De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De ontwikkeling van het godsdienstig leven van PRINS WILLEM VAN ORANJE

Bekijk het origineel

De ontwikkeling van het godsdienstig leven van PRINS WILLEM VAN ORANJE

7 minuten leestijd

III

In 1559 komt de Prins in oppositie op het terrein van de godsdienstpolitiek. In zijn Apologie vertelt hij, dat de doorslag gegeven werd door een gesprek, dat hij met Hendrik II van Frankrijk had in het Bois de Vincennes bij Parijs.

Hendrik II hield de Prins voor een ingewijde in de plannen van Filips tegen de Protestanten. De Prins het hem in die waan en vernam toen allerlei bijzonderheden omtrent plannen, die zowel in Frankrijk als in de landen van Filips II ten uitvoer zouden worden gelegd door de pauselijke inquisitie tegenover de Protestanten, zowel aanzienlijken als onaanzienlijken, en dat dit hem bewoog met erbarming en medelijden.

Maar dit betekent nog lang geen overgang naar het Protestantse geloof. In de tijd van de onderhandelingen, die leiden zullen tot zijn tweede huwelijk met de Protestantse Anna van Saxen — overigens echt een mariage de raison (een huwelijk uit berekening) —, moge hij aan de Duitse vorsten de verzekering geven, dat hij in zijn hart veel voor het Lutheranisme gevoelt — en daar is misschien ook wel wat van waar —, tegelijkertijd verzekert hij aan Filips, dat er geen vuiltje aan de lucht is en dat, wat zijn huiselijke godsdienst betreft, alles bij het oude zal blijven. Daar houdt hij zich ook aan, al vertrouwt na enkele jaren Filips hem daarin niet helemaal meer en vraagt deze hem om een bekwame kok uit zijn keuken als een eersterangsgetuige over het al of niet getrouw vasten van de Prins.

Het is aanvankelijk meer de zaak van de vrijheid, ook op het gebied van de religie, die de Prins pakt, dan dat hij zelf in zijn persoonlijke leven beslist een keuze doet.

Landgraaf Filips van Hessen is eigenlijk tegen het huwelijk van zijn kleindochter Anna van Saxen met de Prins gekant, uit vrees dat Anna zich aan het Rooms-Katholicisme gewonnen zal geven. Keurvorst August van Saxen die wel voor dit huwelijk voelt, maar bij de Prins er op aandringt, dat hij met zijn vrouw leven zal overeenkomstig de godsdienstige opvoeding, die hij in zijn jeugd ontvangen heeft, krijgt een luchthartig antwoord omtrent amoureuze lectuur, waar hij Anna liever mee zal bezig houden.

Toch brengen de feiten, waarvoor hij geplaatst wordt, de Prins hoe langer hoe meer in aanraking met degenen, die ook ter wille van hun godsdienstige overtuiging in verzet komen tegen het absolutisme, dat heersen wil tot over de conscientie toe.

Typerend voor het standpunt van de Prins, is zijn Oudejaarsrede in de Raad van State in 1564, eindigend met deze woorden: „hoezeer aan het Roomse geloof gehecht, kan ik toch onmogelijk goedkeuren, dat vorsten over het geweten hunner onderdanen heersen willen en hen hun vrijheid van geloof en Godsverering ontnemen".

Als in 1562 in Frankrijk een toestand intreedt, die aan de Gereformeerden ongeveer gelijke rechten in godsdienstig opzicht schenkt als aan de Rooms-Katholieken, is de Prins er onmiddellijk bij een dergelijke regeling ook in zijn prinsdom Oranje te treffen, waar veel Gereformeerden wonen.

Daarbij komen in deze tijd veelvuldige contacten met invloedrijke figuren van het Protestantisme in Frankrijk, in Duitsland (in het bijzonder denken we aan zijn broer Lodewijk), en in de Nederlanden, toch wel min of meer aansluitend bij de van huis uit ontvangen indrukken.

Terwijl vele jaren de tegenstellingen tussen Protestantisme en Rooms-Katholicisme niet zo onverzoenlijk schenen te zijn en de Prins veel contact zocht met geleerden, die een hereniging niet alleen wenselijk, maar ook mogelijk achtten, gaan in de zestiger jaren (Reformatorische Confessies en Contra-Reformatie) de verhoudingen zich hoe langer hoe meer toespitsen en moet men zich nauwkeurig rekenschap geven van de vraag, aan welke kant van de scheidslijn men staat. 

