Meditatie
DE HEERE STELT ONS EEN VRAAG
En Hij zeide tot mij: Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het. Ezechiël 37 : 3.
Ezechiël, de profeet der Ballingen, krijgt een visioen — een verschrikkelijk visioen. Het is om wanhopig te worden. Waar hij ook kijkt... overal, door de hele vallei verspreid, dorre doodsbeenderen. En opdat Ezechiël niet zal menen, dat er nog wel ergens leven zal zijn, neemt de Heere Zijn profeet bij de hand en leidt hem rond. Van alle kanten moet de profeet de vallei bezien. Neen, nergens is enig leven te bespeuren. Hier heerst alléén de dood! En niet sinds kort! O neen, die beenderen moeten er een lange tijd liggen, want ze zijn zeer dor. Vreselijke aanblik.
Verslagen gaat de profeet rond. Want zoveel begrijpt Ezechiël er wel van, dat de Heere hem deze doodsvallei toont als een beeld van zijn volk. Het is ontzettend, het volk van God, het volk der verwachting: dood, zonder hoop, zonder toekomst, zonder leven.
Ja, Ezechiël moet het toegeven: het visioen geeft de zuivere waarheid weer. Wat is er in de tijd der ballingschap van het eens zo bloeiende volk Gods overgebleven? Het is geworden als deze doodsvallei. De beenderen vormen geen complete geraamten, maar liggen zonder enige samenhang wijd en zijd verspreid. Zo ook het volk Israël: alle band is verdwenen. Hier een kleine kolonie, daar een onbeduidend groepje, elders ook nog een kleine nederzetting, maar als volk is het uiteen geslagen. Daarom zeggen zij (vers 11) „onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, — wij zijn afgesneden." Niemand hoopt meer op herstel. Waarlijk, de beenderen zijn niet alleen uiteen geslagen, ze zijn ook zéér dor. Een dodende adem is over de harten gegaan, geen ritseling meer van waarachtig leven, doodse stilte.
Zal dit zo blijven, Houdt Gods goedertierenheid op? Komt er een einde aan Gods beloften? Dat zij verre! Wanneer de profeet steeds maar rondloopt om deze dorre beenderenvallei, hoort hij plotseling een stem: „mensenkind, zullen deze beenderen levend worden? "
De doodse stilte wordt doorbroken. God gaat spreken!
Maar toch ... is het een bemoedigend woord? Wordt Ezechiël er door getroost? Bepaald niet! Want er wordt een vraag gesteld en wel zo'n vraag, dat er alleen maar een ontkennend antwoord kan volgen. „Mensenkind, hier is toch geen redding meer mogelijk; deze beenderen zullen toch niet meer levend worden? "
De Heere legt Ezechiël als het ware het antwoord in de mond: „inderdaad, hier is geen redden meer aan; deze beenderen kunnen onmogelijk weer levend worden."
Maar zie nu het vevolg van onze tekst. Dit verwachte antwoord horen we niet. Hij zegt niet: „neen, dat is onmogelijk, deze beenderen zijn te dor, te verstrooid", want zou één ding bij God onmogelijk zijn? Maar hij durft ook niet direct ja te zeggen, want wie heeft ooit zo iets gezien, dat dorre beenderen levend worden? Ezechiël kan het niet geloven en hij wil het toch zo graag geloven! Wat moet hij toch voor een antwoord geven? Verstaat u deze zielsworsteling? het niet kunnen geloven en tegelijk willen geloven, dat God genadig en almachtig is; het niet durven jazeggen en het niet durven neen-zeggen. Leer dan van Ezechiël hoe u handelen mag en leg uw zaak in Gods hand. Zo doet de profeet: „Heere HEERE, Gij weet het." Dat is geloof! Dat is vertrouwen!
Ezechiël is er van overtuigd dat het voor mensen een onmogelijke taak is alleen al om de juiste beenderen bij elkaar te zoeken, laat staan om ze tot leven te wekken. Maar wat voor de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Zie, dit is voor Ezechiël niet slechts „leer", daaruit leeft hij. Daarom zijn antwoord: „Heere HEERE, Gij weet het".
