De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

10 minuten leestijd

Het zou bijna onbeleefd zijn als we stilzwijgend voorbij zouden gaan aan de uitvoerige artikelen van ds. Groenewoud in het Hervormd Weekblad van 16 en 30 augustus.

In den brede gaat hij daar namelijk in op enkele opmerkingen die wij in ons persoverzicht maakten n.a.v. hetgeen hij schreef onder het hoofd: Elkander aanvaarden. ,

Nu is het moeilijk om daar grondig op in te gaan want er wordt van ons verwacht dat we een persoverzicht geven, niet dat we een artikel schrijven. We moeten dus kort zijn, maar willen toch aan deze reacties niet stilzwijgend voorbijgaan.

Het feit dat ds. G. er achteraf nog zo veel over zegt is zo veelzeggend. Dat vindt natuurlijk allereerst zijn oorzaak in het feit dat er op zijn artikel: Elkander aanvaarden nog al wat pennen loskwamen. Niet alleen dr. Kunst, maar ook prof. Polman in de rubriek Van Week Tot Week; en dan niet te vergeten een lezer van het Hervormd Weekblad, die er in een Ingezonden schrijven ook vragen over stelt en opmerkingen over maakt.

Maar daarnaast hadden we het idee dat ds. G. er zelf niet uit kon komen. We vermoeden dat dit ook de gedachte geweest zal zijn van de schrijver van het Ingezonden stuk, toen hij in het naschrift het antwoord las.

Zoals ds. G. trouwens al vriendelijk opmerkte, denken we er geen ogenblik aan hem er van te verdenken dat hij de vrijzinnigheid in de kerk zonder meer wil aanvaarden. We spraken van stoeien.

Toen we zijn twee volgende artikelen lazen, dachten we aan een moeder die tegen haar kind dat ondeugd aan het uithalen is, tot in het oneindige blijft zeggen: foei, je weet toch wel dat je dat niet doen mag! Als er verder nooit wat gebeurt, hoort het kind al die woorden al gauw niet meer en gaat rustig door met zijn kattekwaad. Er ontbreekt hier een wezenlijk stuk aan de opvoeding; de moeder is te slap, ze komt niet tot daden, en tot een daadwerkelijke bestraffing, die alleen maar heilzaam zou werken.

Met de beste bedoelingen wijst ds. G. op het gesprek als het aangewezen geneesmiddel. Maar zo af en toe heeft men wel eens de neiging om dit de ziekte van deze tijd te noemen. Hoeveel jaren of eeuwen moeten we daar nog mee door gaan? Zijn er na alle gesprekken nog geen momenten geweest dat men kon zeggen: nu is het onderhand wel duidelijk , nu moeten er alleen maar daden volgen? Het kan best zijn dat we een vrijzinnige predikant wel eens een goede preek hebben horen doen maar de Ver. van Vrijzinnig-Hervormden heeft zich toch wel duidelijk genoeg uitgelaten over

de inhoud van de betogen van prof. Smits, al heeft men zich dan van de vorm er van gedistancieerd.

Evenals verschillende andere artikelen-schrijvers klaagt ds. G. er over dat zijn uiteenzettingen soms helemaal verkeerd begrepen worden. Dat is een trieste zaak als onze inspanningen de zaak nog duisterder maken in plaats van ophelderen.

Maar ds. G. maakt het er soms wel eens een beetje naar. Hebben wij er ds. G. van verdacht, dat zijn sympathie uitging naar de vrijzinnigen? Heel beslist niet, maar ds. G. werkt zon vermoeden wel wat in de hand; we hebben ons er niet door laten misleiden.. Hij spreekt over twee struikelblokken die er voor de gereformeerden liggen in de herv. kerk: de vrijzinnigheid en de geref. bond. T.a.v. de vrijzinnigheid sprak ds. G. de gereformeerden geruststellend toe; hij wees op de positieve elementen bij de vrijzinnigheid (die cultuur en zo). Hoe nuttig en leerzaam is het als de kerk (en de gemeente) zelf worstelt met het probleem dat de ketterij stelt. Dit bracht ons tot die opmerking over kanselruil.

