De ontwikkeling van het godsdienstig leven van PRINS WILLEM VAN ORANJE
II
De aangehaalde citaten zijn jeugdherinneringen van de Prins, als hij zelf tegen de vijftig gaat lopen. En vaak is het zo, dat dan eigenlijk pas beseft wordt, wat jeugdindrukken voor ons verdere leven betekend hebben. In zijn jongensjaren zal de Prins zich daar nauwelijks van bewust geweest zijn en er volgen jaren, waarin zelfs van heel deze jeugdperiode niets schijnt overgebleven te zijn.
Ieder weet van de grote verandering, die op zijn 11de jaar in zijn leven optreedt.
De zoon van Hendrik van Nassau, Willem de Rijke's broer, René sterft jong. Deze had in 1530 het prinsdom Oranje geërfd van zijn moeder Claude de Chalons. René sterft echter reeds in 1544, toen hij sneuvelde bij het beleg van St. Dizier. Uit dit huis is de wapenspreuk „Je maintendrai" (ik zal handhaven) afkomstig. René het het onafhankelijke prinsdom Oranje achter aan Willem de Rijke's zoon, onze Prins Willem van Oranje.
Aan het hof van keizer Karel V had men aanvankelijk bezwaar een zoon uit een uitgesproken Protestants geslacht als erfgenaam van zulk een hoge titel en van zulke belangrijke bezittingen te tolereren. Het aanvaarden van deze erf lating is van de zijde van het keizerlijke hof alleen toegestaan, mits aan 2 voorwaarden werd voldaan:
1e een commissie van 3 goed-roomse mannen zou voogdij over de elfjarige uitoefenen;
2e hij zou niet op de Dillenburg, maar in de Nederlanden worden opgevoed overeenkomstig de begrippen, die men aan het hof er op na hield. De jonge Prins moest „ontduitst" worden.
Daarmede neemt het leven van de Prins een radicale wending. Enerzijds is hierin een providentiële leiding in Oranje's leven, zonder welke hij waarschijnlijk nooit de leidende figuur geworden zou zijn, die hij geweest is.
Anderzijds breekt de lijn van zijn godsdienstige opvoeding, zoals hij die van huis uit ontvangen had, af en wordt hij van nu af in Rooms-Katholieke kring opgevoed en treedt hij ook toe tot de Rooms-Katholieke Kerk.
Het voert ons te ver diep in te gaan op de motieven, die de ouders van de Prins er toe gedreven hebben, om de bezwaren, die zij ongetwijfeld tegen deze voorwaarden in hun hart gevoeld hebben, te overwinnen.
Waarschijnlijk hebben zij geleefd in de hoop, dat het „gesprek" met Rome nog niet verstard zou zijn, zoals na het concilie Van Trente het geval zou worden. Men gaf de moed nog niet op, dat Rome zich aan het Evangelie van de enige en volkomen Zaligmaker gewonnen zou geven.
Het is wel duidelijk, dat bij deze overgang naar de R.K.-Kerk geen sprake was van een principiële stap in de richting van deze kerk. De Prins zelf, die ruim 20 jaren als katholiek heeft geleefd, is daarom nog niet in zijn hart goed katholiek geweest. Evenmin is hij in deze jaren iemand geweest, die bewust Protestant van overtuiging was.
De Prins ging naar de mis, at geen vlees op dagen, waarop de kerk dit verbood, bij allerlei officiële gelegenheden spreekt hij uit, dat hij het Rooms- Katholicisme beschouwt als „notre vraie religion" (onze ware godsdienst). Hij verhindert ook niet de uitvoering van de plakkaten in de baronie van Breda en in het prinsdom Oranje.
Het zijn de jaren, waarin hij, eerst in Breda en dan sedert zijn 16de jaar in Brussel onder de leiding van Granvelle's broer, Champagney, opgroeit tot de vlotte hoofse grand-seigneur, die vooral sedert zijn huwelijk op 18-jarige leeftijd met Anna van Buren over ruime en toch nauwelijks genoegzame middelen beschikt om een hoge staat te voeren en de kostbare, niet altijd goed te praten levensgewoonten van zijn stand te volgen, waarin hij, krachtens zijn rang, als primus inter pares (de eerste onder gelijken) zelf moest vóórgaan.
