De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De ontwikkeling van het godsdienstig leven van PRINS WILLEM VAN ORANJE

Bekijk het origineel

De ontwikkeling van het godsdienstig leven van PRINS WILLEM VAN ORANJE

7 minuten leestijd

IV.

In Duitsland aangekomen, wil de Prins nu ook allereerst zijn tijd gebruiken om beter in de Bijbel en in de Lutherse geloofsleer thuis te raken. Zijn broer Lodewijk vraagt voor hem bij de landgraaf van Hessen om de predikant Nicolaus Zeil een tijdlang af te staan voor de Dillenburg, „dieweill seine Gnade sonderliche grosze lieb und neygung, von tag zu tag je lenger je mehr, zu der predigt des Wort Gottes gewhinnet, sich auch teglich daraus zu trosten hochlich bevleissigt" (omdat Zijne genade van dag tot dag hoe langer hoe meer een opmerkelijke grote liefde en toegenegenheid tot de prediking van het Woord Gods verkrijgt en zich ook dagelijks zeer beijvert daaruit zijn troost te putten).

Daarbij komt nu de geregelde omgang met zijn moeder Juliana van Stolberg en met zijn broer Lodewijk. In zijn brieven komen nu herhaaldelijk uitingen , voor van afhankelijkheid van de Almachtige God, op Wien hij temidden van al zijn leed en bekommering vertrouwt.

Een paar voorbeelden mogen dit hier staven.

Nadat zijn zoon Filips Willem is opgelicht en naar Spanje gevoerd, schrijft de Prins: „hetwelk ons dan, als zijn vader, naast andere moeiten van allerlei aard, waarmede de Almachtige ons dagelijks meer en meer bezoekt en aangrijpt, in smartelijke bekommering, droefheid en aanvechting doet geraken. Wij willen echter onze hoop stellen op Zijn Almacht en niet twijfelen of Hij zal al dit kruis, deze kommer en ongelukken naar Zijn goddelijke wil te Zijner tijd verzachten en verbeteren."

Bij het begin van zijn veldtocht in 1568 met zijn beroemde overtocht over de Maas, schrijft hij uit zijn kamp: „Wij liggen dicht aan deze kant van de Maas en hopen de Almachtige zal ons een goeden engel als leidsman zenden, die ons een goede doortocht wijzen zal en behouden naar de andere zijde brengen zal."

En tenslotte wijzen we op de brief van Willem van Oranje aan Sonoy van 9 augustus 1573: „Gij schrijft ons, dat men u soude laten weten, of wij ook met enigen groten, machtigen Potentaat in vasten verbonde staan. Waarop wij niet laten en willen ulieden voor antwoord te geven, dat aleer wij ooit dese sake en de beschermenisse der christenen en andere verdrukten in dezen lande aangevangen hebben, wij met den alderoppersten Potentaet der Potentaeten alsulken vasten verbont hebben gemaekt, dat wij geheel verzekerd zijn, dat wij en alle degene, die vastelijk daarop betrouwen, door Sijne geweldige en machtige hand ten leste noch ontset sullen worden."

Als wij onbevooroordeeld zulke uitingen van de Prins beluisteren, dan is het niet mogelijk hem te houden voor een opportunist (eigenbelangzoeker), die alleen pour besoin de la cause zich dan bij de éne en dan bij de andere belijdenis zou hebben aangesloten, terwijl hij in zijn binnenste eigenlijk religieus indifferent zou zijn geweest.

Luthers is de Prins gebleven tot 1573 toe. Althans eerst in het najaar van 1573 krijgen wij bericht, dat de Prins is overgegaan tot de Gereformeerde religie. In dat jaar neemt hij deel aan de viering van het Heilig Avondmaal met de Gereformeerden in Dordrecht.

Toch was de weg daartoe reeds in de voorafgaande jaren voorbereid. Een belangrijke stap was al, dat de Prins op de Dillenburg besloot tot de gewapende opstand tegen Spanje. Daardoor kwam hij dichter te staan bij de Gereformeerden, die dit al lang gewild hadden, met name in Antwerpen en Gent. Daardoor ontstond ook de nauwere samenwerking met de Franse Protestanten, de Hugenoten.

Wel maakt de Prins onderscheid tussen zijn verhouding tot de Spaanse koning en „ses mauvais conseillers" (zijn slechte raadslieden), waartegen het verzet dan in de eerste plaats gericht is.

„Den Koninck van Hispanien heeft hij altijd geëerd". In het Calvinisme zal de Prins vooral hebben aangetrokken de belijdenis van de souvereiniteit Gods over alle dingen, waardoor het meer op het „diesseits" (op hetgeen hier op aarde in de tijd plaats grijpt) gericht is, dan het Lutheranisme, dat vaak in de Nederlandse Gereformeerden weinig meer kon zien dan een troep muiters.

Aan de andere kant zal hij, wanneer hij overgaat naar het Calvinisme, het niet altijd eens zijn met de strenge lijnen, die door een groot deel der Nederlandse Gereformeerden getrokken werden. Ik denk b.v. aan zijn sympathie voor de Utrechtse predikant ds. Duifhuis.

