees begeert nog altijd tegen de Geest. Grote stukken van de mens zijn aanvankelijk in de macht van de Overste der wereld. Hij is wel onttroond, maar nog niet gedood. Hij is gevlucht. Hij heeft grote toom, wetende dat hij een kleine tijd heeft (Openb. 12 : 12). Nu zit hij verscholen in alle vleselijke spelonken des mensen. De strijd tussen vlees en Geest bestaat in een gestadig voorwaarts zoeken te dringen om meer delen van 's mensen bestaan aan zonde en duivel te onttrekken. De fronten golven soms heen en weer, werken, vechten, zuchten. Doch waar de christen in waarheid de wapenrusting aangordt moet de duivel wijken, meter voor meter. Soms echter werpt hij onverhoeds Gods kind tegen de grond. Maar, zegt deze, als ik gevallen ben, zal ik wederopstaan (Micha 7:8). Werken, vechten, zuchten. Het is niet waar, dat Gods kinderen de volmaaktheid op aarde bereiken. Het is ook niet waar, dat het nieuwe leven alleen in de hemel in Christus is. Gods kinderen hebben een beginsel van gehoorzaamheid. Christus in hen is hun Koning. Het vlees heeft niet meer de overhand. Maar menigmaal zucht de broeder en zuster van David: „Ik zal nog één dezer dagen door de handen van Saul omkomen". Evenwel, David kwam op de troon. Helaas, zijn vlees was nog gevaarlijker dan Saul. Meter voor meter, stap voor stap betwist de zonde aan de Geest van Christus de „overwinning". „Want de kinderen Gods worden niet terstond op één dag ganselijk wedergeboren, maar er zijn integendeel overblijfselen des vleses in, tegen welke zij bun leven lang te strijden hebben" (Calvijn, Joh. 13 : 9). Echter, door genade begint de gehoorzaamheid des Geestes de overhand te krijgen. Wij hebben dan altijd goeden moed in en om Christus. Voorts: werken, vechten, zuchten. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's