In zijn tweede artikel gaat ds. G. uit van onze vraag: Zou er aan het tweede struikelblok — de geref. bond — nu ook nog wat te doen zijn?

Uit een oogpunt van billijkheid en om de parallellie tussen de twee struikelblokken vast te houden, zouden we nu verwachten dat ds. G. de gereformeerden bijvoorbeeld zou gaan aanspreken op hun historie van nog maar enkele tientallen jaren geleden. Toen waren ze op allerlei punten zelf de steen waar ze nu tegenaan stoten en over dreigden te struikelen. In die geest had ds. G. nu „bemoedigende en troostelijke woorden kunnen spreken aan het adres van de gereformeerden wat betreft hun tweede struikelblok in de herv. kerk".

Maar in tegenstelling met de vrijzinnigen, krijgt nu de geref. bond op z'n kop. Er wordt nog wel opgemerkt dat de kerk niet ongestraft, niet zonder te verarmen, de accenten die de geref. bond legt, mag verwaarlozen, hetgeen de herv. kerk tegenwoordig maar al te zeer geneigd is te doen. Maar daarnaast openbaart zich hij de mensen van deze groep (de G.B.) de eigendunkelijke houding van het: wij zijn de eigenlijke en ware kerk; wij, en wij alleen, hebben de waarheid; en met al de anderen is het niet in orde. Niettemin leidt ook dit ons niet tot de conclusie dat de sympathie van ds. G. uit zou gaan naar de vrijzinnigen. Wat ons betreft zetten we het liever onder het hoofd: Was sich liebt, neckt sich!

In enkele vervolgartikelen behandelt drs. J. Plomp in de rubriek Van Week Tot Week (Geref. Weekblad, Kok) uitvoerig het boek van ds. Volten: Rondom het belijden der kerk. De hoofdgedachte van ds. Volten in dit boek is: reductie van de belijdenis ter wille van de eenheid. Ds. P. acht dit echter geen uitweg, want reductie door middel van onderscheiding tussen waarheden is principieel onmogelijk. De schrijver begint met één en ander uit de historie toe te lichten. Verder is hij bang dat reductie van de belijdenis de weg opent naar een fundamentalisme. Hij schrijft daarover o.a.:

Het is thans nog niet de gelegenheid precies aan te geven waar de fundamentele artikelen liggen, meent Volten (54), maar van bepaalde „stukken" kan hij toch nu al zeggen: die zullen er wel niet bij gerekend worden. B.v. de kinderdoop. Het noemen van zo'n enkel voorbeeld heeft een voordeel; hoe toont m.i. duidelijk aan hoe willekeurig een eventueel ondernomen reductie dreigt te verlopen. Want waarom zou de kinderdoop nu niet fundamenteel zijn? Omdat velen menen, dat het N.T. wat duidelijker gevallen van kinderdoop had moeten aangeven om hem aanvaardbaar te maken? Maar is dit dan geen symptoom van biblicisme, waarvan Volten blijkens zijn boeken niets moet hebben? Of misschien, omdat veel christenen factisch de kinderdoop verwerpen? Maar maakt het getal dan uit wat fundamenteel en niet-fundamenteel is? Laat zich niet op sterke gronden verdedigen, dat de kinderdoop een bijzonder fundamenteel stuk is (de continuïteit van Gods trouw en verbond)? Hoe komt men hier uit? Men komt hier niet uit!

Men bedenke ook, dat het antwoord op de vraag: wat is fundamenteel? altijd wel in sterke mate bepaald zal worden door de tijd, waarin men leeft. Ik kan nu wel zeggen, op welke grond dan ook, dat de artikelen over de kinderdoop en de regering der kerk niet fundamenteel zijn. Maar ik zeg dat nu. De vaderen, die pas met de hiërarchie van Rome hadden gebroken en die de vloedgolf van het AnaJbaptisme nog niet helemaal ontzwommen waren, zullen juist déze artikelen buitengewoon belangrijk hebben gevonden. En hadden zij ongelijk? Moet dit ons niet tot de grootste voorzichtigheid nopen? Gaat het aan vandaag voor niet fundamenteel te verklaren wat het gisteren nog wel was en het morgen zo maar ineens worden kan?