Al waren anderen soms nog doller dan Prins Willem, de zonden van onmatigheid, het maken van schulden en concubinaatschap zijn aan deze periode van zijn leven niet vreemd geweest.
Er zijn uitspraken van de Prins bekend, zelfs als hij tegen de dertig loopt, die niet bepaald van een serieuze levenshouding getuigen en het is waarlijk niet mogelijk van hem een heiligenbeeld te maken.
Dit zijn de jaren waarin hij snel carrière maakt. Hij staat in de gunst bij Maria van Hongarije, de landvoogdes, die zich gaarne „zijn moeder" noemt, en evenzeer bij Karel V, die hem in zijn laatste regeringsjaar 1555 (de Prins is dan 22 jaar) benoemt tot lid van de Raad van Staten, tot opperbevelhebber van 't Maasleger en die hem menigmaal in groot vertrouwen neemt.
Hij ontwikkelt in die jaren zijn grote vooral diplomatieke gaven, is zeer populair, met die vorm van populariteit echter, die snel voorbij gaat.
Het is merkwaardig, dat die dingen, die hem eeuwen later doen voortleven in de harten van miljoenen en hem doen liefhebben door vele geslachten, vallen in de latere tijd van zijn leven, toen hij in de oppervlakkige zin van het woord, veel minder populair geworden was.
De jaren aan het Brusselse hof zijn de jaren van uiterlijke schittering, die weinig geschikt zijn voor een diepgaande, ernstige levensovertuiging, hetzij Protestants, hetzij Katholiek, en die recht geven op de karakteristiek van prof. Bakhuizen van den Brink: Willem van Oranje heeft in die jaren wel katholiek geleefd, maar is niet katholiek geweest.
Toch moet de Prins zich. ten gevolge van actuele vraagstukken op het gebied van de godsdienst-politiek, met godsdienstige kwesties gaan inlaten, al is die bemoeienis misschien meer van humanitaire en politieke dan van religieuze aard. De vraag naar de plaats van het Protestantisme in de West-Europese samenleving, doet zich overal voor in die tijd.
In Duitsland, waar een voorlopige oplossing gevonden wordt in de Religievrede met het bekende cuius regio, illius religio (wiens rijk, diens godsdienst), waarbij dus de landsheer (en die kwam in Duitsland in grote getale voor) een zeer belangrijke plaats inneemt wat betreft de heersende religie in zijn landstreek.
In Frankrijk, waar verschillende partijen tegenover elkander staan, waar de hoge adel met de Guises voorop en de geestelijkheid aansturen op de alleenheerschappij van het katholicisme. Daartegenover staan dan de prinsen uit het huis der Bourbons, een groot deel van de lage adel en een deel van de derde stand, waaronder het Protestantisme veel aanhang vindt. Tenslotte is daar de partij der „politieken", der gematigden, waarbij het hof zich soms aansluit. Binnenlandse oorlog, wapenstilstand, vrede, verdragen en schending van die verdragen wisselen zich hier af, mede beïnvloed door internationale machtsverhoudingen tegenover Spanje en Engeland.
Prins Willem van Oranje komt daarbij langzamerhand in de oppositie tegen het Spaanse hof. Met Karel V is de verhouding altijd goed geweest. Met Filips II is aanvankelijk de verhouding ook redelijk, al gevoelt Filips al heel spoedig, dat hij in de Prins iemand heeft, die van het vorstenabsolutisme niets wil weten, en zegt Filips hem ook, dat die Hollandse Staten niet zon groot woord zouden durven hebben, wanneer zij in hun opkomen voor hun privilegiën niet wisten te mogen rekenen op de steun van zulke vooraanstaande mannen als Willem van Oranje.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's