De Prins deelt niet de inzichten der Gereformeerden omtrent de strenge kerkelijke tucht. Zeker niet de neiging van velen om het Rooms-Katholicisme met wapengeweld te bestrijden. De Prins ziet er geen bezwaar in de souvereiniteit zelfs aan een Franse Souverein aan te bieden, hoezeer hem dit zelfs door zijn broer Jan van Nassau (de man van de Unie van Utrecht) is kwalijk genomen en hem dit veler sympathie gekost heeft. Hij zocht samenwerking met de Rooms- Katholieken uit politieke oogmerken, zoals iemand het genoemd heeft „ter verlenging van het front" en om principiële redenen. De Prins wil in dit opzicht niet Filips en Alva met gelijke munt betalen. En hij vindt daarbij toch ook weer steun bij allerlei raadslieden uit zijn omgeving: Marnix, zijn hofpredikers L'Oiseleur de Villiers en Taffin en ook zelfs bij mensen als Olevianus, een van de opstellers van onze Heidelberger en Beza, de bekende medewerker en opvolger van Calvijn.

Het is daarbij niet toevallig, dat zijn derde en zijn vierde huwelijk gesloten zijn met vrouwen, die afkomstig zijn uit de voornaamste Hugenootse kringen: Charlotte de Bourbon, de gewezen abdis van Jouarre en Louise de Coligny.

Soms dreigt enig conflict tussen de staatkundige tactiek van de Prins en zijn openbaar belijden van de Gereformeerde religie, zodat Charlotte de Bourbon zo vrij is om hem te bestraffen vanwege ontrouw kerkbezoek als hij in de Zuidelijke Nederlanden vertoeft en aan de bepalingen van de Pacificatie van Gent meer dan de volle 100 % wil geven.

De laatste jaren van de Prins zijn niet de gemakkelijkste geweest. Het ideaal van de verenigde 17 provinciën (Noord en Zuid) heeft hij moeten loslaten. Zijn Fransgezinde politiek bezorgt hem veel vijanden en waarschijnlijk heeft de Prins daar ook te veel van verwacht.

Hij moet wel uitermate sober leven, zodat een Engels bezoeker hem niet aan zijn uiterlijk, maar alleen aan zijn aristocratische houding en manieren herkent als de man van hoge positie. Zijn tolerantie-politiek mislukt, mede door het verraad van Rennenberg. Vogelvrij verklaard wordt hij het slachtoffer van een reeks van aanslagen. Laster beschuldigt hem van atheïsme en zegt, dat als 't hemd van de Prins naar Godsdienst rook, hij het zou uittrekken. Maar temidden daarvan spreekt altijd weer in ogenblikken, waarin niet de politicus, maar de mens aan het woord is, zijn geloof zich uit.

Zo na de moordaanslag van Jean Jeaureguy, als hij zegt: „j'ay recours a la miséricorde de Dieu, en la seule miséri-corde de Dieu consiste mon salut" (Ik vertrouw mij toe aan de barmhartigheid Gods; in de barmhartigheid Gods alleen ligt mijn zaligheid).

En zijn broer Jan van Nassau, - spreekt het uit in zijn condoleantiebrief aan Louise de Coligny, dat hij in het levensbeeld van zijn broer de gelijkvormigheid aan zijn oppersten Heere Jezus Christus terugvindt en daarin de troost vindt, die hij nodig heeft om de droefheid te overwinnen.

Wat er in de Prins leefde komt openbaar in zijn laatste woorden: „Mon Dieu, aiez pitié de mon ame! Mon Dieu, aiez pitié de ce pauvre peuple". (Mijn God, ontferm U over mijn ziel! Mijn God, ontferm U over dit arme volk).

En het zijn juist die momentopnamen, die voor de vaststelling van iemands levenshouding zulk een grote betekenis hebben.

Ik eindig met nog een citaat uit een brief van 1574 na de droeve verliezen van Mook (waar o.a. zijn broeders Lodewijk en, Hendrik sneuvelden) „ik wil eerlijk bekennen, dat mijn hoofd zo versuft is van leed en droefheid, dat ik nauwelijks weet, wat ik doe.

Zo is het dan, dat wij ons altijd moeten neerleggen bij de wil Gods en vertrouwen stellen op Zijn Goddelijke Voorzienigheid, dat n.l. Hij, Die het bloed van Zijn enigen Zoon gegeven heeft om Zijn Kerk te bevestigen, niets zal doen dan hetgeen uitlopen zal op de bevordering van Zijn eer en de handhaving van Zijn Kerk".

Dit is de taal, die geheel in overeenstemming is met onze nationale Psalm, ons Wilhelmus.

Resumerend vinden we dus deze perioden:

1. 1533—1544. Lutherse opvoeding.

2. 1544-1567. Rooms-Katholiek met in 1565/66 reeds kentering naar het Lutheranisme.

3. 1567-1573. Luthers met Calvinistische beïnvloeding.

4. 1573—1584. Gereformeerd (gematigd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De ontwikkeling van het godsdienstig leven van PRINS WILLEM VAN ORANJE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1962

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's