Tot zulk een bezinning leidt ook het feit, dat het vrolijke, schitterende jeugdleven van de Prins een einde gaat nemen. Zijn huwelijk met Anna van Saxen wordt een grote desillusie. Zij blijkt een onhandelbaar schepsel te zijn en de Prins krijgt behoefte aan andere innerlijke steun dan de amoureuze lectuur, die hij in 1561 nog in 't hoofd had. Er komt nauwe samenwerking tussen de vrijheidspartij en de religiepartij, die sterk beïnvloed wordt door het optreden der Hugenoten in Frankrijk.

Nu laat zich een geestelijke ontwikkeling nooit restloos narekenen. Maar het is wel duidelijk uit allerlei gedragingen en uitingen van de Prins, dat hij zich naar het Protestantisme toekeert.

Alleen, dit geschiedt niet in eens en niet openlijk. Dat ligt ook niet in de aard van de Prins. Prins Willem is niet iemand, die snel besluit en dan met voortvarendheid dat besluit uitvoert, zoals hij op militair gebied meer strateeg dan vechtgeneraal is. Hij is niet van het type van Alexander de Grote of Napoleon. Hij komt eerst na lang wikken en wegen tot een besluit, waaraan hij dan ook met taaie onverzettelijkheid vasthoudt. Zijn besluiten zijn welberaden, maar dan ook vastberaden.

Heetgebakerde naturen achten zich dan ook eerst in hem teleurgesteld. Zij lopen in hun plannen op Prins Willem's besluiten vooruit. Trouwens de Prins voelt zich in de jaren van het kenteren van zijn overtuiging meer tot het Lutheranisme aangetrokken, met zijn grotere loyaliteit tegenover de wereldlijke overheden, dan tot het meer militante Calvinisme, met z'n beeldenstormerij en z'n doodvonnissen.

Ook komt hij er niet dadelijk voor uit, dat hij in zijn hart niet alleen voor de Protestanten, maar ook voor het Protestantisme gaat voelen.

Hij volgt daarin 't voorbeeld van verschillende andere vooraanstaande figuren, maar toch ook wel van mensen onder 't volk (neringdoenden), die zich beriepen op de bekende bijbelse figuur van Nicodemus, die des nachts tot Jezus kwam en van wie het nog lang zou duren, eer hij openlijk als discipel van Jezus zich openbaarde. Wat in Nicodemus laakbare zwakheid was, werd door velen als bewuste en geoorloofde taktiek toegepast. 

Deze handelwijze nam een dergelijke omvang aan, dat Calvijn in 1544 en 1562 daarover een paar boekjes schreef die vrij scherp gesteld zijn.

De Prins wordt van de zijde van de Duitse Protestanten ook beschuldigd van dit „Nicodemiseren" en aangespoord openlijk voor zijn groeiende innerlijke overtuiging uit te komen. Dit is een moeilijke overgangsperiode geweest voor de Prins. Hij was een diplomaat, maar daarom nog geen huichelaar.

Hij heeft een afkeer van de heftigheid van vele Gereformeerden en aarzelt de vraag of gewapend verzet geoorloofd is, bevestigend te beantwoorden. In leefwijze is hij nog katholiek, in zijn hart gezind naar het Lutheranisme over te gaan. Hij zou trouwens graag alle Protestanten verenigen op de basis van de Augsburgse Confessie. Maar hij voelt ook, dat zijn geloofsovertuiging nog niet voldoende gerijpt is, mede door gebrek aan grondige kennis van de Lutherse geloofsleer.

Aan deze periode van aarzeling komt een einde in 1567, als de Prins bij de nadering van Alva overhaast de vlucht moet nemen.

Hij moet veel achterlaten, tot zijn zoon Filips Willem toe, maar voor hemzelf betekent de verwijdering uit de Rooms-Katholieke omgeving, waar hij toch innerlijk vreemd aan is en waarvan hij dat nu hoe langer hoe meer gevoelt, een soort bevrijding.

Deze vlucht naar Duitsland is voor de Prins een beslissende stap wat betreft zijn openlijke belijdenis van het Protes­tantisme.

Men weet in 1566 al wel in Duitsland wat er bij de Prins omgaat, maar heeft er alleen op aangedrongen, dat hij „mit dem eusserlichen werck und der that beweise wie sein innerlich hertz ist" (dat hij met zijn uiterlijke gedrag en met daden zou bewijzen, hoe het in zijn hart gesteld was).

Willem van Hessen waarschuwt hem voor „das dissimulieren und hincken zu beiden seidten" (het veinzen en het hinken op twee gedachten).

In dezelfde tijd heeft de Prins tegenover Filips verklaard hem gehoorzaam te zijn, „quatenus salva conscientia licet". En Filips heeft wel gevoeld, dat er vérgaande restricties opgesloten lagen in de uitdrukking: „voorzover een goede conscientie dit toelaat".

(slot volgt)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De ontwikkeling van het godsdienstig leven van PRINS WILLEM VAN ORANJE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's