SCHRIFTUURLIJK SPRAAKGEBRUIK
Naar aanleiding van de Richtlijnen voor de behandeling van de leer der uitverkiezing. I.
Op blz. 36 van de synodale richtlijnen over de uitverkiezing staat een hoogst merkwaardige opmerking. Daar wordt de Ned. Geloofsbelijdenis verweten, dat zij de verkiezing en de verwerping verdeelt over twee verschillende eigenschappen van God, 'barmhartigheid en gerechtigheid. Dan vervolgen ze: „Maar Luther had juist door Rom. 1 : 17 tot zijn verrassing ontdekt, dat Gods gerechtigheid zijn barmhartigheid is. Aan die ontdekking hebben wij de reformatie te danken. In die geest gebruikt de Schrift het woord gerechtigheid op talloze plaatsen. De Heere redt in de weg van bet recht en zet door zijn heil de dingen recht. Bavinck schrijft terecht: de gerechtigheid des Heeren vormt daarom geen tegenstelling met zijn goedertierenheid . . ., maar is daarmee verwant en synoniem . . . De betoning der gerechtigheid Gods is tegelijk betoning van zijn genade (Dr. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek II (2e dr.), blz. 222; men zie de bijbelplaatsen blz. 221-224). 1)
Het valt te betreuren, dat de Nederlandse geloofsbelijdenis dit schriftuurlijk spraakgebruik niet heeft gevolgd en aldus aan de belijdenis van de éénheid Gods afbreuk doet". - Tot zover de richtlijnen.
Wanneer de ontdekking van Luther (dat in Rom. 1 : 17 de gerechtigheid des geloofs wordt 'bedoeld) aangevoerd wordt om kritiek uit te oefenen op het gebruik van het woord gerechtigheid door de Ned. Geloofsbelijdenis, zal deze kritiek zich noodzakelijk moeten uitstrekken tot al de andere reformatorische belijdenisgeschriften en catechismi. Want telkens wordt in al deze geschriften op dezelfde wijze als door de N.G.B. gesproken over de iustitia vindicativa (de strafvorderende of wrekende gerechtigheid Gods). We denken (om maar bij de Drie Formulieren te blijven) aan H. Cat. vr. 10: Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten? - Geenszins; maar Hij vertoornt zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwig straffen . . . ; en vr. 11: Is dan God ook niet barmhartig? - God is wel 'barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig: daarom zo eist zijn gerechtigheid enz. Met de vertolking van deze wrekende gerechtigheid Gods beginnen de Leerregels: Aangezien alle mensen in Adam gezondigd hebben, en des vloeks en eeuwigen doods zijn schuldig geworden, zo zou God niemand ongelijk hebben gedaan, indien Hij het ganse menselijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten en om de zonde verdoemen.
Volgens de richtlijnen volgen deze belijdenisgeschriften dus hierin niet het schriftuurlijk spraakgebruik.
Als we het een en ander eens rustig overwegen, moet de vraag toch wel rijzen, of de richtlijnen hier vervallen zijn aan het biblicisme, dat in zijn theologische bezinning alleen maar van bijibelwoorden wil gebruik maken, of dat er aan deze opmerking toch andere motieven, die een theologische divergentie verraden.