Wanneer ik mij verder indenk, hoe de beperkte modaliteitenkerk, die Volten voorstaat, er zal uitzien, dan zie ik een monstrum voor mij. Er is een gereduceerde (belijdenis plus veel „libertas prophetandi", vrijheid tot profeteren. Gereformeerden, christelijk gereformeerden en vrijgemaakten mogen gerust leren wat zij als waarheid hebben ontdekt, zelfs met de pretentie er bij, dat dit algemeen geldend moet zijn.

Zo gaat in de éne kerk toch de „leerontwikkeling" door, meent Volten, daarbij vergetend, dat hij ons zelf bijgebracht heeft (10), dat het kerkelijk voor de leer kenmerkend Is. Maar dan zal toch ook het „gelijke monniken gelijke kappen" moeten worden toegepast! Wat aan gereformeerden en aanverwante groepen gegund wordt, zal men het Leger des Heils (geen sacramenten, algemene verzoening) en de Pinkstergroepen (volwassendoop, Geestesdoop, enz.) niet kunnen weigeren.

In een volgend artikel wijst drs. Plomp er op, dat nog afgezien van andere groeperingen in de gereformeerde gezindte, ook de herv. kerk niet gediend zal zijn van zulk een reductie. Blijkens art. 10 van de Kerkorde heeft de herv. kerk in het geheel geen behoefte aan zulk een reductie. Op de vraag aan de herv. synode of „in gemeenschap met de belijdenis der vaderen" tevens inhield „in overeenstemming met de belijdenis der vaderen" antwoordde de synode in 1953: zeer zeker, mits dit verstaan wordt als een binding aan de religie van de belijdenis door het getuigenis van de Heilige Geest.

Het verschil tussen gereformeerden en hervormden is niet hierin gelegen, dat de herv. niet en de geref. wel de drie formulieren in ere willen houden. Maar het verschil gaat over de binding aan deze formulieren en de handhaving er van. Over dat onderwerp zal gesproken moeten worden om aan de gespletenheid een einde te maken.

Ook dr. W. Nijenhuis bespreekt dit boek in Woord en Dienst van 1 september. Hij schrijft:

Nadat aldus veel goeds van dit boek gezegd is, moeten ook enkele bezwaren genoemd worden. Bij onze formele bedenkingen zullen wij niet te lang stilstaan. Het Nederlands is bepaald niet fraai. Hier en daar overschrijdt de auteur de grenzen van het triviale beeldgebruik. Soms is hij niet vrij van geforceerde grappigheden, die in een boek, dat au sérieux genomen wil worden, niet thuishoren. Er komen nog al wat slordigheden in voor. Wij noemen als voorbeelden de „Grieks- Katholieken" (blz. 146) en de „Bekenntniskirche" (blz. 167). De benadering der problematiek is tamelijk individualistisch. Er is vooral in het eerste deel van het boek een overmatig gebruik van de eerste persoon enkelvoud te constateren. Aan dit individualisme wijten wij ook de afweerhouding van de schrijver t.a.v. de behandeling van de oproep der Achttien op het Utrechts congres (Aanvulling, blz. III-V). Dat hij daar bleef zitten, vindt uw recensent gewoonweg kinderachtig.

Ons eigenlijk bezwaar tegen Voltens geschrift echter is gelegen in het feit, dat van een uiterst actueel oecumenisch probleem een nagenoeg uitsluitend Nederlands gereformeerd of gereformeerd hervormd probleem gemaakt is

De bedenkelijkste beperktheid is echter gelegen in het feit, dat wat de schrijver het mondiale motief voor het belijden der kerk noemt, eerst op de laatste bladzijden ter sprake komt. Hij zegt daar enkele behartigenswaardige dingen, maar zij klinken als opmerkingen achteraf, die de structuur van het boek niet beïnvloeden. Dat belijden ook een vorm van gesprek met de wereld is, komt niet aan de orde. Dat de wereld zo veranderd is, als de auteur aan het eind van zijn boek schetst, heeft aan zijn eigen spreken over het belijden der kerk weinig veranderd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's