Nu moeten we dit antwoord niet verstaan als een koel, zakelijk antwoord. Neen, het is doortrokken van hoop en verwachting!! Wilt u het bewijs? Let dan op de aanspraak: „Heere HEERE". Het eerste woord houdt de erkenning in, dat God de Almachtige is. „Gij kunt het. Uw wil gebiedt en het wordt terstond."
En de tweede aanspraak „HEERE" is een worsteling om genade. HEERE is de Verbondsnaam; de HEERE is de Getrouwe, Die niet laat varen het werk Zijner handen. Daarom kan de psalmist 't uitroepen: „Israël hope op de HEERE, want bij de HEERE is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing".
Verstaat u dit antwoord? Zou u ook dit antwoord gegeven hebben? Let er op: Ezechiël had ook met God kunnen gaan twisten in de zin van: zó erg is het niet! Want het is toch maar een verschrikkelijk beeld dat hij te zien krijgt. Het had toch wel iets minder gekund: een dal met verminkten, met melaatsen of blinden. Zou dat niet dichter bij de waarheid zijn. Is er van ons niets goeds te verwachten? Is er in de Kerk helemaal geen leven? Is ons hart dan morsdood?
Ach, Ezechiël had het ook graag anders gezien. Dadelijk moet hij zeggen: „deze beenderen zijn het ganse huis "Israels." Dat is hard, ook voor de profeet. Hij kan geen toeschouwer blijven, want hij maakt zelf ook deel uit van dat dode volk. Ezechiël staat niet als enige levende buiten dat knekelveld, hij ligt er zelf midden in: even dor, even uiteen geslagen, even dood, even schuldig. Wat een genade, dat hij niet twist, maar zijn eigen zaak en de zaak van zijn volk in Gods almachtige en barmhartige handen legt. Nu kunnen de wonderen niet uitblijven. Lees het vervolg: door de prediking van Gods Woord en door de werking van de Heilige Geest moet de dood op de vlucht. Ja door Woord en Geest worden dorre beenderen samengevoegd en tot leven gewekt.
Wondere boodschap voor de wanhopige ballingen. Zij mogen het horen: al zijn ze dood, meer dan dat: dorre doodsbeenderen, waar het Woord verkondigd wordt en de Heilige Geest Zijn werking doet, wordt het alles leven.
Wondere boodschap ook voor ons. Ja, is dat wel waar? Kan dat dan zo maar? Kan God onze kerk, onze gemeente, ons eigen hart van alle doodsheid bevrijden en weer tot leven wekken? U heeft gelijk, zo maar kan dat niet. Want dit visioen spreekt niet alleen van doodsheid, niet minder van schuldigheid en vloek. , Wil er leven mogelijk zijn, dan zal de vloek moeten worden weggenomen.
Hoor nu de blijde tijding: dat is geschied. Dat zegt ons het Nieuwe Testament. Ook daarin is sprake van een knekelveld: Golgotha! Daar gaf de Levensvorst Zijn leven om één te zijn met de doden, om 'beladen te zijn met de vloek, om weg te dragen de schuld.
Daarom ... als u om u heen, bovenal in uzelf geen leven kunt ontdekken, enkel schuld en vloek, richt dan uw oog (en uw hart!) op die Levensvorst, Die u gelijk werd. Dan kunt u op de. vraag van de Heere: „deze beenderen zullen toch niet meer levend worden? " antwoorden met biddende verwachting: „Heere HEERE, Gij weet het." En zie dan uit het vervolg, dat de HEERE al lang met die dorre beenderen bezig is vóór de Geest het volle leven doet doorbreken. Ja, dat de verkondiging van het Woord Gods de machtige inzet is geweest van de levensvernieuwing.
Waarlijk, het is zoals onze belijdenis het zegt: het geloof komt van de Heilige Geest, Die het werkt ui onze harten door de verkondiging van het heilige Evangelie.
Zo alleen gaat onze stomme mond spreken van Gods machtige daden, en zo alleen gaat ons dode hart juichen ter ere van Zijn liefde, maar zo ook volkomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's