In ieder geval kan men zich bezwaarlijk beroepen op Bavinck voor een bepaald biblicisme in dit opzicht, en allerminst op Luther. Bavinck wijst er inderdaad op, dat de gerechtigheid Gods in de H. Schrift meestal in heilbrengende zin wordt opgevat, doch laat tevens duidelijk zien, dat het hierbij gaat om de betoning van Gods gerechtigheid binnen het verbond, jegens de verdrukte, de arme, de wees en de weduwe, de nooddruftige, kortom degenen wier verwachting zich uitstrekt naar de toekomst, naar de Messias, die de Spruite der gerechtigheid zal zijn (Jes. 23 : 5 v.v.). Het gaat dus om de reddende gerechtigheid Gods jegens Israels vromen, die op de Heere hopen. God zal hun recht doen en hun twistzaak twisten. Daarbij zal Hij hen van zonde verlossen door Zijn gerechtigheid te schenken. Bavinck wijst er verder op, dat gerechtigheid niet hetzelfde is als gunst, barmhartigheid, genade, ook niet zoveel als bondstrouw, maar dat gerechtigheid is en blijft een forensisch begrip. Ze herstelt het onrecht jegens de godvrezende en is zelfs een geschenk, dat de Messias aan Zijn volk brengt. En zo gaat dan het begrip uit het Oude in het Nieuwe Testament over. De gerechtigheid Gods bestaat daarin, dat zij door de Messias gerechtigheid aan zijn volk komt brengen, dat ze in Christus een zoenmiddel biedt, waardoor Hij zowel zelf rechtvaardig blijkt als ook kan rechtvaardigen degene, die uit het geloof is. *2)
Bavinck toont verder echter nog nadrukkelijk aan, dat de H. Schrift de gerechtigheid ook kan gebruiken in de zin van het rechtvaardig oordeel Gods over de goddelozen. God zal de wereld richten in gerechtigheid (Ps. 9 : 9); de mens vergadert zich naar zijn hardigheid de toorn als een schat, in de dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods (Rom. 2:5); en verscheidene andere plaatsen.
Meestal, erkent Bavinck, wordt echter het woord gerechtigheid heilbrengend gebruikt. Brengt hem dat nu tot een verzwakken van de wrekende gerechtigheid Gods, zoals de dogmatiek daarover spreekt? Dat schijnen toch de richtlijnen te beogen. Bavinck is echter te groot theoloog om ook maar even de schijn van biblicisme op zich te laden. Hij Iaat direct zien, dat de zaak, die later in de dogmatiek als iustitia vindicativa (wrekende gerechtigheid) wordt omschreven, niet ontbreekt (zoals boven reeds gezegd). „Ja zelfs is er een voorbeeld aan verbonden, zo schrijft hij, dat de dogmatiek zo duidelijk spreekt over de wrekende gerechtigheid Gods (wat zakelijk dus een onomstotelijke waarheid der Heilige Schrift is), omdat door velen bepaaldelijk de straffende gerechtigheid Gods als in strijd met Zijn liefde, aan God is ontzegd. *3)
Het lijkt me daarom wel erg bedenkelijk om Bavinck als getuige aan te voeren tegen een min of meer „onschriftuurlijk woordgebruik van de belijdenis". Alles wat hij schrijft op de bladzijden 219-227, protesteert daar heftig tegen. Te meer omdat de richtlijnen toch wel sterk de gedachten opwekken, dat zij niet alleen strijden tegen een woord, maar ook groot bezwaar hebben tegen de zaak, die door dat woord wordt aangeduid.
Trouwens, het bezwaar, dat we hebben tegen de wijze, waarop Bavinck geciteerd wordt, hebben we ook tegen het citeren in de richtlijnen van anderen, met name Calvijn. Voor zover hij bruikbaar is wordt hij tot getuige opgeroepen. Voor de rest laat men hem graag rusten. Het lijkt me niet erg fair play zo te citeren. Zeker niet voor een synodaal geschrift.
En nu Luther. Inderdaad ontdekte hij tot zijn grote verrassing, dat met de rechtvaardigheid, in het evangelie geopenbaard, de heilbrengende gerechtigheid bedoeld wordt. Dat heeft hem echter nooit er toe gebracht niet meer te spreken over de gerechtigheid Gods, waarnaar de goddeloze door Gods toorn vergaat. Daarvoor heeft hij te goed geweten wat het is buiten Christus coram Deo (voor het aangezicht Gods) te staan. Hij heeft voor de toornende God gestaan, en is daaronder verteerd geworden. En deze toom Gods, die hem als in helse vereenzaming wierp, is waarachtig niet een willekeurige aandoening van God, maar de rechtvaardige toom Gods over de zonde, die de goddelozen van het paradijs af moet treffen.
