De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

DE HEILIGE GEEST EN DE DORRE DOODSBEENDEREN

8 minuten leestijd

Ezechiël 37: 9. En Hij zeide tot mij: Profeteer tot de geest, profeteer, mensenkind, en zeg tot de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedoden, opdat ze levend worden.

Israël was weggevoerd in ballingschap. De stad Jeruzalem, de schone tempel van Salomo, het was alles in vlammen opgegaan. Jeruzalem was tot een verwoesting geworden.

Behalve wat onderduikers, die bij de razzia's een toevlucht hadden gevonden ia de holen en in de spelonken waren alle inwoners des lands door Nebucadnezar en zijn legerscharen bijeengedreven om op transport te worden gesteld naar Babel.

Vele honderden Joden zullen stellig op die lange reis langs de karavaanwegen der woestijn het tijdelijke met het eeuwige hebben verwisseld.

Aan de oevers van de Kabara, in Babel, vonden de Israëlieten nieuwe woonplaatsen, maar ze konden Jeruzalem maar niet vergeten. Als de Babyloniërs hen uitnodigden, dat ze eens een psalmlied zouden aanheffen, gelijk ze dit deden in Israels tempelzalen, luidde het droeve antwoord: „Hoe zouden we een lied des Heeren zingen in een vreemd land. Indien ik u vergeet, o Jeruzalem, zo vergete mijn rechterhand zich zelf".

Neen, ze konden onmogelijk Jeruzalem, de stad des groten konings vergeten. Zeker, het profetisch woord had er van getuigd, dat de ballingschap na zeventig lange jaren toch eindelijk weer een einde zou nemen.

Het ongeloof kan echter niet anders dan twijfelen aan de mogelijkheid, dat Israël nog eens aan de hand van de gehate onderdrukkers ontkomen zou.

Hun verwachting was vergaan.

Toch zullen er ook in die dagen zijn geweest, die geleefd hebben bij het profetische woord des Heeren. De Heere beeft het dezulken niet laten ontbreken aan vertroosting in schijnbaar troosteloze omstandigheden.

Tot die troostvolle woorden behoort ook het 37ste hoofdstuk van de profetie van Ezechiël. De profeet was in de geest, in een vertrekking van zinnen. Hij leefde aan de oevers van de Kabara. Hij was een van de eerste ballingen, die naar Babel waren weggevoerd.

Een rijke openbaring is hem in Babel ten deel gevallen. De hand des Heeren greep hem bij de haren van zijn hoofd en voerde hem ver weg door de lucht, over bergen, rivieren en dalen, totdat de Heere hem deed nederdalen in een diepe vallei. Rechts en links zag hij overal bergen.

Maar, o schrik, toen hij een blik rondom zich wierp, greep vrees en verschrikking hem aan. Immers hij bevond zich in een dal met dorre doodsbeenderen. Het waren geen dode lichamen maar ontelbaar vele beenderen lagen daar door elkander. 'Het leek wel een dodenvallei. Stellig was er maanden geleden slag geleverd, maar aan de strijdenden had stellig de tijd ontbroken om hun doden te begraven. Ze waren daar in die vallei blijven liggen, door de regen en door de zonneschijn gebleekt.

En het was maar niet een vluchtige blik, die de profeet op die afgrijselijke beenderen moest werpen. Neen, de Heere deed hem door de hele vallei rondgaan, opdat hij zich zou vergewissen van de ontzettende catastrofe, die in die vallei had plaatsgehad.

Als hij een weinig van de schrik bekomen was, stelde de Heere hem de aangrijpende vraag: Mensenkind, zullen deze beenderen levend worden.

„Mensenkind" met deze naam wordt de profeet telkens in deze profetie door de Heere toegesproken. Hier is geen sprake van het gebruik van allerlei vererende titels. Met die naam wordt een mens getekend gelijk hij is „van een vrouw geboren en kort van dagen en zat van onrust".

Als Ezechiël een mens was geweest, die God niet kende en zijn almacht niet had ervaren, dan zou hij stellig wel een antwoord hebben gevonden op zulk een vreemde, schijnbaar onzinnige vraag. Nu durft hij echter haast geen antwoord te geven. Hij legt het antwoord op die vraag in 's Heeren hand: Heere, Heere, Gij weet het. Thans wordt de profeet, in zich zelf een zwak en nietig en zondig mensenkind, ingeschakeld. Hij wordt opgeroepen om tot de dorre doodsbeenderen te profeteren, dat ze levend zullen worden.

Hij durft geen tegenwerpingen meer te maken. Hij begint te getuigen: Gij dorre doodsbeenderen, hoort des Heeren Woord.

En nu gebeuren er opeens ontzettende dingen. Hij hoort een vreemd geluid. Er komt beroering in de beenderen. De beenderen klapperen tegen elkaar. Opperarmbeenderen klappen weer tegen de schoudergordel, de dijbenen tegen de bekkenbeenderen, de ribben tegen het borstbeen en de wervelkolom.

En daarbij bleef het niet. Er kwam vlees op de beenderen, er kwamen zenuwen op en er werd een huid over getrokken. Maar het waren ondanks de grote verandering toch maar dode lichamen. Er was geen adem in de borstkas, geen glans in de ogen en geen beweging in de hand of de voet.

Maar wederom wordt de profeet opgeroepen om te profeteren. Ditmaal moet hij profeteren tot de geest: Gij geest, kom aan van de vier winden en blaas in deze gedoden, opdat ze levend worden.

Toen kwam de geest in hen en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir.

De doden waren nu tot een strijdbaar heir geworden.

De ballingen uit de tijd van Ezechiël zullen het wel hebben begrepen, dat met die dodenvallei Israël in ballingschap werd bedoeld.

De verwachting van terugkeer scheen voor altoos afgesneden. Wie zou hen uit de hand van de banning van Babel verlossen. Zal het dode Israël nog ooit levend worden?

De Heere weet het alleen.

Maar we denken niet alleen aan Israël maar aan ons eigen Nederlandse volk. Wat is afval groot in onze tijd. Duizenden keren de kerk de rug toe. Ze hebben met God gebroken. Vooral in de grote steden, de brandpunten van de zogenaamde beschaving, zinkt het kerkelijke leven weg.

Van stoom, elektriciteit, radio, televisie, vliegtuig en radar gaat er een machtige bekoring uit op de mensen van deze twintigste eeuw.

Er zijn vele straten in onze grote steden, waar maar enkelingen meer de kerk bezoeken.

Als we de conclusie moeten trekken, dan kan het geen andere zijn dan deze, dat het dor wordt. Ja, zeer dor.

Er zijn vele volkeren op de aardbodem van wie het eveneens geldt, dat ze zeer dor zijn. 

Wat van de volkeren geldt als geheel geldt ook van de enkelingen.

In het eerste vers van het tweede hoofdstuk van zijn brief aan de Efeziërs beschrijft de apostel de toestand van de mens, zoals hij van nature is, als dood door de zonden en de misdaden. Zal die geestelijk dode zondaar nog ooit levend worden?

En weer moet zulk een vraag beantwoord worden met de zelfde woorden: Heere, Heere, Gij weet het.

Vele middelen worden aangeprezen om de mens uit zijn diep verderf op te richten. Vervulling van deugden en plichten wordt allerwegen aangeprezen. Ook het humanisme van onze tijd wil medewerking verlenen aan het verwekken van nieuw leven.

Gods woord kent maar één middel. Er moet worden geprofeteert. De kerk moet getuigen. „Gij zult mijne getuigen zijn". Het moet de zondige mens worden gepredikt, dat hij geestelijk dood is. „Alleen ken uw ongerechtigheid, o gij huis Israels."

Het- moet worden gepredikt, dat er zonder waarachtige wedergeboorte nooit iemand het Koninkrijk Gods zal kunnen zien.

Predikt het evangelie, zo luidt de goddelijke opdracht aan Christus' discipelen.

Predikt het de verbrokenen en verslagenen van geest, die zich als zo dood leerden kennen, dat ze duizend talenten schuld hebben en geen penning om te betalen, dat er- alleen in de gerechtigheid van Gods Lieve Zoon Jezus Christus heil en zaligheid is te vinden.

Predikt het aan verlorenen, dat er nergens redding is te vinden dan bij het kruis van Christus.

In ons teksthoofdstuk is er sprake van geluid en beroering.

Er is inderdaad ook op kerkelijk terrein nog al wat geluid en beroering. In sommige grote steden laat men des zondags de jonge mensen dansen op jazzmuziek. „Er moet toch wat gedaan worden voor de jonge mensen", zo hoor ik beweren.

Maar met dat al komt er geen beweging in de gedoden. Zij blijven in hun doodsstaat liggen.

Anders wordt het als op het profetisch woord de Heilige Geest door de gedoden begint te blazen. Dan wordt er waarachtig leven gewekt.

Dat waarachtig leven in de binnenkamer des harten is alleen het gewrocht van de Heilige Geest.

Jammer, dat in menige preek van onze tijd over het werk des Geestes bijna geheel wordt gezwegen.

In het zevenendertigste hoofdstuk van Ezechiël is er sprake van twee handelingen. Het Woord moet worden gepredikt, maar ook de geest moet blazen door de gedoden.

Sommigen leggen de nadruk op het woord. Als het maar niet blijven zal bij verstandelijke overleggingen. Anderen leggen de nadruk op de Heilige Geest. Als het maar geen geestdrijvers worden!

De dichter heeft het recht begrepen als hij zingt: 

Heer, ai, maak mij Uwe wegen Door Uw Woord en Geest bekend.

Eeuwig wonder van genade dat God nog doden wil levendmaken. Die het door genade leren om met Christus te lijden en te sterven, met Hem te worden begraven, maar ook met Hem te worden opgewekt tot een nieuw leven.

Staan op de voeten en tot een groot heir worden.

En als ge vraagt, waarin dat wonder van die levendmakende genade zijn oorsprong vindt, dan kan het antwoord alleen maar zijn: in de eeuwige liefde Gods, die zich zo heerlijk openbaart als de Heere zegt: Ik zal u uit uw graven doen opkomen o mijn volk.

En daarom, ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de doden, zo zal Christus over u lichten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's