Het was hem niet beschouwing, maar bevinding in de confrontatie met de heilige en rechtvaardige God. Daarin heeft hij geweten met de gehele wereld verdoemelijk voor God te liggen. Vanonder dat oordeel gered te worden is alleen mogelijk door verkiezende genade Gods in de openbaring van het evangelie van Jezus Christus: de gerechtigheid des geloofs. Om de eenheid Gods in filosofische zin kon zich 'Luther waarlijk niet bekreunen. God was één in Zijn rechtvaardige toom over de verwaten mens en in Zijn wonderbare ontferming in Jezus Christus, in het evangelie geopenbaard aan wie Hij wil.
Wanneer de richtlijnen zeggen, dat door verkiezing en verwerping over twee verschillende eigenschappen van God, barmhartigheid en gerechtigheid, te verdelen, afbreuk gedaan wordt aan de belijdenis van de eenheid Gods, dan kan dit zeggen m.i. alleen maar verklaard worden uit een min of meer filosofisch monistisch geïnfecteerde Godsvoorstelling. Het staan voor Gods aangezicht, het aangezicht van de God der Schriften, de souvereine majesteitelijke God, brengt met zich mee het erkennen: God is groot, en wij begrijpen het niet. Daarom raakt ons niet het verwijt, dat wij niet zouden kunnen ontkomen aan een gespleten Godsbeeld. Het minderheidsrapport heeft dan ook terecht op dit verwijt geantwoord: Het verwijt, dat wij niet zouden kunnen ontkomen aan een gespleten Godsbeeld, kunnen wij niet aanvaarden.
Die gespletenheid zou dan hierin liggen, dat God de zaligheid van de één wil en van de ander niet, terwijl Hij toch aan allen het evangelie wil doen verkondigen.Het ware beter te zeggen, dat ons verstand te klein is om God te begrijpen. Als men trouwens zegt, dat God wel de zaligheid van allen wil, maar die niet bij allen kan bewerken, maakt dat op ons ook de indruk van gespletenheid.
De God der Schriften laat Zich niet opsluiten binnen het raam van onze voorstellingen. Hij is die God, Die Zichzelf niet verloochenen kan, die alle boosdoeners haat en een rechtvaardig Rechters is, Die ten alle dage toomt (Ps. 7: 12). Naar de werken zal Hij vergelden, grimmigheid aan Zijn wederpartijders, vergelding aan Zijn vijanden (Jes. 59 : 18). De Heere onze God is een verterend vuur, een ijverig God, Die spreekt: Mijn is de wraak. De ziel, die zondigt, die zal sterven (Ez. 18 : 4). Dat is de rechtsorde Gods, van de beginne: van het paradijs af. En deze rechtsorde rust in Zijn eeuwig Wezen.
Daarom geldt wel, dat de gerechtigheid, in het evangelie geopenbaard, ten leven is, maar dat doet niets af van de werkelijkheid der wrekende gerechtigheid van de toornende God, waaraan wij vervallen zijn van de beginne, in ons bondshoofd Adam. Het is Gods eeuwige verkiezende liefde, waaruit de reddende gerechtigheid, geopenbaard in Jezus Christus, die Zijn borst gaf voor het zwaard der wraak, zich doorzet jegens een volk, dat God Drieënig vrijwillig heeft uitverkoren in Christus voor de grondlegging der wereld en dat gerechtvaardigd wordt uit het geloof van Christus. Het is Gods heilige rechtvaardigheid, waarnaar Hij anderen in de ellende laat, waarin wij onszelf hebben gestort.
De aanhaling van Luthers ontdekking door Rom. 1:17, dat Gods gerechtigheid Zijn barmhartigheid is, komt mij in dit verband der richtlijnen geheel misplaatst voor. Evenals hetgeen uit Bavinck's dogmatiek wordt aangehaald. M.i. snijdt dan ook hetgeen gezegd wordt over „Schriftuurlijk spraakgebruik" geen hout.
1) Geref. Dogmatiek II (3e dr.) iblz. 221 v.v.
2) Geref. Dogmatiek II (3e dr.) blz. 223.
3) Geref. Dogmatiek II (3e dr.) blz. 225.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1962
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's